Geestelijk gekerfd wordt een Chianti besteld

De computer afgesloten, nog één keer een blik op de boekenkasten en de werkkamer gaat op slot. Stuyfssportverhalen reist af naar Italië waar hij op zoek gaat naar sporen van zijn jeugdhelden. Maar eerst worden de mountainbike paden in de Dolomieten gecontroleerd. Het werd een confronterende ervaring.

Beetje ingesukkeld, oubollig maar met wondermooie natuur. Val di Ledro en Val di Consei, azuurblauw bergmeer, uitgestorven dorpjes als Locca, Bezzecca, Enquiso en Pieve. Geliefd vakantieoord van gepensioneerd Milaan. Hoog weggestopt in de bergen, op de grens van de provincies Trentino en Lombardije. Groen, ongerept en vooral dunbevolkt. Bezaaid met vervallen bunkers, loopgraven en forten, overblijfselen van de Eerste Wereldoorlog. Ooit het trainingsgebied  van Francesco Moser, twee valleien verder wonend en nog steeds immens populair.
Val di Consei barstensvol ongeplaveide paden. Van die weggetjes door god en alleman vergeten die steil omhoog gaan richting hemel. Bedoeld voor lokale herders, die er niet meer zijn. Davide Mora, de laatste herder ligt op het kerkhof van Bezzecca al een decennium bij te komen van die vreselijke geiten. En over zijn wandelroutes hoeft hij zich ook al geen zorgen te maken. Daar heeft mountainbikend Europa zich over ontfermd.  Tot genoegen van de lokale middenstand.
Stuyfssportverhalen kiest voor de route naar het tweeduizend meter hoog gelegen Baita Vesi. Het begin is al onheilspellend. Een bord waarschuwt voor vallende stenen waar niets van aangetrokken wordt. Over een donker en verlaten bospad met stijgingspercentages van gemiddeld tien procent, langs en over keien, rotsen, los steenslag wordt er omhoog gestakkerd.
Voor Stuyfssportverhalen, duursporter vanaf 1963 en sinds de vut nog iedere dag in training moet dat een makkie zijn. En dat werd een misrekening. Op het pad richting Baita Vesi werd er geleden, afgezien. Het woord ‘zwaar’ is een gotspe. Nooit geweten dat je het hart in je oren kon horen kloppen. Het was één grote confrontatie met zichzelf waarbij  een onthutsende ontdekking werd gedaan: de geest wil wel maar het lijf niet meer. Die weigert. Nooit meer kunnen sporten zoals jij het wilt is mentaal een klap. Een heel pijnlijke confronterende ontdekking. Omhoog stumperen is één. Maar afdalen op een ongeplaveid geitenpad rakelings langs bomen en griezelige afgronden, is gekkenwerk, doodeng. En dat heeft natuurlijk met de leeftijd te maken. Aangezien over een paar maanden de eerste AOW wordt gestort en hij dat mee wil maken worden de remmen  roodgloeiend aangetrokken. Met een zwaar bonkend hart maar heelhuids wordt het dorpsplein van Bezzecca gehaald. Waar hij op een terras van locals te horen krijgt dat Davide Mora, de laatste geitenhoeder van Val di Consei, tot zijn achtentachtigste jaar dagelijks het pad beklom. Geestelijk gekerfd wordt een Chianti besteld.

In Alkmaar begon de victorie

Milaan 1951, de Vigorelliwielerbaan. Finale wereldkampioenschap stayeren met onder meer  Jan Pronk en Kees Bakker. Het werd een gedenkwaardige koers, met van die fijne en spannende incidenten. Gangmakers die na afloop hun collega’s met de dood bedreigden, supporters die er tussen moesten springen. Een renner als zesde geëindigd die de  huldigingsronde meereed. En een outsider als winnaar. Kortom een leuke finale, met alle ingrediënten die stayeren zo fascinerend maakten.  Jan Pronk ging de geschiedenis in als de terechte wereldkampioen 1951, maar wél met dank aan Kees Bakker. Pronk was  pas de tweede landgenoot die dat kunstje flikte. Bijna vijftig jaar eerder had Piet Dickentman de primeur.
Jan Pronk, ruim de dertig gepasseerd, had meerdere keren aan wereldkampioenschappen meegedaan. En stond na afloop altijd met lege handen. Op de Vigorellibaan stond voor hem nog een kleine rekening open.  Pronk was daar in 1939 ook in actie. Deed mee als sprinter aan het wereldkampioenschap en kwam de series niet door.  In de oorlog scharrelde Jan zijn kostje als prof bij elkaar. Werd nog een keer nationaal sprintkampioen en besloot na  de bevrijding achter de motor te rijden.  Pronk een degelijke en goed stayer, graag gezien op de Europese banen, werd gegangmaakt door Frits Wiersma. De Noord-Hollandse rolrijder was  zuinig op zijn lijf. Trainde niet meer dan zeventig kilometer per dag, maar wel het hele jaar door. 
En dan is het de finale om de mondiale stayerstitel. Pronk neemt direct de leiding.  Landgenoot Kees Bakker, achter Bertus de Graaf en op meerdere ronden achterstand, dekte zijn landgenoot af en ving alle aanvallen op. In de kleedkamer, onder toeziend oog van het journaille, bedankte Pronk zijn landgenoot uitvoerig. Aardig detail was dat Bakker, ondanks zijn zesde plek, ook de huldingsronde van Pronk, meereed. Wat niet echt handig was: ‘in de slag zitten’, hoort bij de koers, maar laat het niet overduidelijk blijken.
Wat er precies speelde is niet duidelijk, wél dat er  tussen de gangmakers een sluimerend conflict was.  Hoogstwaarschijnlijk hadden Frits Wiersma en Bertus de Graaf zich niet aan afspraken gehouden.
Want na  het verlaten van de baan werden ze opgewacht door de Duitse gangmakers. Een beginnende kloppartij werd door Nederlands supporters voorkomen. Renners, gangmakers en supporters, zo’n honderd man, gingen Jans titel vieren.
In een restaurant werden door chef d’équipe, John Stol, achtennegentig glazen Chianti besteld en twee glazen melk, waarmee geklonken werd op Pronks titel. Dat het laatste voor Pronk en Bakker was laat zich raden

Bij terugkeer in Alkmaar kreeg de verse wereldkampioen van het gemeentebestuur een grote tabakspot met de passende belettering dat ‘in Alkmaar de victorie’ begon. Pronk, inmiddels vierennegentig jaar en nog scherp van geest, bewaart zijn sporttrofeeën ergens in huis. Maar de tabakspot staat nog steeds pontificaal in zijn huiskamer. Als herinnering aan zijn allergrootste overwinning, van een groot sportman.

Bron: Sportief jaargang 1948, dagblad De Waarheid en Het Limburgs Dagblad, jaargangen 1951.

Acht kruisjes jong en nog topfit

Sensatie! Hij klopte de huidige wereldkampioen én grote kanshebber voor de nieuwe wereldtitel. Wie dat was, ‘kopte’ de Franse kranten. Nooit had iemand van hem gehoord. Opeens stond hij er. Deze maand is het precies zestig jaar geleden dat Piet van Heusden wereldkampioen achtervolging werd. Stuyfssportverhalen zocht hem op en kwam terecht in een klein museumpje.

Parijs 1952. Wereldkampioenschap achtervolging, amateurs.  Mino de Rossi, titelverdediger,  had in zijn prijzenkast al een plekje voor een verse  regenboogtrui gereserveerd. De Italiaan was dé grote favoriet. Wat hem betrof was de finale een formaliteit. Met een arrogantie waar Italiaanse renners patent op hebben, plaatste hij een dag voor de eindstrijd handtekeningen uit  met de kreet ‘de nieuwe wereldkampioen 1952’. Mino had er wel trek in, barstte van het zelfvertrouwen. Met zijn tegenstander, een brildragend totáál onbekend ventje uit Amsterdam, had hij snode plannen. Een scenario voor een slachtpartij, met De Rossi als slager, lag klaar. Het liep anders. Het werd een opmaat voor een Latijns drama.
Niet hij de huizenhoge favoriet, maar de totaal onbekende Piet van Heusden, met de snelste tijd door de series gefietst,  kreeg het regenboogshirt aangetrokken. De Rossi droop af op het pad der afgang. Wie die Van Heusden  was, kopten de Franse kranten. Nooit van gehoord. In Amsterdam wel. Zijn faam als jachtrijder was al een jaar bekend. Uit het totale  niets was de drieëntwintigjarige Amsterdammer opeens opgedoken. Piet, een voormalig korfballer, die wel eens iets individueels wilde doen, zat pas drie jaar op de koersfiets. Het was dat clubgenoot Jan Mehagnoul, een sparringpartner zocht. Anders was Van Heusden nooit achter zijn jachtcapaciteiten gekomen. Jan Mehagnoul, een Mokumse  achtervolger die een reputatie als hardfietser had op te houden, werd, notabene in zijn Olympisch Stadion, ingehaald door Pietje. Een jaar later werd Van Heusden nationaal kampioen en mocht naar het wereldkampioenschap in Parijs.
Hoewel De Telegraaf orakelde dat er een nieuwe Gerrit Schulte was opgestaan, doofde de ster van Piet van Heusden even snel als hij opkwam. Na vier keer op rij de nationale titel ‘opgehaald’ te hebben, borg de  voormalige wereldkampioen in 1958 zijn fiets op en  begon een maatschappelijke carrière bij de Amsterdamse krant  Het Parool waar hij tot zijn pensionering actief was.
Verpatste veel gestopte renners hun materiaal, niet Van Heusden. Al helemáál niet zijn baankarretje. Iets waar zulke prachtige herinneringen aan zit doe je niet weg. Anno nu, is Piet van Heusden, 83, conservator van zijn eigen museum. In een speciale kamer staan de tastbare memorabilia aan een sensationele, maar korte wielerloopbaan. Bekers, oorkondes, bossen met overwinningslinten, ingelijste krantenknipsels, foto’s én  het rugnummer waarmee hij wereldkampioen werd. In een stofvrije doos verpakt in vloeipapier, zitten zijn kampioenstruien waaronder het regenboogshirt. Een ereplaats heeft natuurlijk Dé Fiets.
Niet één seconde had hij erover gedacht die weg te doen. Een relikwie noemt hij dat zelf.  Hij pakt hem op, en je ziet zijn gedachten terugdwalen naar die ene augustusdag zestig jaar geleden. Een lichtblauwe baanfiets met blokketting, die duidelijk door zijn eigenaar gekoesterd wordt. Speciaal voor hem gemaakt en gekregen van de Amsterdamse fietsbouwer Aandewiel, vertelt hij aan Stuyfssportverhalen. Piet van Heusden, scherpe, afgetrainde bruine benen, topfit, mag dan acht kruisjes achter zijn naam hebben, maar blijft een hardrijder. Om de dag maalt hij zijn kilometers weg. Laat Mino de Rossi, en Jan Mehagnoul, ook allebei in de tachtig, en nog steeds op de fiets, maar komen. 

Foto 1: Parijs 1952, Piet van Heusden op jacht naar zijn sensationele wereldtitel.

Foto’s: Van Heusden tussen zijn dierbare sportrelikwieën waaronder zijn fiets, rugnummer waarmee hij wereldkampioen werd én regenboogtrui.

De medaille ligt ergens in een laatje

Wat een feest was dat in de Amsterdamse Spaarndammerbuurt. Buurtbewoner Leijn Loevesijn, nog maar net negentien jaar jong, schreef wielergeschiedenis. Samen met maatje en clubgenoot Jan Jansen werd op de  Spelen van Mexico, 1968 zilver behaald. Het tandem Loevesijn-Jansen met ‘aandrijfmotor’ Leijn, achter de kont van stuurman Jansen. In een sterk deelnemersveld werd de tweede plaats behaald.  Een prestatie die op zijn waarde ingeschat moet worden. Heel eervol. Meer zat er namelijk niet in. Tegenstanders en winnaars de Fransen  Trentin en Morelon, beroepsamateurs, beheersten al jaren de tandemdiscipline. De Fransen waren een maatje te groot voor het Nederlandse koppel. Maakte ook niks uit. Het zilver was meer dan waarop gehoopt was. Bondscoach Jan Derksen was ieder geval euforisch. 
Het was Derksen die niet alleen het sprinttalent van Loevesijn ontdekte, maar ook aan de basis stond van het succesvolle koppel.  Een jaar voor ‘Mexico’ bestond de combinatie  Loevesijn/Jansen nog niet. Jansen  zat op de tweezitter met Wim Koopmans. De  laatste werd betrapt op dope, wat voor de Rotterdammer letterlijk het begin van een menselijke tragedie werd.  Exit voor  Wim, maar mazzel voor de piepjonge aanstormende Loevesijn. Leijn werd door bondscoach Derksen ijlings gedropt achter de rug van de door de wol geverfde sprinter Jansen.  Een zilveren greep. Het Olympische wielersucces werd in de kranten bejubelt met zeskolomskoppen. In Amsterdam, bakermat van de jongens, want beiden lid van wielerclub Olympia, ging het succes niet ongemerkt voorbij.
Na terugkomst in de Spaarndammerbuurt, thuisbasis van  Loevesijn, werd een grootse ontvangst voorbereid.  Met drumbands voorop volgde een zegetoer door de buurt. Een jaar later kon Derksen op zoek naar een nieuwe aandrijver. Loevesijn, besloot munt te slaan uit zijn sprinttalent.
Als profsprinter kende de Amsterdammer een redelijke carrière want werd in 1971 wereldkampioen. Vijf jaar later borg Loevesijn de koersfiets op. In de burgermaatschappij vond Loevesijn zijn weg als werkvoorbereider bij de dienst ‘Waterbeheer en riolering’ van de gemeente Amsterdam.
Leijn Loevesijn nu drieënzestig jaar oud, weet niet precies waar hij zijn zilveren plak heeft gelaten. Ergens in een laatje, zoals hij dat onverschillig vertelt. En dat is natuurlijk een pose. Want anno nu is de gewezen champ nog steeds héél trots op zijn Olympische succes. En het is meer dan veertig jaar geleden. Maar nog steeds heeft Loevesijn contact met Jan Jansen. Old soldiers never die, helemaal niet als ze gezamenlijk de Olympus beklommen hebben.

Jan Huppen een stylist met trotyl

Als Huppen niet naar de Spelen mag, wie dan wel’?, riep trainer Dick Groothuis in wanhoop uit. Groothuis  begreep er niets meer van. Nog twee maanden te gaan voor de Olympische Spelen van Tokio, 1964 en nog verkeerde zijn pupil Jan Huppen in onzekerheid. Jan Huppen, zijn Jantje, vlieggewicht, vierenvijftig kilo schoon aan de haak en nog geen 1.60 meter lang, was even daarvoor kampioen van Nederland geworden. En dan  niet met een gelukstreffer. Huppen, pas drie jaar in de ring,  twintig gevechten, waarvan zeventien met winst. Een betere conduitestaat was niet te overleggen. Ondanks dát had Huppen zijn uitnodiging voor de Spelen nog steeds niet binnen.
De Amsterdamse vuistvechter, een voormalig voetballer die het met zijn elfen iets te veel vond, meldde zich als jochie van zeventien bij de boksschool van Groothuis,  in de hoofdstedelijke Warmoesstraat. In de  illustere boksgym van Groothuis, op de zolders van een zeventiende eeuws pand, werden de kampioenen gemaakt. Ook Jan Huppen. De vlieggewicht, trotyl in zijn knuisten was ook nog eens een stylist want won vier keer een  stijlprijs. Een zeldzame combinatie. De boksbond en het Olympisch Comité zagen dat allemaal iets anders. Jan Huppen heeft geen internationale ervaring was het argument. Dat  laatste  was niet waar. Ook in Europa had Huppen een spoor van knock outs achter zich gelaten, want klinkende overwinningen in Parijs, Wales en Duitsland.
 Twee maanden later stond Jan Huppen tóch in de Olympische ring van Tokio. En daar werden de hoog gespannen verwachtingen niet ingelost. Jan, tegen de Amerikaan Louis Henry Johnson leed een volkomen onnodige nederlaag. Na afloop in de kleedkamer vroeg Huppen zich radeloos af hoe dát nou kon. Volgens Groothuis was de verdediging van zijn jongen prima,  slipte keurig weg bij aanvallen, maar vergat één ding.  Jan had zich tegen de kop grotere tegenstander ‘in moeten te vechten’ en meer initiatief moeten tonen.
Voor Jan Huppen waren de Spelen voorbij voor hij er erg in had. En toch, toch schreef hij geschiedenis. Maar dan niet in de boksring maar in de Budokan, hét judopaleis van Tokio. Huppen, samen met Jan de Rooij, ook bokser uit de school Groothuis, waren getuigen van de historische overwinning van Anton Geesink. Nadat de Utrechtse reus tot overwinnaar was uitgeroepen stormden twee toeschouwers uitgelaten de mat op. Het duo werd niet alleen met een simpel handgebaar door Geesink terug gestuurd maar ook vereeuwigd op het celluloid. Op de filmbeelden van Geesinks  historische zege, regelmatig vertoond, blijft Jan Huppen voor eeuwig de jongen, ‘Jantje Huppen’, dat boksertje uit Amsterdam dat het nét niet haalde.

Bron: De Waarheid en Het Parool, jaargang 1964

Jaren van opoffering wreed verstoord

Vanaf de lagere school door zijn vader opgeleid tot bokser. Pa, een van de beste boksers uit de Nederlandse geschiedenis, en eigenaar van een gerenommeerde boksschool, had  goed werk geleverd. Peter Zwezerijnen, mocht als bokser zijn land vertegenwoordigen op  de Spelen van Barcelona. In een interview, paar weken voor aanvang, schetste hij alvast het scenario. Eenmaal op het podium zal hij gaan janken van geluk, vertelde de middengewicht. Een medaille, ongeacht de kleur, zal het mooiste zijn wat hem in het leven overkwam. Peter Zwezerijnen jong, sterk, en barstensvol zelfvertrouwen. En terecht. Een vierde plek op de wereldranglijst en zilver op het Europees kampioenschap geeft moraal.  Wat kon er voor hem mis gaan op de Olympische Spelen?
Nou het ging mis. Faliekant zelfs. Buiten zijn schuld nog wel.  Eén groot drama werd het, waarbij de tranen rijkelijk vloeiden. Maar dan wel van pure ellende. Het leven kan heel wreed zijn voor een jonge ambitieuze sportman. Het Olympisch dorp, een week voor aanvang. Na een training nog even in het Turks bad. Altijd goed voor een sporter om vuile stoffen uit te zweten. Wat een relaxed uurtje had moeten worden, werd een hels moment. Het hagelnieuwe stoombad, niet goed afgesteld,  spuit, ongecontroleerd gloeiend hete stoom: op de voet van Zwezerijen.  Met tweedegraadsbrandwonden wordt ijlings koud water opgezocht. Het kwaad was al geschied. Bij de keuring, twee dagen voor het toernooi, en reglementair verplicht voor boksers, wordt de Utrechter afgekeurd. Zijn wereld stortte in. Weg droom. Zwezerijnen, gewend om harde klappen te krijgen, had gehuild als een kind. Jaren van zelfopoffering teniet. Een klacht indienen tegen het I.O.C. werd hem afgeraden. Was slecht voor de Nederlandse ploeg, hielden officials hem voor.
Na de Spelen was de motivatie weg. Nooit meer zal Zwezerijnen de ring betreden. Twintig jaar later kijkt  hij met gemengde gevoelens terug op wat zijn ultieme sportmoment had moeten worden. Het is gebeurd, vertelt hij tegen Stuyfssportverhalen. Het leven gaat verder, om er maar een cliché tegenaan te gooien. Ook voor de onfortuinlijke sporter, die samen met zijn twee broers boksschool De Voltreffer in Nieuwengein runnen.  Inmiddels staan er weer drie nakomelingetjes  te trappelen om de ring in te mogen. Aan  Peter Zwezerijen zal het niet liggen dat zijn zoons de Olympus gaan beklimmen.
Van de  naam Zwezerijnen zijn ze nog niet af. 

Een zondagskind op een koersfiets

Het  Olympische jaar 1984. Nooit zó hard en zó gemakkelijk had hij toen gereden. Ondanks maar één gewonnen koers werd het tóch  zijn beste seizoen. In alle klassiekers zat hij van voren. En in de ploegachtervolging was hij de locomotief. Rik Moorman, in bloedvorm,  was klaar voor de Spelen. En wat een  groot feest had moeten worden, werd een bittere teleurstelling. Een klein trauma werd op de Olympus opgelopen. ‘Los Angeles ’84’ loopt  tot de dag van vandaag als een rode draad door zijn leven. Op stille momenten knaagt het in zijn hersenen. ‘Had ik dit, of anders dat  maar gedaan’, van die vragen. Rik Moorman kijkt met gemengde gevoelens terug op dat voor hem memorabele jaar.  Hij moet er maar vrede mee hebben. Maar toch… Kansen kreeg hij als renner genoeg. En die vergat hij op te rapen.
Had hij maar dat gedrevene van zijn vriendjes, jongens voor wie hij niet onderdeed, die hij regelmatig klopte.  Jelle Nijdam, Eric Breukink, Jean-Paul van Poppel staan nu in de wieleranalen. Veel later, toen hij wielrenner af was, besefte hij wat een mogelijkheden hij had laten liggen. De oorzaak? Zelf houdt hij het op luiheid. Rik Moorman, een zondagskind op een racefiets, was zo’n van god vergeven talent. Het fietsen ging hem spelenderwijs af.  Aan zijn opleiding had het niet gelegen. Vader Han Moorman leidde zijn zoon op tot  wielrenner. Senior een gewezen topamateurrenner, begeleidde hem vanaf de nieuwelingen. Als jonge amateur werd zijn ’diesel’ opgemerkt. Een  plekje in de nationale achtervolgingsploeg werd gereserveerd.
Dan zijn de Olympische Spelen van Los Angeles er. Het kwartet Ralf Elshof, Jelle Nijdam, Marco van der Hulst en Moorman was kanshebber. Het viertal gold als één van de grote favorieten, helemaal nadat het gehele Oostblok de Spelen boycotte. De voorronden werden soepel genomen.  En dan komt het moment dat bij Moorman nog doordreunt. In de eerste ronde, in volle jacht, een  harde knal. Klapband! Rik Moorman vliegt stuurloos uit het treintje. De jonge onervaren ploeg jakkert door. Hadden ze dat maar niet gedaan. Dan werd er reglementair over gestart. De Amerikaanse ploeg die hetzelfde overkwam was slimmer, mocht opnieuw starten en haalde uiteindelijk een zilveren medaille op. Nederland, met Rik Moorman, werd tiende.
Uiteindelijk is het met Rik Moorman toch goed gekomen. Een  wielercarrière met zeventig overwinningen. Nu eenenvijftig jaar, strak en afgetraind want zit regelmatig op de racefiets. Voelt zich samen met zijn Jacqueline een heel gelukkig mens. De boulevard of broken dreams is voor hem maar heel kort. Hij telt zijn zegeningen. Werkt als sportinstructeur bij een revalidatiecentrum. En de Spelen van 1984? Trots dat hij een Olympiër is. Dat mag iedereen weten. En voor wie dat ontgaan was moet maar eens goed zijn koersfiets bekijken. Op zijn stuur staat dat in vette letters het hoogtepunt van zijn leven gegraveerd.   

Tijdens uur U was zijn lijf gesloopt

Het knaagt, steekt. Met de jaren beseft hij wat een kans er is gemist. En toch, toch kan hij zich zelf niets verwijten. Aan zijn voorbereiding had het niet gelegen. Alles, maar dan ook alles had hij er voor gedaan. Alle voorgaande  internationale toernooien, waaronder het prestigieuze Golden Gloves van Californië, werden gewonnen. Een medaille bij de Olympische Spelen van Los Angeles, 1984, lag al klaar. Het Amerikaanse sportblad Sport Illustrated  tipte hem als dé favoriet. Door een boycot van de Olympiade deed  nummer één van de wereld, een Cubaan, niet mee. Voor Pedro van Raamsdonk, in 1984 tweede op de wereldranglijsten, kon er niets meer mis gaan. Of toch wel.
De Amsterdammer ging in  Californië de top van de Olympus beklimmen, maar bleef halverwege steken.  Tijdens het uur U was zijn lichaam gesloopt. Helemaal op. Overtraind. Zelf wijt hij dat aan een gebrek aan medische begeleiding. Pedro van Raamsdonk, middengewicht, schoon aan de haak 78 kilo. Voor zijn gewichtsklasse  drie kilo te zwaar.
In het bloedhete Los Angeles moest hij iedere dag die kilo’s aftrainen. Uren touwtje springen in een plastic jas. Dagen zonder water drinken. Met een uitgeput lijf wist Van Raamsdonk de eerste twee partijen nog te winnen. In de derde verging alle hoop. Pedro van Raamsdonk, gedoodverfd medaillewinnaar verloor: van een tegenstander die hij normaal niet ‘zag staan’.  Nog één keer werd de accu opgeladen. Een vijfde plaats was het hoogste op de Olympiade van 1984.  Geen medaille, maar een diploma. Dat laatste moet ergens in een brandweerkazerne, onder het stof, liggen.  Om zich nóg eens vier jaar op te laden, weer alles opzij te zetten, kon hij niet meer opbrengen. Een proflicentie werd aangevraagd.
Pedro van Raamsdonk stond tijdens zijn bokscarrière meer dan driehonderd keer in de ring. Werd Europees kampioen en tien keer kampioen van zijn land. Slechts dertig keer werd verloren. Negenentwintig jaar jong, werden de bokshandschoenen definitief opgeborgen. Werd taxichauffeur. Doodongelukkig zat hij aan het stuur. Een advertentie voor brandwacht in de krant veranderde zijn leven. Inmiddels werkt de voormalige Olympiër als hoofd brandwacht bij de Amsterdamse brandweer. Pedro van Raamsdonk, 51 jaar, maakt ondanks zijn Olympische echec een gelukkige indruk. Bij de brandweer is hij helemaal op zijn plaats. Met een aandoenlijke trots  laat hij Stuyfssportverhalen de brandweerkazerne zien: ‘de grootste van Europa’. En boksen? Als trainer, in  zijn vrije tijd, geeft hij nog les. Met iedere dag een lange duurloop houdt hij zijn lijf fit. Pedro van Raamsdonk, gewoon een aardige man. 

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 70 other followers