Gespierde kopspijker in de kreukels

maasvanbeekbedBarneveld, bruisend hart van de bible belt. Dorp waar op de zevende dag des Here, de kerken drie keer massaal bezocht worden. Waar vanaf de kansel mijnheer de dominee met  duistere, angstaanjagende hellepreken de gemeente geselt. En waar de rest van de week in het zweet des aanschijns, om maar even in Bijbelse sferen te blijven, keihard wordt gewerkt. En nét op het moment dat je die Barnevelders het etiketje ‘saai’ op hun zwarte kousen wilt plakken, zijn daar ook Jan en Maas, die de uitzondering op de regel maar even bevestigen. Want Jan van Schaffelaar, om van zijn belagers af te zijn, sprong in 1482 van de Barneveldse kerktoren. De uit elkaar gespatte Jan werd daarmee trendsetter, én lichtend voorbeeld, voor een stoet  kamikazepiloten, Jihadstrijders, bomgordelterroristen en andere halfgare zelfmoordrakkers. 
En Maas van Beek dan? Nou, die deed ook het onmogelijke. Op een leeftijd waarop hij op de poorten van het lokale bejaardentehuis geacht werd te kloppen om zich alvast in te laten schrijven, pakte hij het werelduurrecord achter de derny: waar alleen gereputeerde profs het patent op hadden.maasslecht
En dat was meteen het begin van een fascinerend proces. De nationale sportpers legde  direct een cordon sanitaire om Van Beek heen. Maas van Beek, die gespierde, uitgebleekte kopspijker met de longinhoud van een Zeeuws trekpaard, werd niet serieus genomen. Van Beek tegen de zestig jaar, verbrak prompt nog maar een keer zijn eigen record. Het vaderlandse journaille had die Van Beek namelijk behoorlijk beledigd.
Maar dan is het begin maart 2013:  het  kampioenschap van Amsterdam. Wat voor de recordhouder een aardig trainingsritje moest worden, eindigde in een nachtmerrie. Van Beek met vijftig in het uur ten val gekomen, werd met gillende sirenes naar het Slotervaartziekenhuis gebracht. Waar voor zijn leven werd gevreesd. Maas Van Beek, held én voorbeeld van geriatrisch Nederland, verworden tot een zielig hoopje mens met een gescheurde dunne darm, gekwetste lever en andere enge aandoeningen, tussen het witte linnen. Met als extra dimensie dat het  hoofdstedelijke Slotervaart een soort medisch Fort van Sjako bleek te zijn. Dwars door de  morfine en tranquilizers heen zag Van Beek haarscherp de misstanden in het ziekenhuis. Stofnesten op de vloer, bloedspatten op infuushouders,  poep op plekken waar dat niet behoorde. En als uitsmijter ook nog een vijfhonderd piek uit zijn portemonnee gejat. Met de boodschap van twaalf  weken niet fietsen mocht Van Beek na een paar weken eindelijk naar zijn gezin.
maas3Drie maanden niet fietsen? Voor de Barnevelder, een gedrevene, tegen het randje van bezetenheid aan, een kennisgeving. Nog maar amper thuis, kroop hij met zijn uitgemergelde lijf op de hometrainer. Foto’s daarvan roepen meteen dejavu’s op van veldlazaretten aan een oorlogsfront. Je hoeft geen medicus te zijn om te zien dat dat  niet zó verstandig was. Van Beeks lichaam mag dan gebutst, en geknakt zijn, de  geest is nog optimaal. Over vijf maanden vertrekt hij naar Bolivia, waar de hooggelegen wielerbaan al gereserveerd is. Maas van Beek gaat dan voor de dood of de gladiolen want voor de derde keer zijn eigen record aanvallen. Ongetwijfeld staat Jan van Schaffelaar, in betere oorden, goedkeurend en enthousiast te knikken.

Foto’s: Maas van Beek, Rob Duin.

Het bloed blijft voorlopig nog stromen

deslegte 003De Boekenweek raast in volle snelheid door de media.  Stuyfssportverhalen gaat even mee in de waan van de dag. Wanneer zijn verhalen en columns in boekvorm verschijnt, een vraag die regelmatig wordt gesteld. Drie jaar geleden werd in eigen beheer de biografie van Piet Dickentman, oplage zeshonderd, uitgegeven. Binnen anderhalf jaar was vrijwel alles verkocht en nog steeds druppelt de verkoop van de allerláátste exemplaren door. Een mazzeltje achteraf. Bevestigd door een bevriende uitgever die  opmerkte dat het commercieel een goed resultaat was. De  oplage van een gemiddeld Nederlands sportboek schijnt, uitschieters daar gelaten,  niet zó hoog te zijn, ondanks het dikwijls prachtige aanbod. De boekenmarkt, maar vooral die van de sport, is volgens kenners helemaal verzadigd. Wat pijnlijk bevestigd wordt bij De Slegte, in de Amsterdamse Kalverstraat. In dé boekenramshzaak van Nederland liggen de schappen vol met rijen titels van topauteurs als een Erik Brouwer, Arthur van den Boogaard, Peter Winnen en edities van De Muur. Boeken, prachtig vorm gegeven, een must voor iedere wielerliefhebber, vol met schitterende  verhalen, en nog niet eens zólang geleden met lovende recensies ontvangen. Ontmoedigend voor aankomende sportschrijvers. Stuyfssportverhalen, inmiddels zijn eigen digitale platformpje  gaat dan ook maar niet op ‘papier’. De liefhebbers van het morbide sportverhaal  zijn nog steeds hier van harte welkom, op de site waar  het bloed voorlopig nog even blijft stromen.

Bezoek ook regelmatig http://stuyfssportverhalen.wordpress.com/category/verongelukte-wielrenners/ het digitale begraafplaatsje, dat regelmatig ‘aangeharkt’ wordt. 

Geplaatst in 1, Columns. Tags: . 1 reactie »

RIH, als je eerste minnares

RIH SPORT 01 (1)Iedereen die zich wielrenner durfde te noemen liet daar ooit een frame aanmeten. RIH-Sport, het begrip fietsenwinkel ver voorbij, en dat bijna een eeuw lang. Dat is definitief verleden tijd. RIH bestaat niet meer, ingehaald door de tijd en fietsenfabrieken uit Taiwan. Alléén daarom koestert de liefhebber zijn stalen RIH.  De laatste is hard op weg een collectorsitem te worden.  Waar ooit meer dan zestig wereldkampioenen een fiets bestelden  is nu niets meer. De zaak op de Amsterdamse Westerstraat is leeg, stoffig en verlaten. Een holle ruimte met plasticvellen voor het etalageruit. Alleen het nummerbordje, ooit opgehangen door eigenaar Willem Bustraan, herinnert nog aan diens beroemde en  illustere fietsatelier.
Bustraan, grootmeester van de stalen Reynoldsbuis, telg uit een oud geslacht van wielrenners en framebouwers. Niemand maakte zulke degelijke ‘kaders’ als hij. Alsof je bij een haute-coutureatelier kwam. Die vergelijking. Ome Willem, correct, wat afstandelijk, en altijd in stofjas gehuld, in het heilige der heilige want de framebouwerij. Waar zo’n beetje de doodstraf op stond als daar de deur te lang open stond. Pas gesoldeerde frames, onderhevig aan tocht, dan gebeurde er metallurgisch vreselijke dingen.  ‘Tocht’ was volgens Bustraan de moordenaar voor een pas gelast frame.65jaar 011
Profs en krabbers, iedereen werd gelijk behandeld. Jonge rennertjes werden  bij RIH-Sport bevangen door een magisch sfeertje. Zoveel moois en bijna onbereikbaar. Stuyfssportverhalen als jochie van zestien, een jaar gespaard voor zijn eerste RIH. Na eerst de lichaamsmaten in een beduimeld boekje genoteerd te hebben, mocht je van Bustraan een half jaar later maar weer eens terugkomen. Het begrip ‘wachtlijst’ was niet onbekend in de Westerstraat. Wát een onvergetelijk ogenblik om je racekarretje op te halen. Dat moment vergeet je nooit meer, te vergelijken met het meisje waar je voor het eerst de liefde mee bedreef.
Na Bustraans onverwachte overlijden, eind jaren tachtig, werd de zaak voortgezet door zijn meesterknecht Van der Kaaij. De laatste gemangeld door een ingewikkelde juridische constructie kon na dertig jaar de zaak niet meer voortzetten. Einde van een Nederlandse wielerlegende. Wat rest zijn nog de herinneringen aan een oeroud Amsterdams racefietshuis waar veel, heel veel wielergeschiedenis werd geschreven.

Foto 1: Willem Bustraan, rechts, met Wim van der Kaaij, foto 2: Rih:holle ruimte met plasticvellen voor het etalageruit’.

Lee ook: http://stuyfssportverhalen.wordpress.com/2011/03/01/rih-sport-negentig-jaar-oud/

Moordmachines op staalharde kicksen

OLYMPUS DIGITAL CAMERAPervitin! De Führer aller Duitsers werd er dagelijks mee volgepompt. Maar ook zijn troepen lusten er pap van. Razend populair aan het Oostfront, want in moordend tempo marcherend van Berlijn naar de poorten van Moskou: en terug. Pervitin, een methylamfetaminepreparaat, vlijmscherpe stimulantia. Had wél wat nadelen: werd de gebruiker niet knettergek dan spoot  de agressie wel uit z’n oren. Na de capitulatie kwamen de oorlogsvoorraden op de vrije markt. En daar wisten ze in de sport wel raad mee. En nee, niet alleen wielrenners.  Ook in het voetbal waren er liefhebbers, om precies te zijn, de trainers.
Je moest er toch niet aan denken, om zo’n gedrogeerde stopperspil, tjokvol Pervitin, de bal door de benen te spelen. Doodeng.  Zo’n kerel was zich zelf niet. Een moordmachine op van die staalharde ouwerwetse kicksen. Een doodschop lag op de loer. In de kleedkamer vlak voor de wedstrijd hadden  onvergetelijke wedstrijdbesprekingen plaats gevonden. Waar met een, ‘jongens, even de mouwen omhoog dan krijgen jullie van trainer een prikje’, de letterlijke, peptalk  afgesloten werd. perfetinknipsel
De mannen hadden er dan duidelijk zin in. Schuimbekkend, met knetterende haarwortels en ogen op steeltjes werd met de warming-up begonnen. Op de voetbalvelden anno 1952 moeten vreselijke dingen zijn gebeurd. Zo erg dat de KNVB zich ernstige zorgen maakte.
Volgens de geijkte mores werd er een ‘medische commissie’ in het leven geroepen. Met dokter Jan Thomee als voorzitter. Thomee, zo’n  ouwerwetse medische rukker die geen tegenspraak duldde, was voor de Eerste Wereldoorlog zelf voetbalinternational. En nu maakte Jan, met de bijnaam Het Kanon,  zich ernstige zorgen. Niet zo zeer om de Pervitin. Dat vond hij, stiekem, wel fijn spul. In het blad Sportief liet hij weten dat tijdens de oorlog de illegaliteit daar dankbaar gebruikt van maakte. Volgens Jan, die voor de knokploegen de recepten uitschreef, was er niets aan het handje. Want bij de  jongens en meiden van de ondergrondse ging het volgens hem om ‘geestelijke arbeid’.
perfetinehondMaar om nou lekker gedrogeerd achter een bal aan te rennen dat ging bij Jan een straatje te ver. Het moest wel eerlijk sport blijven.
In Sportief geeft Jan Thomee, voor zijn lezertjes even een college, en somt de nadelen van het pepmiddel op. Volgens  hem waren voor het amfetaminepreparaat heel goede  alternatieven.
Dokter Kanon, de man die de knokploegen ‘op scherp’ zette, komt met heftige  middelen op de proppen zoals een kopje koffie, of ‘n tabletje vitamine C, suikerklontjes, schijfjes citroen dan wel sinaasappel. ‘Verraad’, roept Jan voor wie de oorlog in 1952 nog duidelijk niet afgelopen is, op de vraag hoe de bond van het dopegebruik wist.  Thomee wist wel waar de kneep zat. Spelers die bonje kregen met de trainer waren de klokkenluiders. Hoewel meer dan zestig jaar geleden doet dat laatste ergens aan denken…

Bron: Sportief jaargang 1952.

Foto 3: dokter Jan Thomee.

Met de jongens lekker raggen

Kerels waren het! Met harde, gemene blikken. Waren in staat een duivel uit zijn oor te laten pissen. Mannen met achter de gulp een paar ballen hard als kogellagers. En een ‘snikkel’ die overuren maakte. Bedreven de liefde niet alleen met hun vrouw maar ook nog eens met vier minnaressen. Tot het stoom uit het matras kwam. Dronken zich ’s avonds in de kroeg een slag in het rond. Stonden  voor dag en douw weer naast het bed. Getraind moest er worden. Samen met de jongens lekker raggen op de tandem. Urenlang rammend en jakkerend over wegen en door dorpen. Valpartijen? Maakte ze geen reet uit. Littekens op armen en benen alsof er ooit, met weinig succes, een handgranaat was gedemonteerd.  Wie kon ze eigenlijk kloppen? Een voortdenderende stoomlocomotief? Een eitje! Wie dat laatste van hen in de  kroeg geroepen had wisten ze niet meer. Maakte ook niets uit.  Ze waanden zich toch onklopbaar. En dat gingen ze ook even bewijzen.
Hoeveel kolen de stoker op het vuur gooide en hoe ver de machinist de stoomhendel  opendraaide…  Onbegonnen werk. Tegen kerels, geprepareerd op een mix van cocaïne, laudanum en strychnine, valt niet op te stomen. Stuiterend over  sintels, en bielsen, ijlde het sextet langzaam de horizon in.
1902, Fijne tijd!

 

Geplaatst in 1, Columns. Reageer »

Lakmoesproef in Sportquiz der Nederlanden

Het theatertje bevindt zich in het oog van de orkaan want vlak om de hoek raast de krankzinnigheid van Amsterdams rosse buurt. Hoerenlopers, blowers, junken, dronken Engelsen en hordes toeristen hebben in de Pieterspoortsteeg niets te zoeken. Geen sex- noch peepshow in het Parooltheaterje waar die avond de maandelijkse bijeenkomst is van de ware sportfreak. Gelijkgestemde mannen en een enkele vrouw, liefhebbers van de uitslagenlijsten, en opstellingen uit lang vervlogen tijden worden door Frenk der Nederlanden, sportjournalist bij Het Parool, middels een quiz getest op hun vermeende sportkennis. Frenk, op podium voor scherm, legt de spelregels uit en sluit af dat er over de uitslag niet ‘gecorrespondeerd kan worden’. Streng maar rechtvaardig zullen we maar zeggen. Maar toch zit de amicale stemming er goed in, waar het huisbier, Prael met 8 procent, hoogstwaarschijnlijk een kleine bijdrage aan leverde. De quiz begint al goed met de eerste vraag. Hoe bij schaken de openingszet e4, c5 genoemd wordt. En of we ook de namen wisten wie al die voormalige Ajaxspelers wiens naam met een D begon, en wie de laatste Engels mannelijke winnaar bij Wimbledon was. En wat was ook alweer de naam van dat grote stadion in Montevideo?  Stuyfssportverhalen moest ter plekke lossen om maar het juiste jargon te gebruiken.  De avond wordt afgesloten met de uitslag en prijsuitreiking. Voor Stuyfssportverhalen dagelijks uren doorbrengend in de ‘oude sportboeken’ was dat een hard gelag want net onder de middenmoot geëindigd. Evengoed is de Sportquiz der Nederlanden een heel leuke avond en voor de sportliefhebber een aanrader. En hoe de opening e4, c5 genoemd wordt? De Siciliaanse natuurlijk!

De Sportquiz der Nederlanden,  Het Parooltheater, Sint Pieterpoortsteeg 33. Info: http://www.parooltheater.nl

Gaat Maas van Beek het wereldsnelheidsrecord aanvallen?

 

v.l.n.r. Maas van Beek, Rini Wagtmans, Wilco van den Hoorn en Klaas Balk

 

Hij oogt strak en afgetraind. Die morgen had hij nog tien kilometer gerend waarbij hij zelf zijn ademhalingsritme bepaalde: om aan te geven dat het met de conditie goed zat. Maas van Beek, inwoner van Barneveld, heeft er weer zin in. Nadat hij in mei  het werelduurrecord achter de derny realiseerde, voelde de Barnevelder zich, de weken erna, gesloopt, leeg, ziek, zwak en misselijk. En dat had niet gelegen aan de race, noch aan zijn voorbereiding maar aan een buikgriep waarmee hij  zijn recordjacht begonnen was. Maandenlang kon Van Beek geen koers uitrijden, maar inmiddels  is ’s werelds snelste man achter de derny weer helemaal hersteld en heeft hij zijn doelen voor volgend jaar bepaald. In 2011 gaat Maas van Beek, 55 jaar, op de wielerbaan van Moskou, zijn eigen record scherper stellen, maar ook het werelduurrecord achter de grote motor aanvallen. Drie maanden van gerichte training denkt Maas van Beek daarvoor nodig te hebben. De recordtic van Van Beek is niet uniek, ook Fred Rompelberg is daarmee behept. De naam is gevallen: Rompelberg! De Limburgse renner, die zijn  maatschappelijke én sociale status ontleent aan zijn wereldrecords op de fiets, en daar niet ál te bescheiden mee omgaat. En wat dat laatste betreft, daar zit voor Maas van Beek nou juist de kneep.
‘Al jaren beweert  Fred dat hij, op de baan van Moskou,  met ruim 86 kilometer, het wereldrecord achter de motor pakte. En dat is niet waar. Fred haalde dat record in 1986 maar wat hij vergeet te meldde is dat een  Russische amateur, twee jaar later,  met vijf kilometer over heen is gegaan.’
Van Beek onderbouwt zijn beschuldiging met foto’s gemaakt in de catacombe van de wielerbaan waar zich de Wall of Fame bevindt.  Van iedere renner die op de Moskouse baan een wereldrecord vestigt worden naam, jaartal én record vermeld.
Wereldrecords achter de derny en motor zijn prachtig, schitterend maar halen het, publicitair gezien, niet bij het wereldsnelheidsrecord. En dat laatste is in handen van Fred Rompelberg die in 1995, op de zoutvlakte van Utah, het record  naar ruim 268 kilometer bracht. Als het aan Maas van Beek ligt niet voor lang. Atletisch gezien moet het voor Van Beek mogelijk zijn dat record te pakken, maar de organisatie er om heen is voor de recordman één duistere vlek. Om het laatste in goede banen te leiden vond afgelopen week met Rini Wagtmans een oriënterend gesprek plaats. ‘Rini is een pur sang wielerman’, onthult Van Beek. ‘Hij heeft de nodige internationale contacten, maar ik ga niet voor de muziek uit lopen. Het is nog allemaal heel prematuur.’
Fred van Rompelberg is ieder geval gewaarschuwd.

Kijk ook op: www.maasvanbeek.com

Bertus Raats overleden

Rugnummers afhalen en omkleden was in café Laponder, Ilpendam, en gekoerst werd in de polders rondom het dorp. Het was voorjaar 1965 als ik mijn vuurdoop als wielrenner kreeg. Bloednerveus, niet precies wetende hoe alles in elkaar stak, werd ik opgevangen door een oudere renner: wat mijn allereerste kennismaking met Bertus Raats was. Sindsdien zijn we elkaar niet uit het oog verloren.
We zaten niet alleen, meer dan veertig jaar, in dezelfde club, woonden decennialang op een steenworp van elkaar en hadden dezelfde  passies als wielrennen en schrijven maar waren ook gefascineerd door het fenomeen fietsen achter motoren. Als, inmiddels gepensioneerde gangmaker,  kon Bertus daar smeuïg over vertellen. Dat waren verhalen over intriges, hoe het spel gespeeld moest worden, domme gangmakers, complotten en verkochte koersen.
Voor mijn nieuwe, nog uit te geven boek met wielerverhalen, had ik daar twee maanden geleden dankbaar gebruik van gemaakt, door Bertus te interviewen over zijn belevenissen als gangmaker tijdens Bordeaux-Parijs. Het werd een prachtig verhaal van bijna tweeduizend woorden waarvan een klein uittreksel op dit blog staat.
Er waren ook hoog oplopende conflicten tussen ons. Als ik, als toenmalig redacteur van het clubblad van Ulysses weer eens meende om een ‘fout’ iemand aan de schandpaal te moeten nagelen,werd dat door Bertus niet in dank afgenomen. Na tijden elkaar niet te willen zien werd het weer bijgelegd.
In de fietsenzaak van Ger Hermans, hier in de Watergraafsmeer, zagen we elkaar wekelijks, dronken een bak koffie en kletsen wat bij.
Raats, freelance sportjournalist bij de Telegraaf, haalde ook de geschiedenis van het Amsterdamse wielrennen boven water en beschreef dat in een serie boeken dat bij iedere liefhebber in de boekenkast behoort te staan.
Vorige week mailde Bertus nog dat hij, voor een door mij te schrijven verhaal, nog wat informatie had die hij deze week zou opsturen. Dat kan helaas niet meer. Afgelopen weekend stierf Bertus Raats in het harnas, om maar een vreselijk cliché te gebruiken. Tijdens zijn andere passie, het organiseren van rally’s voor oldtimers, kwam zijn auto in botsing met een bestelbus. Bertus Raats werd 72 jaar.

Foto: Hilco Koke

Hoe Jules de geest kreeg in het Vondelpark

De start in het Vondelpark

Parijs had zijn Criterium der Azen, een prestieus stratenrondje waaraan alleen uitgenodigde profrenners aan deel namen. In 1923 werd deze gewonnen door de Flandrien Jules Vanhevel. Dat zelfde jaar kreeg Amsterdam zijn eigen Azencriterium, dat gehouden werd in het Vondelpark. Vijfendertig toenmalige toprenners waaronder klassiekerswinnaars waren naar Mokum gekomen.
Om ‘vedetten’te zien koersen, daarvoor moest in de buidel gegraaid worden, want de toegangsprijs was 1.20 gulden: toentertijd een kapitaal. Omdat het Vondelpark langszaam in het moeras dreigde weg te zakken, iets dat de laatste tien jaar ook bijna gebeurde, en er een herstelprogramma voor op stapel stond, was de netto opbrengst voor de restauratie van het park.
Hoogstwaarschijnlijk kon dat laatste het massaal opgekomen volk geen ene moer schelen. Die kwamen voor de Vlaamse ‘kleppers’, zoals Vanhevel, winnaar van de ronde van Vlaanderen 1920. En laat die Jules in het park nou ook nog eens de geest krijgen…

Om op eigen bodem 'Ollanders' een pak ros te geven is voor Vlamingen altijd lekker. Na afloop van de koers, met links Omer Huysse, Lucien Buysse en Amaat Dossche.

Na tachtig kilometer had Jules twee kilometer voorsprong en toen, toen was er geen koffie maar brak zijn ketting. Het was uiteindelijk Omer Huysse, afkomstig uit Kortrijk, die won. Zijn Vlaamse streekgenoten Lucien Buysse en Amaat Dossche werden twee en drie. Lokale favoriet Piet Ikelaar werd vierde. Heel raar, maar koersen op de stoffige grindpaden die het park rijk was, daar wordt een renner hard van en  het schijnt ook nog eens gezond te zijn…
Drie jaar later, in  een verschrikkelijke sneeuwstorm, tijdens de beklimming van de col d’Aspin, danste Lucien van al zijn tegenstanders weg en won daardoor de Tour d’France van 1926 met één uur voorsprong.

Onder de kreet ‘opdat we nooit mogen vergeten’ staat er sinds afgelopen juni, aan de voet van de col de Aubisque, Luciens borstbeeld: geschonken door inwoners van Wondergem, Buysse’s  geboorteplaats. Overigens: Jules werd 74 jaar, Buysse 88 jaar, Huysse 87 jaar.  Piet Ikelaar nam revanche door 96 jaar te worden…
Het park was dé uitgelezen plek voor de sport. In 1932 werd de jaarlijkse Vondelparkloop gehouden waarbij gestreden werd om de Ovolmatine-Beker. Tientallen politieagenten moesten de massaal toegestroomde menigte in bedwang houden. Het publiek, tien rijen dik, zag Jan Zegers, een atleet van A.A.C., winnend over de streep gaan.
Na de oorlog werd jaarlijks de wielerronde van het park gehouden, een koers die zo’n vijftien jaar geleden zielloos ten onder ging.

Rijen dik waren getuigen van de overwinning van Jan Zegers

Het park is nu het domein voor le tout Amsterdam, wat het er niet leuker op maakt. Gesport wordt er nog volop. Soapsterretjes, artiesten, zogenaamde BN-ers  en andere ‘natte nelen’ stumperen op kekke  loopschoentjes over de paden. En vorige week zag Stuyfssportverhalen ‘met eigen ogen’ zanger Dries Roelvink, in een té strakke billentikkerbroek, door het park stakkeren.
Je zou toch bijna wensen dat het moeras terugkwam…
Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen


Geplaatst in 1, Columns. Tags: . Reageer »

Bloemen en erkenning voor Van Bruggen

Ze zijn  er niet veel, wielerverenigingen met een wereldkampioen op de ledenlijst.  Wielervereniging Amsterdam dus wél. Sinds vorige week mag Herman van Bruggen, lid van WVA, zich de snelste master ter wereld noemen (zie verhaal hieronder).
Voor aanvang van de wekelijkse koers, georganiseerd door WVA en gehouden op parkoers Sloten, kreeg de verse wereldkampioen bloemen en het daarbij behorende toespraakje. En er was maar één man die dat laatste kon en mocht doen: Tim Krabbé.
Voor het front van bijna honderdvijftig renners waaronder profs als een Kenny van Hummel had schrijver  Krabbé iets ‘recht te zetten.’  Krabbé heeft een haatliefde relatie met Van Bruggen maar dan op sportief vlak. Als jochie was de schrijver getuige dat Van Bruggen in het Olympisch Stadion, bij de nationale kampioenschappen achtervolging, achter Geldermans het zilver pakken. Niet wetende dat ze twintig jaar later als koersmakkers met elkaar zouden optrekken.

Voor de aanwezige jeugdige renners merkte de schrijver fijntjes op, dat die de wereldtitel van een vierenzeventigjarige vooral niet moeten onderschatten. ‘Probeer het maar eens om op een geaccidenteerd terrein met een stilstaande bocht een afstand van dertig kilometer met een gemiddelde van veertig kilometer te rijden.’
Krabbé had altijd bewondering voor Van Bruggen maar ‘haatte’ hem soms ook. ‘Haat’ die alles te maken had met de ploegentijdrit.
In de zeventiger jaren maakte Krabbé, samen met onder andere Fred van Lachterop, deel uit van de fameuze tijdritploeg van GGMC, waar Van Bruggen de machinist van was.  Met een tempobeul als Van Bruggen, die tijdrijden tot een soort levendoel had en heeft gemaakt, moet dat geen pretje zijn geweest.
In het boek ’42 Wielerverhalen
’ van Krabbé, verplichte kost voor iedere sportliefhebber, speelde Herman een hoofdrol: zei het dat Krabbé hem opvoerde met het synoniem, ‘Kunst’. En dat laatste heeft Van Bruggen pijn gedaan want graag had hij die erkenning gehad. Erkenning die hij, op een zaterdagmiddag op Sloten uiteindelijk kreeg. Met, ‘Herman  was Kunst’ sloot Tim Krabbé af.

Geplaatst in 1, Columns. Reageer »
Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 68 other followers