Bombardement en Mussolini kregen Piet op de knieën

pietvanderveerAlles was hem ontnomen, weggeglipt door z’n eeltige knuisten. Zijn roem ingehaald door de tijd en z’n kapitaal verdampt. Dat laatste hadden de moffen wel voor gezorgd. Piet van der Veer, ooit één van de beste zwaargewichten in Europa bezat, vlak na de Tweede Wereldoorlog niets meer. De voormalige vuistvechter was geestelijk geknakt.  Piet, zwaargewichtbokser om den broden. Stond meer dan vijftien jaar in de ring en behoorde in het interbellum tot de bekende Nederlanders.  Voor hém liep zelfs heel Milaan uit. Piet van der Veer, uit Rotterdam,  als jochie begonnen bij zijn oom in de hoefsmederij, waar aan het hete vuur en aambeeld het lijf gestaald werd.
Voor Pietje, groot, sterk, geen voetballoopbaan bij Feyenoord of Sparta. Piet deed het enige dat je met zo’n lijf kon en moest doen: hij werd bokser. En geen slechte. De voormalige hoefsmid was tussen 1919 en 1933 ongeslagen kampioen van Nederland. Rotterdamse Piet vocht zich omhoog tot de Europese top. Piet, wist zelf niet hoe sterk hij wel was. De man, behept met een minderwaardigheidscomplex zo groot als de Willemsbrug, had goud in zijn vuisten. Maar op de beslissende momenten  liet zijn lef hem in de steek. Kansen genoeg gehad. Amerika lonkte voor hem, maar Piet had  niet de moed om zijn geliefde Rotterdam in de steek te laten. Waarom zou hij ook? De zwaargewicht kreeg in het ‘oude continent’ kansen genoeg. Zoals in het voorjaar van 1923.pietvanderveerkop
Piet van der Veer ging voor een smak geld om de Europese titel  knokken. Tegenstander  Erminio Spalla en het gevecht, over twintig ronden,  was afgesloten in Milaan. Het spektakel  vond in alles behalve een achterafzaaltje plaats. Nadat Van der Veer gecontracteerd was, liep het storm op de toegangskaarten. Meer dan vijftigduizend kaartjes tussen de vijf- en vijfhonderd lire waren binnen een dag verkocht. Piet van der Veer, de Rotterdamse reus, was allesbehalve een ‘weggooier’. Boksminnend Italië sidderde. De voormalige smid afkomstig uit het land van dominees en kruideniers, moet raar opgekeken hebben in Milaan, waar met Latijnse hartstocht reclame gemaakt werd voor het komende gevecht. In alle winkels en op billboards stond het konterfeitsel van Piet. Om Spalla, een sergeant in het facsistenleger, te steunen kregen boksliefhebbers vanuit de provincie veertig procent korting op hun treinkaartje.  De  Italiaanse koning, niet bij het gevecht aanwezig,  liet zich niet alleen iedere ronde op de hoogte houden maar liet zich wel vertegenwoordigen door zijn zoon.
pietvanderveerspaVan der Veer versus Spalla. Goed voor een uitverkocht stadion met aan de ring prinsen, ministers maar ook minister-president én fascistenleider Benito Mussolini. De laatste, in gezelschap van zijn zwarthemden, gaf ongetwijfeld de doorslag voor de komende nederlaag van Piet van der Veer.
Het gevecht waarin Van der Veer op punten voor stond, werd uiteindelijk door een  dubieuze beslissing van de Belgische scheidsrechter beslist in het voordeel van Spalla. Volgens de journalist van de NRC was de scheids duidelijk  ‘onder de indruk van de blikken van Mussolini’. Van der Veer, eenmaal zijn bokshandschoenen opgehangen aan de muur had  zijn zwaar bevochten centjes belegd in een kroeg op het Pijnackerplein, waar hij tot lengte van dagen onbekommerd oud had kunnen worden. Maar daar staken de moffen in de meidagen van 1940  een Duits stokje voor. Tijdens het bombardement ging de kroeg van Piet in het inferno ten onder. Geknakt en verbitterd stierf de voormalige Rotterdamse held in 1947 op tweeënvijftigjarige leeftijd.
Foto 1: Milaan 1923, het duel tussen Van der Veer, links en Spalla om de Europese titel. Foto 2: Van der Veer.

Bron: onder andere NRC jaargang 1923, Sportief jaargang 1947.

Het oude schip zonk uiteindelijk

jimjeffries1Een schok! Een slag voor het blanke ras. Een Afro-Amerikaan die de wereldtitel greep bij de zwaargewichten.  Jack Johnson won als eerste zwarte, in 1908  de wereldtitel bij de zwaargewichten. Een titel voorbehouden aan  de ‘witte man’.  Jack Johnson de vleesgeworden nachtmerrie van het  ‘diepe donkere zuiden’ en ander racistisch  Amerika. Nadat de klap verwerkt was, werd gepoogd ‘om de waardigheid van het blanke ras tegen den negerbokser te redden’, zoals de Amerikaanse kranten schreven. Een zoektocht naar een blanke uitdager werd gestart: Jim Jeffries was de uitverkorene.
Jim, granieten kin, ijzeren conditie. Hield er een straf trainingsschema op na. Werd wereldkampioen bij de zwaargewichten in zijn dertiende partij. Sloeg tijdens een titelgevecht binnen vijfenvijftig seconden een tegenstander knock-out,  ging zelf nóóit neer, en als extraatje brak hij bij meerdere tegenstanders de ribben. Maar dat was verleden tijd. Want Jim Jeffries was al zes jaar met pensioen.
Gelokt door een enorme publieke druk én  een gigantisch zak gevuld met veertigduizend dollars haalde  de ‘the Great White Hope’ zoals de hele Amerikaanse sportpers hem noemde, zijn bokshandschoenen van de muur.  Foute beslissing. Dat begon bij Jim zelf ook langzaam te dagen.  Jeffries, zes jaar op de veranda van zijn boerderij gezeten, kaal en dik geworden leek hij in niets meer op het gespierde blok graniet van voorheen.jimjeffries2
Het komende gevecht Jeffries-Johnson beheerste de kranten van de oost tot de westkust.  Amerika stond op zijn kop, en Jeffries onder druk. De man kreeg, wat ze nu noemen, last van stress. The Great White Hope, geen racist, had als vaste sparringpartner de zwarte Bob Armstrong, was  totaal uit vorm, veertig kilo  te zwaar, en miste de scherpte en de reflexen. Jim begon met de moed der wanhoop te trainen.
Het gevecht, vijfenveertig ronden van drie minuten werd gepland op vier juli 1910 en vond plaats in Reno, Nevada. Een frontierstadje net bekomen van de wildwestperiode, werd overspoeld met dertigduizend liefhebbers. Voor een afstraffing van een zwarte bokser moest je als witte liefhebber iets over hebben. De kaartjes kosten tussen de  vijfentwintig en  tweehonderd dollar. In een zinderende hitte wist de blanke hoop de eerste ronden partij te geven.  Tot de vierde ronde. Na een vreselijke ‘hoek’ geïncasseerd te hebben, zag  Johnson een vreemde blik in de ogen van Jeffries. ‘Het oude schip was aan het zinken’, verklaarde Johnson, poëtisch  tegen de New York Times.  In de vijftiende ronde maakte Jack het karwei af, en zag  Jim Jeffries voor het eerst de canvasvloer van dichtbij. Met wankele benen stond de voormalige kampioen op. Voor zijn manager een rede om de handdoek in de ring te werpen.  Een afgang werd Jim Jeffries  bespaard.
jimjeffries4Volgende maand is het precies zestig jaar geleden dat Jim Jeffries, op bijna achtenzeventigjarige leeftijd, definitief knock-out ging. In 1990 werd hij opgenomen in de International Boxing Hall of Fame.

Foto 1: Jim Jeffries in volle glorie, Foto 2: The Great White Hope versus de nachtmerrie van blank Amerika. Foto 3: Het oude schip lijdt schipbreuk.
Bron: Boxing Record, New York Times, digitale jaargang 1910, Sportief, Wikipedia, Eric van Oostrom.

Champ stierf als een arme kerkrat

tommyburnsjohnsonDe verhalen bestaan uit vijfhonderd woorden plus drie foto’s. Dat is hét concept van dit blog. Hoewel daar niet van afgeweken wordt  heeft dat wél vervelende consequenties. Uit de leuke, bizarre, ontroerende en schokkende feiten, die Stuyfssportverhalen in zijn archief of ander bronmateriaal opduikt, moet dan een selectie gemaakt worden. Zonde van het  unieke materiaal dat blijft  liggen. Mocht dat in de toekomst gebeuren dan wordt er voortaan een vervolgstukje geplaatst.

Ademloos werden  zijn avonturen gevolgd. Kranten en sportmagazines tussen de Oost én Westkust van Amerika schreven kolommen vol. Van eenvoudige jongen tot bekende supersportheld. Niets zo opportunistisch als ‘de mens’. Tommy Burns, (zie verhaal  hieronder) die zich met harde vuisten letterlijk uit de anonimiteit én de bittere armoede vocht, verdween in de anonimiteit. Tommy, wereldkampioen bij de zwaargewichten, grootverdiener in zijn sport. Vond een  arbeider, anno 1908, wekelijks nog geen vijftig dollar in zijn loonzakje, Burns toucheerde voor zijn partij tegen Jack Johnson dertigduizend dollar. En dat gevecht werd  ook de ouverture voor  zijn  uiteindelijke neergang. Nadat Burns zijn wereldtitel aan een zwarte bokser verloor, kreeg hij heel racistisch Amerika over zich heen. Een deel van zijn grote supportersschare had het over ‘a dark day’, en draaide hem de rug toe. Tommy stond nog sporadisch in de ring.
tommyburnsbordIn 1910 kwam  Burns uit tegen Billy Lang. Billy ging neer. Na nog vier partijen staat  de inmiddels negenendertigjarige Burns in Londen voor de laatste keer in de ring én schijnwerpers. Voor Tommy was het mooi geweest. Zijn zuurverdiende tweehonderdduizend dollars  werden belegd in een kledingimperium en horeca.  Niets bleef de vroegere wereldkampioen bespaard. Na de Wall Street Crash en de daarop volgende Grote Depressie verdampte zijn kapitaal.
Voor Tommy Burns, Canada’s allereerste wereldkampioen zwaargewicht,  had de boksgodin een weg uitgezet die leidde langs de ravijnen van diepe armoede die al  zoveel ex-boksers hadden bewandeld. Na lullige baantjes als bewaker, verzekeringsagent kende de voormalige champ een late roeping. De man die genadeloos was in de ring werd evangelist. Tijdens een kerkdienst, gehouden in 1955, hield zijn grote sporthart op met kloppen.
tommyburnsgrafTommy Burns, arm als de ratten in zijn kerk, kreeg een anoniem graf op het Ocean View Cemetery in de buurt van Vancouver. Op zijn begrafenis waren vier mensen. Zes jaar later. Dankzij een inzamelactie gestart door een sportjournalist met een geweten kreeg Burns een marmeren gedenkplaat op zijn laatste rustplaats. Ook Hanover, het dorpje waar Burns geboren en getogen was, bleef niet achter. In de jaren tachtig werd een groot bronzen bord met Tommy’s palmares onthuld.

Bron: onder andere The Vancouver Sun,  Boxing Record, Wikipedia, Eric van Oostrum.

Verwoestende rechtse én een klein hartje

TommyBurns3Twintig jaar stond hij in de ring. En had geen manager nodig. Tommy Burns kende de zakkenvullers in het bokswereldje maar al te goed. Tommy regelde liever zijn eigen zaakjes. Om Burns werd een beetje gegniffeld. Liefhebbers zagen hem als een middelmatige bokser. Ben O’Grady dacht daar íets anders over. Na een gevecht tegen Burns werd Ben dagen later wakker. Tommy Burns, middengewicht, was namelijk een technische puntendrukker, met een verwoestende rechtse. Het gegrinnik verstomde  nadat hij in 1906 onverwachts Marvin Hart versloeg. Hart was dus wereldkampioen zwaargewicht.
Burns, geboren in een blokhut in de buurt van Ontario. Kende een keiharde leerschool. Vocht als zestienjarige prijsvechter voor poen in kroegen en saloons. Bikkelharde Tommy had ook een klein hartje. Burns géén racistische pugilist. Verdedigde blanke wereldkampioenen hun titel  alleen maar tegen rasgenoten,  Burns had daar schijt aan. Tommy, op tournee in Europa, knokte in 1908 ook tegen een joodse bokser. Joseph ‘Jewey’ Smith had de primeur. Tommy, mocht dan wel een vrijdenker zijn maar sloeg evengoed Jewey de oren van zijn hoofd. Ook Indian Joe, een native-Amerikaanse bokser kreeg zijn kans, én op zijn lazer.Project1
Burns, van origine een Frans-Canadees, geboren met de naam Noah Brusso. Veranderde zijn naam in het lekker bekkende Tommy Burns. Met Tommy, gek op geld, viel wel wat te regelen. ‘Philadelphia’ Jack O’Brien voelde dat aan zijn theewater. Jack bood een duizelingwekkend bedrag om van the champ te winnen. Er werden afspraken gemaakt, en het  script doorgenomen. Burns hoefde niet te trainen, verzekerde O’Brien want de laatste zal dat ook niet doen. The Philadelphian, een onzekere man, hield zich niet aan zijn woord, en  trainde zich wezenloos. Boksers, harde kerels maar  kunnen geen geheim voor zich houden. Nadat hij  vernomen had van de stiekem trainende O’Brien, sloeg Tommy Burns  weken lang deuken in de bokszakken. Vlak voor het gevecht, in het midden van de ring, fluisterde Tommy de uitdager in het oor dat hij zijn borst nat kon maken. Jack O’Brien, wit weg getrokken,  kreeg twintig ronden er ongenadig van langs.
De voormalige prizefighter op tournee naar Europa  en Australië, ging zijn titel te gelde maken. Acht uitdagers hadden trek in Tommy én zijn wereldtitel, en bij alle acht ging het licht uit. En toch, toch verloor Burns zijn titel: aan  Jack Johnson een zwarte Amerikaanse zwaargewicht. Tommy Burns gaf als eerste roomwitte bokser een zwarte de kans op de wereldtitel. In Sidney, op 26 december 1908 werd het een beladen gevecht. Johnson, inmiddels twee gebroken ribben, haalde in de veertiende ronde de kop kleinere en lichtere Burns neer. In het met twintigduizend man afgeladen stadion brak de pleuris uit, want een  neger die op het punt stond een blanke af te maken. De politie kwam in de ring en staakte het gevecht. Dagen later werd Johnson de wereldtitel toegekend.
tommyburnskoTommy Burns, na zijn bokscarrière predikant, stierf op vierenzeventigjarige leeftijd. In 1996 werd hij ingewijd in de International Boxing Hall of Fame.

Foto 1: Tommy Burns, Foto 2: Knipsel uit New York Times, Foto 3: Johnson, met een paar gebroken ribben, slaat Tommy Burns neer.
Bron: digitale archief van de New York Times  jaargangen 1904 t/m 1910, Vie au Grand Air jaargang 1908, de site Boxing Records, Wikipedia.

De man met de stalen kin

Eigen schuld dikke bult. Moet je maar niet je  hoofd boven een loopgraaf uitsteken, zelfs niet voor één seconde. Grote kans dat je dan kogels terug kunt koppen. Aan het front bij Verdun waren de sluipschutters goed ingeschoten. Ondanks die waarschuwing deed hij dat toch. Een buitenkansje voor die ene Duitse soldaat. Vlak nadat Heinz de haan van zijn geweer overhaalde ontdekte een verbijsterde Eugène Criqui dat hij voortaan als  kaakloze door het leven moest. Heinz’ kogel was verwoestend. Criqui’s complete onderkaak was weg geschoten.
Eugène, voor de Eerste Wereldoorlog een Franse profbokser. Had ondanks zijn jonge leeftijd al zestig keer in de ring gestaan en won al zijn gevechten. Criqui, vedergewicht én knock-outspecialist in 1914 als vrijwilliger in Franse legerdienst gegaan, verdween voor twee jaar in een lazaret waar hij door een chirurg werd opgelapt.
De laatste maakte van een geitenbot opgevuld met vlees uit Criquis been, een nieuwe kaak. Boksers per definitie tikkeltje rare jongens. Ook Eugène. De man met een gammele nep kin wilde weer de ring in. De chirurg die de bui zag hangen nam de jonge bokser  opnieuw onder het mes, en knutselde een nieuwe kinnebak. Van staal!  Een stalen kaak, de ultieme droom voor iedere bokser.
George Cravat in 1917 eerste tegenstander van Criqui,  had zo zijn twijfels aan de kwaliteit van het metaal, en plaatste in de eerste ronde een verwoestende rechtse op dé kin. George brak bijna zijn hand. En verloor het gevecht. Eugène Criqui moet dat euforische gevoel van onoverwinlijkheid hebben gehad.  Na George Cravat stond de oorlogsinvalide nog drieënzestig keer in de ring, verloor twee keer op punten maar sloeg wél  tweeënvijftig  keer een tegenstander knock-out. En werd ook nog eens Europees kampioen. Zijn naam vloog door de wereld. In het Amerika van 1923 zagen ze goud in de Fransman. Promotor O‘Rourke regelde een gevecht om de wereldtitel. In een kolkend en kokend New Yorkse Polo Ground voor meer dan vijftigduizend liefhebbers trof  de inwoner van Parijs heersend wereldkampioen Johnny Kilbane. Voor de man die de hel van Verdun overleefde moet die brullende massa niet meer zijn geweest dan wat prettig geroezemoes en haalde vervolgens in de zesde ronde Johnny neer.
Wereldkampioen Eugène  Criqui, contractueel vastgelegd dat hij binnen zestig dagen zijn titel in New York moest verdedigen.  Uitdager was Johnny Dundee. En die wist wel een antwoord op die stalen kin. Dundee, een sluwe Ier, had zijn handbandages ondergedompeld in een bak gips.  Met cementen vuisten brak Johnny Dundee in de eerste ronde de stalen kin.  Frankrijks hoop, hield het nog vijftien ronden vol maar verloor toch op punten. 
Eugène Criqui, slechts vierenvijftig dagen wereldkampioen, stierf in 1977 op vierentachtig jarige leeftijd. In 2005 werd hij opgenomen in the International Boxing Hall of Fame.

Foto 1: De zesde ronde om de wereldtitel vedergewicht. Johnny Kilbane wordt zojuist wakker. Foto 2: Eugène Criqui, Foto 3: Ondanks zijn nederlaag kreeg Criqui in Parijs een groots welkom.

Bron: Geïllustreerde Sportwereld jaargang 1922 en 1923,  Revue der Sporten jaargang 1923, Les Sports Illustress jaargang 1919, de site Boxing Records.

‘Breng mij asjeblieft naar mijn moeder’

Montana 1898, het Wilde Westen. Twee decennia eerder nog het territorium van Cheyennes en Sioux en waar een zinnige blanke zich niet waagde. Vrijplaats voor avonturiers en andere desperate idioten.  Stadjes met houten trottoirs. Met op elke hoek een saloon. Kroegen met klapperende deurtjes,  tingeltangelpiano, pokerende mannen, en hoeren bij de vleet. Waar de  kogels letterlijk om de oren vlogen. Met als extra attractie vuistgevechten. Wie durfde mocht, voor een klein bedrag,  knokken met de prijsvechter van dienst. In dat geval een jongen van zestien jaar. En die nam het op tegen iedere cowboy die het lef had.
The Kid trok van kroeg naar kroeg. Kreeg in één jaar meer dan tweehonderdvijftig tegenstanders tegen over zich: en haalde ze allemaal neer. Stanley Ketchel net zeventien jaar, gehard in de kroegen van Montana, werd beroepsbokser. Vocht in drie jaar tijd veertig officiële gevechten, en verloor slechts twee keer.  Stanley, westernlaarzen, revolver, was Montana ontgroeid, en vertrok in 1907 naar Californië voor een serie gevechten.
Na de eerste drie gewonnen partijen kwam de voormalige kroegvechter uit tegen wereldkampioen Joe Thomas. In een bloedig gevecht over tweeëndertig ronden, ging bij Joe Thomas het licht uit. Na nog een serie partijen onder meer tegen Mike Sullivan, Billy Papke,  Hugo Kelly, en Jack O‘Brian, is het oktober 1909. 
Wereldkampioen Ketchel, met de bijnaam ‘the Michigan Assassin’  gecontracteerd voor een gevecht over twintig ronden met tegenstander Jack Johnson, een Afro-Amerikaan. Het treffen tussen  Johnson versus Ketchel werd een historische en beroemde  gevecht. Het blanke publiek,  als één man achter hun jongen, zag tot grote afgrijzen hoe de kop grotere en zwaardere Johnson in de twaalfde ronde Stanley Ketchel met een vreselijke klap knock-out sloeg. The Champ, minuten lang in een andere wereld, werd wakker met drie tanden minder. De ivoortjes moest Johnson later uit zijn handschoenen pulken.  Ketchel, uit op revanche, trok zich, als voorbereiding op een  revanche terug op een ranch ergens in Missouri. En daar, tussen de paarden en koeien, begon het voorspel voor Stanley Ketchels naderende dood. Na een ruzie met ene Dipley, werd de schrik van de saloons in zijn rug geschoten. 
Met een speciaal gecharterde trein werd the Assassin naar het hospitaal in Springfield afgevoerd. Met Magere Hein naast je sterfbed laten mensen zich van hun kwetsbare kant zien. En valt toch geen status meer op te houden.  Ook Stanley Ketchel. De man met de harde kop,  en koude ogen was weer dat jochie uit Montana.  ‘Ik ben zo moe, ik wil naar huis. Breng mij asjeblieft naar mijn moeder’,  waren zijn laatste woorden. Moeder Ketchel zal haar jongen nooit meer zien. Op vierentwintigjarige leeftijd stierf de Michigan Assassin. Ketchel, één van de beste middengewichten ooit, werd in 1954  bijgezet in de International Boxing Hall of Fame.

 Foto 1: Voor een verbijsterend blank publiek gaat Stanley Kechel in de twaalfde ronde neer. Foto 2: Links Stanley Ketschel mét westernlaarzen en Jack Johnson. Foto 3: Stanley Ketchel

 Bron: the San Francisco Cronicle jaargang 1910, Vie au Grand Air, jaargang 1909, de site Boxing Records.
Filmbeelden van het  gevecht Johnson/Ketchel:  http://www.youtube.com/watch?v=wp20AKdyyXg

Geen requiem voor een zwaargewicht

Een tegenstander op leeftijd, zes kilo lichter én een kop kleiner. Voor Joe Bygraves, een gereputeerd zwaargewicht, was het gevecht nog net geen formaliteit. De Engelse vuistvechter, vierenzestig overwinningen waaronder tweeëntwintig knock-outs, wachtte in de Rotterdamse Rivierahal een aardige verrassing. Wim Snoek, bokser op retour, dacht daar heel anders over.

Joe geloofde zijn ogen niet. In plaats van een uitgebluste, uitgedijde  tegenstander, stond op het canvas een afgetrainde kerel. Wim Snoek scherp,  in vorm, was maandenlang intensief door trainer Piet ter Meulen onder handen genomen. De Amsterdammer voelde zich als een duivel in een wijwatervat. En die vechten zich kapot om daar uit te komen. Na de eerste gongslag stortte Bygraves zich met flitsende hoeken gretig op zijn opponent.  De Ouwe Snoek incasseerde, en sloeg terug.
Snoek versus Joe Bygraves. De laatste een gereputeerde topbokser  van groot formaat,  vier jaar jonger en zes kilo zwaarder.  Snoek, dapper en moedig, werd in de derde ronde met een hoek naar het canvas gerost. Wat als een anonieme partij de analen was ingegaan werd een historisch gevecht. Bij de tiende tel stond Wim Snoek op de benen.
Tegen alle verwachtingen in werd het geen requiem voor een zwaargewicht. De Amsterdammer, zesendertig jaar, met een lijf dat in tientallen zware gevechten flink op zijn lazer kreeg. Wat haal je op de hals? In zo’n geval wordt verstand  verdrongen door de ‘eer’. Voor een duizendkoppig publiek werd  Snoek iedere ronde metaal sterker, knokte zich terug en schreef de vijfde ronde op zijn naam. Joe Bygraves, knock-outspecialist, die de partij snel had willen afmaken, werd er letterlijk door aangeslagen. Verrast door de felheid van Snoek, werd een beroep gedaan op  de trukendoos. Kreeg daardoor in de derde en zesde ronde een waarschuwing.
De fysiek sterkere Brit van Jamaicaanse afkomst  wist Snoek nog twee keer neer te halen. Maar hing zelf in de laatste ronde  minutenlang in de touwen, murw geslagen door Snoek.
Joe Bygraves, kampioen van Engeland, haalde enkele jaren daarvoor Ingemar Johansson de latere wereldkampioen neer, deze Joe liep een behoorlijke reputatieschade op. Tot zijn schande eindigde het gevecht onbeslist. Voor Snoek voelde het als een overwinning. De kolkende en kokende Rivierahal dacht daar net zo over. Bij de staande ovatie werden handen blauw geklapt. Snoek,  gezwollen, blauwe  en gehavende kop, werd in de kleedkamer liefedevol opgevangen door zijn vrouw Sjaan. Uiteindelijk kwam voor beiden boksers toch het Requiem. Snoek gestorven in 2001 werd vierenzeventig, en Bygraves ging begin dit jaar definitief knock out en werd eenentachtig.

Bron: Het Parool augustus 1963

Jan Huppen een stylist met trotyl

Als Huppen niet naar de Spelen mag, wie dan wel’?, riep trainer Dick Groothuis in wanhoop uit. Groothuis  begreep er niets meer van. Nog twee maanden te gaan voor de Olympische Spelen van Tokio, 1964 en nog verkeerde zijn pupil Jan Huppen in onzekerheid. Jan Huppen, zijn Jantje, vlieggewicht, vierenvijftig kilo schoon aan de haak en nog geen 1.60 meter lang, was even daarvoor kampioen van Nederland geworden. En dan  niet met een gelukstreffer. Huppen, pas drie jaar in de ring,  twintig gevechten, waarvan zeventien met winst. Een betere conduitestaat was niet te overleggen. Ondanks dát had Huppen zijn uitnodiging voor de Spelen nog steeds niet binnen.
De Amsterdamse vuistvechter, een voormalig voetballer die het met zijn elfen iets te veel vond, meldde zich als jochie van zeventien bij de boksschool van Groothuis,  in de hoofdstedelijke Warmoesstraat. In de  illustere boksgym van Groothuis, op de zolders van een zeventiende eeuws pand, werden de kampioenen gemaakt. Ook Jan Huppen. De vlieggewicht, trotyl in zijn knuisten was ook nog eens een stylist want won vier keer een  stijlprijs. Een zeldzame combinatie. De boksbond en het Olympisch Comité zagen dat allemaal iets anders. Jan Huppen heeft geen internationale ervaring was het argument. Dat  laatste  was niet waar. Ook in Europa had Huppen een spoor van knock outs achter zich gelaten, want klinkende overwinningen in Parijs, Wales en Duitsland.
 Twee maanden later stond Jan Huppen tóch in de Olympische ring van Tokio. En daar werden de hoog gespannen verwachtingen niet ingelost. Jan, tegen de Amerikaan Louis Henry Johnson leed een volkomen onnodige nederlaag. Na afloop in de kleedkamer vroeg Huppen zich radeloos af hoe dát nou kon. Volgens Groothuis was de verdediging van zijn jongen prima,  slipte keurig weg bij aanvallen, maar vergat één ding.  Jan had zich tegen de kop grotere tegenstander ‘in moeten te vechten’ en meer initiatief moeten tonen.
Voor Jan Huppen waren de Spelen voorbij voor hij er erg in had. En toch, toch schreef hij geschiedenis. Maar dan niet in de boksring maar in de Budokan, hét judopaleis van Tokio. Huppen, samen met Jan de Rooij, ook bokser uit de school Groothuis, waren getuigen van de historische overwinning van Anton Geesink. Nadat de Utrechtse reus tot overwinnaar was uitgeroepen stormden twee toeschouwers uitgelaten de mat op. Het duo werd niet alleen met een simpel handgebaar door Geesink terug gestuurd maar ook vereeuwigd op het celluloid. Op de filmbeelden van Geesinks  historische zege, regelmatig vertoond, blijft Jan Huppen voor eeuwig de jongen, ‘Jantje Huppen’, dat boksertje uit Amsterdam dat het nét niet haalde.

Bron: De Waarheid en Het Parool, jaargang 1964

Jaren van opoffering wreed verstoord

Vanaf de lagere school door zijn vader opgeleid tot bokser. Pa, een van de beste boksers uit de Nederlandse geschiedenis, en eigenaar van een gerenommeerde boksschool, had  goed werk geleverd. Peter Zwezerijnen, mocht als bokser zijn land vertegenwoordigen op  de Spelen van Barcelona. In een interview, paar weken voor aanvang, schetste hij alvast het scenario. Eenmaal op het podium zal hij gaan janken van geluk, vertelde de middengewicht. Een medaille, ongeacht de kleur, zal het mooiste zijn wat hem in het leven overkwam. Peter Zwezerijnen jong, sterk, en barstensvol zelfvertrouwen. En terecht. Een vierde plek op de wereldranglijst en zilver op het Europees kampioenschap geeft moraal.  Wat kon er voor hem mis gaan op de Olympische Spelen?
Nou het ging mis. Faliekant zelfs. Buiten zijn schuld nog wel.  Eén groot drama werd het, waarbij de tranen rijkelijk vloeiden. Maar dan wel van pure ellende. Het leven kan heel wreed zijn voor een jonge ambitieuze sportman. Het Olympisch dorp, een week voor aanvang. Na een training nog even in het Turks bad. Altijd goed voor een sporter om vuile stoffen uit te zweten. Wat een relaxed uurtje had moeten worden, werd een hels moment. Het hagelnieuwe stoombad, niet goed afgesteld,  spuit, ongecontroleerd gloeiend hete stoom: op de voet van Zwezerijen.  Met tweedegraadsbrandwonden wordt ijlings koud water opgezocht. Het kwaad was al geschied. Bij de keuring, twee dagen voor het toernooi, en reglementair verplicht voor boksers, wordt de Utrechter afgekeurd. Zijn wereld stortte in. Weg droom. Zwezerijnen, gewend om harde klappen te krijgen, had gehuild als een kind. Jaren van zelfopoffering teniet. Een klacht indienen tegen het I.O.C. werd hem afgeraden. Was slecht voor de Nederlandse ploeg, hielden officials hem voor.
Na de Spelen was de motivatie weg. Nooit meer zal Zwezerijnen de ring betreden. Twintig jaar later kijkt  hij met gemengde gevoelens terug op wat zijn ultieme sportmoment had moeten worden. Het is gebeurd, vertelt hij tegen Stuyfssportverhalen. Het leven gaat verder, om er maar een cliché tegenaan te gooien. Ook voor de onfortuinlijke sporter, die samen met zijn twee broers boksschool De Voltreffer in Nieuwengein runnen.  Inmiddels staan er weer drie nakomelingetjes  te trappelen om de ring in te mogen. Aan  Peter Zwezerijen zal het niet liggen dat zijn zoons de Olympus gaan beklimmen.
Van de  naam Zwezerijnen zijn ze nog niet af. 

Tijdens uur U was zijn lijf gesloopt

Het knaagt, steekt. Met de jaren beseft hij wat een kans er is gemist. En toch, toch kan hij zich zelf niets verwijten. Aan zijn voorbereiding had het niet gelegen. Alles, maar dan ook alles had hij er voor gedaan. Alle voorgaande  internationale toernooien, waaronder het prestigieuze Golden Gloves van Californië, werden gewonnen. Een medaille bij de Olympische Spelen van Los Angeles, 1984, lag al klaar. Het Amerikaanse sportblad Sport Illustrated  tipte hem als dé favoriet. Door een boycot van de Olympiade deed  nummer één van de wereld, een Cubaan, niet mee. Voor Pedro van Raamsdonk, in 1984 tweede op de wereldranglijsten, kon er niets meer mis gaan. Of toch wel.
De Amsterdammer ging in  Californië de top van de Olympus beklimmen, maar bleef halverwege steken.  Tijdens het uur U was zijn lichaam gesloopt. Helemaal op. Overtraind. Zelf wijt hij dat aan een gebrek aan medische begeleiding. Pedro van Raamsdonk, middengewicht, schoon aan de haak 78 kilo. Voor zijn gewichtsklasse  drie kilo te zwaar.
In het bloedhete Los Angeles moest hij iedere dag die kilo’s aftrainen. Uren touwtje springen in een plastic jas. Dagen zonder water drinken. Met een uitgeput lijf wist Van Raamsdonk de eerste twee partijen nog te winnen. In de derde verging alle hoop. Pedro van Raamsdonk, gedoodverfd medaillewinnaar verloor: van een tegenstander die hij normaal niet ‘zag staan’.  Nog één keer werd de accu opgeladen. Een vijfde plaats was het hoogste op de Olympiade van 1984.  Geen medaille, maar een diploma. Dat laatste moet ergens in een brandweerkazerne, onder het stof, liggen.  Om zich nóg eens vier jaar op te laden, weer alles opzij te zetten, kon hij niet meer opbrengen. Een proflicentie werd aangevraagd.
Pedro van Raamsdonk stond tijdens zijn bokscarrière meer dan driehonderd keer in de ring. Werd Europees kampioen en tien keer kampioen van zijn land. Slechts dertig keer werd verloren. Negenentwintig jaar jong, werden de bokshandschoenen definitief opgeborgen. Werd taxichauffeur. Doodongelukkig zat hij aan het stuur. Een advertentie voor brandwacht in de krant veranderde zijn leven. Inmiddels werkt de voormalige Olympiër als hoofd brandwacht bij de Amsterdamse brandweer. Pedro van Raamsdonk, 51 jaar, maakt ondanks zijn Olympische echec een gelukkige indruk. Bij de brandweer is hij helemaal op zijn plaats. Met een aandoenlijke trots  laat hij Stuyfssportverhalen de brandweerkazerne zien: ‘de grootste van Europa’. En boksen? Als trainer, in  zijn vrije tijd, geeft hij nog les. Met iedere dag een lange duurloop houdt hij zijn lijf fit. Pedro van Raamsdonk, gewoon een aardige man. 

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 70 other followers