Slagersknecht maakte internationaal naam

Oersterk. Een schouderpartij als een Mechelse pronkkast. Tikkeltje Neanderthalertype. Kwam op dertienjarige leeftijd in dienst van een ‘vleeschhouwerij’ waar hij halve koeien in zijn eentje in de haak hing. Maar echt los ging Dirk van den Berg als slager op het Amsterdamse abattoir. Daar werd zijn kracht ontdekt.  Dirk sjouwde met kadavers  alsof het zakken gevuld met watjes betrof. Van den Berg ging zijn talent te gelde maken. 
Op een dag zag hij zichzelf terug als de ‘sterke man’ op kermissen, circussen en theaters. Dirk in zijn handsopje. Boven zijn hoofd zweefden loodzware halters. Gadegeslagen door boeren, burgers en buitenlui. Het is 1890 als de tweeëntwintigjarige Dirk van de Berg er achter kwam  dat je net zo makkelijk mensen kunt optillen. Dirk werd beroepsworstelaar. Bij zijn eerste wedstrijd in 1893 won de voormalige slager de derde plaats. Dirk, populair bij de massa, vertrok toch naar Duitsland. Voor een zak goudmarken lekker rollebollen in de ring.  Van den Berg won in iedere Duitse stad. Van een toenmalige bekende theaterdirecteur kreeg Van den Berg een massief gouden gordel.
Maar Dirks naam zong door heel Duitsland nadat hij de onoverwinnelijke Turk Kara Achmed van Jetje gaf. Dirk van de Berg, hard trainend, zijn lijf goed verzorgend, was ongetwijfeld weggesukkeld in de geschiedenis als ene Jan Mulder niet op zijn pad gekomen was. Jan was de machinist van de ‘quint Mulder’, een vijfmanstandem. Rond 1895 waanzinnig populair onderdeel op de Europese wielerbanen. Spektakel met vijf kerels op een fiets: niet in de laatste plaats door de verschrikkelijke ongelukken. Jan zag Dirk bezig in zijn ‘ijzerwinkel’ van halters en gewichten en wist meteen dat hij de ‘diesel’ voor zijn quint  gevonden had. Dirk van de Berg op de fiets tussen Mulder, Jan Slesker, Jan van der Tuyn en Piet Dickentman. Standplaats was Berlijn. Daarvandaan werd heel Europa bestreken.
Dirk stond garant voor legendarische verhalen.  Stopte hij een aambeeld in zijn valies en gaf deze nonchalant aan de treinconducteur die prompt een mitella kon bestellen. Dat was even lachen. Met de komst van de zware motor op de wielerbanen was het gedaan met de quint. Dirk, de voormalige wielrenner, en slagersknecht had wat je noemt boerenslimheid. Zijn centjes had hij goed belegd. De man had in de buurt van Kopenhagen een buitenhuisje met een lap grond. Dat wisselde hij af met een woning in Parijs.
Dirk van den Berg mocht dan wel spieren als gewapend beton hebben, in zijn bovenkamer zat het niet helemaal ‘snor’.  Dirk werd getroffen door, wat de toenmalige pers noemde, ‘een rare zenuwziekte’. Tijdens zijn laatste wedstrijd in Amsterdam beefde hij over zijn hele lijf, was sterk vermagerd en leek niet meer op ‘den kranige athleet’ van weleer’. 15 Maart 1913. In Bonn, zijn laatste verblijfplaats overleed de Hollandse versie van Hercules op vijfenveertigjarige leeftijd.

Foto 1: De quint Mulder met v.l.n.r. Piet Dickentman, Jan van der Tuyn, Dirk van den Bergh, Jan Slesker en stuurman Jan Mulder.

Bron: Dagblad van het Noorden jaargang  1913, Revue der Sporten jaargang 1913.

Opgevouwen op zijn fietsje de dood tegemoet

 ‘Maak je nou maar geen zorgen ma. Er gebeurt echt niets! Alles is veilig. ’En’,  voegde hij  met een blik die geen tegenspraak duldde aan toe,  ‘Ik ben één van de weinige renners die óók nog ‘s een helm draagt.’ Verkneuterd dacht hij aan de  oude ‘pickelhelm’ van Oom Adolf, een feldwebel in ruste, die hij  omgebouwd had tot valhelm. Maar om zijn mutti echt gerust te stellen, gooide hij zijn laatste troef in de strijd. ‘En met Otto op de motor komt alles goed.’
Zondag 18 oktober 1908. Gustav Schadebrodt kon het gezeur van zijn moeder even niet aan zijn kop velen. Over een paar uur stond hij aan de start voor de laatste koers van het jaar. Want het Goldenes Rad von Brandenburg, een stayerskoers over vijftig kilometer. En Gustav was dé lokale favoriet.
Voor Frau Schadebrodt waren haar twee zoons één bron van onrust. Aardige gasten, hoor. Altijd behulpzaam voor moeder. Zaten voorin de kerk. Sliepen met de handen boven de lakens. Hadden een vaste baan in de lokale Brennaborfabriek, dé  motoren- en fietsenfabriek van Duitsland. En toch… toch knaagde de worm van onrust in haar lijf. Dat begon al met haar oudste Otto. Kwam die op een dag thuis met de mededeling dat hij een gangmaakmotor had gekocht. Notabene haar Otto, een lulletje rozenwater, op zo’n brullend monster, razend over die vreselijke wielerbanen waar met angstige regelmaat het bloed rijkelijk stroomde.
Nadat Gustav besloot stayer te worden, kwam moeder Schadebrodt in een levende nachtmerrie terecht.  Gustav gegangmaakt door broer Otto. Twee zoons balancerend op het randje van de dood. De Schadebrodt-Bruder gingen de Duitse wielerbanen bestormen.  Met redelijk succes. Nadat de broertjes de Grote Prijs van Zhelendorf hadden gewonnen, stonden ze op scherp. Nog één koers, dan zat het seizoen erop.
Terwijl de tribunes van de Brandenburger wielerbaan vol zaten, de motoren in de baan kwamen, was moeder Schadebrodt thuis in gesprek  met Hem.  Ze had gebeden tot ze eelt op haar knieën had. Gute Gott laat het asjeblieft niet gebeuren. Blijkt dat die ‘goeie hierboven’   een selectief gehoor had. Waarmee het lot van haar jongste zoon bezegeld was.
Gustav, een broodmagere, lange deegstengel van bijna twee meter, opgevouwen op zijn fietsje, ging de strijd aan. Bracht zijn supporters in lekkere stemming. Vuurde zijn broertje aan. ‘Schneller’! Verlekkerd draaide Otto de gashandel helemaal open, hoort die opeens dat weemakende geluid van zacht vlees op hard cement. De gebroeders zouden nooit meer de wielerbanen gaan bestormen.
Gustav Schadebrodt werd vijfentwintig jaar. 

Foto 1: De broertjes Schadebrodt. Foto 2: Otto Schadebrodt: verkocht na de dood van zijn broertje zijn motor. Niet voor lang. In 1910 kocht Otto een nieuwe motor en was tot in de jaren twintig actief als gangmaker.

Bron: Radwelt jaargang 1908 én 1920.

Het raadsel van de verdwenen kampioen

Budapest 1910. Europees kampioenschap worstelen. Favorieten? Atleten uit Midden-Europa en de Balkan, dé worstellanden bij uitstek. Tot grote verrassing en verbijstering werd de titel bij het middengewicht gegrepen door een volkomen onbekende uit Zaandam. Na terugkomst kreeg deze in Nederland een heldenontvangst. Op de drempel van eeuwige roem in de  vaderlandse sportgeschiedenis,  verdwijnt hij opeens geheimzinnig in het ‘grote niets’. Van Jaap van Westrop werd nóóit meer iets vernomen. Honderd jaar later: Stuyfssportverhalen ging op onderzoek uit. En kwam terecht in Chicago.

In Chicago zit een hoogbejaarde man met een vergeelde oeroude foto in zijn handen. Hij koestert die foto. Het is hem heel dierbaar. Op het plaatje staat een stoere man waarvan de kracht van het celluloid afspat. Trots, in de bloei van zijn leven, kijkt hij recht in de lens van het toestel. Armen als boomstammetjes. Op zijn brede gespierde torso een rits medailles. 
Voor John Vanwestrop, 92 jaar, is de foto niet alleen een kostbaar familierelikwie, maar ook één bron van vragen. Het is zijn vader.  En dat de foto een eeuw geleden werd gemaakt. Dat weet hij. Maar wat die medailles betekenen? Volgens hem had het iets met worstelen te maken. Maar wat precies? Hij weet dat niet. Zijn vader, Jaap, heeft daar nooit één woord over verteld.
Jaap blijkt vlak na het behalen van zijn titel hals over kop de boot naar Amerika genomen te hebben. Stichtte daar een gezin, werd timmerman, en voedde zijn twee zoons hard maar eerlijk op. Op sportgebied mochten ze alles doen: zolang het maar niet worstelen was. Als de broertjes Vanwestrop thuis komen met de mededeling dat ze op school in het worstelteam zijn opgesteld, steekt vader Jaap daar een stokje voor. Verboden! Ouwe Jaap had een bloedhekel aan die sport. Dat zijn vader in 1910 Europees kampioen worstelen was had John  nooit kunnen indenken. Van al die medailles op Jaaps borst heeft hij er maar één in zijn bezit. Die andere heeft hij nooit gezien. En waar die medaille voor staat? Geen idee! Zelf vermoedt hij dat de ontbrekende sporttrofeeën, waaronder bekers en oorkondes, de reden zijn van vaders verbittering.
In een brief aan Stuyfssportverhalen schetst John een  beeld van een spijkerharde kerel. Een keihard werkende, rechtlijnige timmerman, die het tijdens de Grote Depressie, in de jaren 30, altijd lukte om voor zijn gezin brood op de plank te krijgen. Maar ook een ‘geheimschrijver’. Die nóóit één woord over zijn verleden in Nederland sprak, laat staan over zijn sportcarrière. Die aan zijn gezin verzweeg dat hij in Holland nog broers en zusters had. Het geheim van Jaap zijn overhaaste vlucht uit Nederland nam hij in 1962, op vijfenzeventigjarige leeftijd, mee het graf in.
Waarmee hij het raadsel ‘Jaap van Westrop’ nog groter maakte. 

Foto 1: Jaap van Westrop. Foto 2: John Vanwestrop. Foto 3: Huldiging van Van Westrop op het inmiddels verdwenen, Weesperpoortstation in Amsterdam.

Maas’ record en de abri van Amber

Woensdagmorgen in het Amsterdamse Velodrome. Voor Maas van Beek staat zijn dagelijkse training achter de derny op punt van beginnen.  Maas is een man met een heilige missie. In april gaat hij nog éénmaal een aanval op het werelduurrecord achter de derny doen. Wie daarbij zijn gangmaker is? Amber Aardegeest, zeventien jaar jong!

Het werelduurrecord achter derny’s. Op het recordlijstje staan alleen  namen van renners  die  internationale wielergeschiedenis hebben geschreven. Zoals een  Theo Verschuren, zo’n veertig jaar geleden tweevoudig wereldkampioen stayeren. Maar ook die van wielerlegende en voormalig Zesdaagse Keizer Peter Post. Volgens Post was zijn recordpoging het zwaarste uur uit zijn wielercarrière. In 2004 verbrak beroepsrenner Matthé  Pronk, gegangmaakt door Joop Zijlaard, het  record en liet de kilometerteller stilstaan op 66,114 kilometer. En dan gebeuren er dingen die alleen in jongensboeken voorkomen.
Maas van Beek, een volkomen onbekende renner afkomstig uit Barneveld, fietste Pronks record, in het voorjaar van 2009, met ruim driehonderd meter uit de recordboeken. Of Maas  van Beek een jonge aanstormend talent was? Nee! De man was drieënvijftig jaar! Ongeloof en verbijstering in het kamp van Pronk met name bij gangmaker Zijlaard.
 Laatst genoemde twijfelde in het bijzijn van camera’s van SBS6 of Van Beeks record wel aan alle UCI-normen had voldaan. De  insinuaties waren niet van de lucht. Van Beek kon alles weerleggen en mocht plaatsnemen in het Guinness Book of Records.
Om de biologisch klok voor te zijn wil Maas van Beek, inmiddels 57 jaar, nog één keer zijn eigen record aanvallen. In april vertrekt Van Beek naar de wielerbaan van Moskou. En niet met zijn gangmaker Wilco van den Hoorn. Voor zijn nieuwe aanval heeft Maas van Beek  een andere gangmaker gevonden. Of beter gezegd een gangmaakster. Een meisje nog. Amber Aardegeest een grietje van zeventien lentes jong. In Amber, dochter van een gangmaker, heeft de inwoner van Barneveld alle vertrouwen. Volgens hem heeft zij een fantastische abri, wat staat voor zuigkracht. De komst van Amber was eigenlijk bedoeld voor de komende persconferentie.
Stuyfssportverhalen, toevallig aanwezig op het Velodrome neemt het maar ‘even mee’.  Maas heeft genoeg onthuld. Stapt op zijn fietsje, duwt langzaam de monsterlijke versnelling van zeventig tanden ‘voor’ en zestien ‘achter’ op gang, en neemt plaats achter  Amber’s rug. 

Gaat ongetwijfeld vervolgd worden…

Foto 1: Links Amber Aardegeest, dernyverzorger Frans Braat en Maas van Beek.

Sportwaanzin van alle tijden

Die collectieve gekte. En dat voor een schaatstocht die niet doorging. Zo’n beetje het hele land was direct rijp voor de valium. Stuyfssportverhalen kan het woord ‘Elfstedentocht’ niet meer horen. Maar om de lezers af te laten kicken nog één keer wat gereutel over de ‘Tocht der Tochten’.

Het was een voorzetje voor open doel. En de schaatsers, dertig stuks, kopten die feilloos in. Of de Tocht door moest gaan, vroeg voorzitter Hylkema vlak voor de start van de eerste Elfstedentocht. Terwijl de dooi was ingevallen, het ijs op de meeste plaatsen erbarmelijk was, brulden ze om het hardst van ‘ja’. Sportwaanzin blijkt van alle tijden. Ook in 1909. Kwart voor vijf in de morgen van 2 januari. Hylkema, voorzitter van de Friesche IJsbond wist genoeg en deelde persoonlijk de controlekaarten aan de rijders uit. Dertig stuks, snel klaar. Bij het licht van twee carbidfietslampen werden op een  natte, koude, mistige en pikdonkere Leeuwardergracht de doorlopers ondergebonden.  Dertig kerels stortten zich in een desolaat avontuur. Het parkoers werd gereden om ‘de noord’ ofte wel richting Dokkum.
Een Fries is pas een Fries als hij de Tocht uitgereden heeft. Een ongeschreven inwijdingsritueel waarmee je voor de rest van je leven in it Heitelan gezien kan worden. Dat laatste moet hét lokkertje zijn geweest. Bij het zien van de deplorabele toestand van het ijs had een normaal mens direct rechts omkeer gemaakt. Bij Bolsward was schaatsen onmogelijk. Kilometers werd er gestumperd, gestakkerd dan wel gekluund. Ook elders op het Friese ijs werd geleden. Door regenval was het ijs verworden tot een soort suikerfondant. En anders stonden de mannen tot de enkels in het water. Schrale troost, er werd niet anoniem afgezien. Er stond iets tegenover. De ontvangst in de logementen, boerderijen, en gemeentesecretarieën, waar gestempeld moest worden, was volgens Jan Feith, meerijdende journalist van dienst, ´hartverwarmend´. In de dorpen en steden, langs grachten, sloten en op bruggen stond het zwart van het volk.
Het grauw, ongetwijfeld met een flinke neut achter de huig, kende maar één favoriet: streekgenoot Minne Hoekstra. Minne, een sluwe vos, had meerdere schaatsen meegenomen waaronder een paar met brede ijzers. Hoekstra, de enige rijder die geen last van het slechte ijs had, ging er in de finale met Gerlof van der Ley  vandoor. Na met Van der Ley afgerekend te hebben, werd Minne door een grote menigte als winnaar in Leeuwarden bejubeld. Derde werd Amsterdammer Tiete Rooseboom. Na afloop was er ook nog een stichtelijk woord van voorzitter Hylkema.
In ronkende woorden orakelde hij zijn bedenkingen tegen dat ‘wedstrijdgedoe’. Hem kon het niets schelen wie er als eerste aan kwam, liet hij weten. Veel belangrijker vond hij die kerels die ongetraind, onder de koeien vandaan, de Tocht uitreden.
De preses van de Friesche IJsbond bleek een ‘ziener’ te zijn. De man móet de massahysterie van een eeuw later al op zijn netvliezen hebben gehad.

Foto 1: V.l.n.r.  Van der Ley, Minne Hoekstra en journalist Jan Feith. Foto 2: Doorkomst van Hoekstra en Van der Ley in Bolsward. Foto 3: Tiete Rooseboom.
Bron Revue der Sporten jaargang 1909. 

Op zes eieren liet Kees Friesland sidderen

Kortebaanschaatsen! Generaties lang beheerst door Friezen. Maar opeens stond een Hollander aan de start. Een schaatser waar niemand in Friesland ooit van gehoord had. Dat werd snel anders. Op een dieet van zes leeggeslurpte eieren én een mok levertraan, greep Kees van Eikeren de nationale titel. Door Friesland ging een siddering.

Het zijn profs! Kerels die schaatsen voor het geld. Heel veel geld! Zakken vol met rinkelende, zilveren, rijksdaalders. Kortebaanschaatsers krijgen niet alleen prettige gevoelens in de onderbuik als de thermometer onder nul duikt, maar horen ook de kassa rammelen. Dat was toen, maar is ook nu. Wat de kermiskoers voor Vlaanderen is, is het kortebaanschaatsen voor Friesland. Ieder dorp zijn grote toernooi. Kasteleins en lokale schaatsclubs zorgen voor het prijzengeld. De grootste prijzenpot, de beste rijders. En niet van dat benepen kruideniersgedoe. De winter van 1946 had Friesland acht wedstrijddagen waar twintigduizend gulden te verdienen was. Een arbeider vond wekelijks vijftig piek in zijn loonzakje. In een goede winter kon een kortebaanschaatser meer verdienen dan een jaar hard werken bij een baas.
Kortebaanrijders dus. Man tegen man. Rammers over honderdzestig meter. De ongekroonde koningen van Friesland, alleen voorbijgestreefd door een Elfstedenwinnaar. Friese rijders staan met vorst op scherp. Ook in 1946. En opeens was daar een lange slungel. Een onbekende. Nog wel een Hollander! Op de fiets vanuit Badhoevedorp gekomen. Met zijn vader achterop. Kees van Eikeren wilde schaatsen. Langebaanwedstrijden.  Koersen georganiseerd door de KNSB. En daar was Kees niet welkom. De man beschikte niet over hoge Noren. Geen geld voor. Keesie deed het op zijn ouwe houten doorlopers.
De eerste ijswinter van na de oorlog. In Friesland begon het carrousel van de kortebaanwedstrijden op volle toeren te draaien. Ieder dag meerdere wedstrijden. Alleen voor beroepsrijders. Veel bezoekers, fles Beerenburgh onder handbereik. Kees op zijn lullige houtjes was allesbehalve een krabbelaar, maar ook nog eens een platzakke, opportunistische avonturier. Een gevaarlijke combinatie. In de man school een kille premiejager. Clint Eastwood op gladde ijzers. Op de fiets met zijn doorlopers op de bagagedrager richting Heitelan. Meer dan tweehonderd kilometer. Zijn vader, tevens verzorger en trainer, met de trein. Lekker warm gereden, stond de Badhoevedorper aan het vertrek in Nylamer.
Wat die Hollander hier te zoeken had, roezemoesde het langs de baan.  Doekele Hielkema en Nico Bruinsma de trots van Friesland, heersers van de kortebaan, waren de onbetwiste favorieten voor de overwinning. Na de wedstrijd was het geroezemoes verstomd. Kees van Eikeren had les gelezen: zijn naam was gevestigd. Van Eikeren, slapend bij boeren kreeg de smaak te pakken. Met zijn vader achterop de fiets werd heel Friesland afgestroopt. Het werd een soort strafexpededitie.
Kees van Eikeren een natuurmens uit de Haarlemmermeer. Slurpte ‘s morgens zes eieren leeg en vrat vijf boterhammen met spek, weggespoeld met een mok levertraan. Zes eieren dus. Je moet er toch niet aan denken. Een doorsnee man krijgt onmiddellijk last van verstopte kransslagaderen, anders wel een ‘zware zak’. Niet voor een opportunistische hardrijder uit de Haarlemmermeer. De man won in Friesland nog drie grote wedstrijden en vertrok op zijn zwarte herenrijwiel richting Groningen. Op naar het  kortebaankampioenschap van Nederland.
Voor negenduizend verbijsterde Noordelingen bewees Kees van Eikeren dat hij en niemand anders recht op de titel had.  Een kampioenschap rijker en een goed gevulde beurs maar ook  vijf kilo lichter, kwam Van Eikeren terug in Badhoevedorp.

Foto 1: Kees van Eikerern met kampioenssherp. Foto 2: Links Kees van Eikeren. Foto 3: De Amsterdamse Apollohal kende vlak na de oorlog een piepklein indoor kunstijsbaantje. Net groot genoeg om daar de start op te trainen. Kees van Eikeren was een regelmatig bezoeker.

Bon: Weekblad Sportief jaargang 1946.

Steinmetz, een boutendraaier met flinke stamp

De Vierdaagse van Nijmegen! Hysterische taferelen in de finishstraat. Deelnemers  krijgen een onthaal alsof er een lang vermist familielid onverwacht van een oorlogsfront thuiskomt. Stuyfssportverhalen heeft dat nooit begrepen. Atletisch gezien stelt de Nijmeegse Vierdaagse niet veel voor. Een manke Heilsoldaat mét de Strijdkreet draait daar zijn hand niet voor om. Wandelen topsport? Toch wel! Parijs-Straatsburg! Meer dan vijfhonderd kilometer tippelen. In één ruk.

Een ventje van niks. Een kop en een kont. Meer een zak met botten bij elkaar gehouden door spieren en pezen. Als er flinke wind stond, moest hij stenen in zijn zak doen. Amper tweeënvijftig kilo licht. Alfred Steinmetz, 1.60 lang,  oogde alles behalve een atleet. Onderschat nooit iemand. Helemaal Steinmetz niet. Die dreumes kon iets wat een ander niet kan. Wandelen! Niet een blokkie om maar honderden kilometers in marstempo.
De man had een fenomenale pas. Niet moe te krijgen. Net een opwindpoppetje. Draaide het sleuteltje om en het begon te marcheren. Dagen en nachten achter elkaar.  Je moest hem bij wijze van spreke neerknuppelen. Alfred Steinmetz was dan ook dé favoriet in de wandelrace Parijs-Straatsburg, editie 1936. Een monsterlijke tocht, zonder stop, over meer dan vijfhonderd kilometer. Dwars door Frankrijk. Met hitte overdag, ijskoude nachten en voortdurend slaapgebrek op weg naar Lotharingen. Met als uitsmijter beklimmingen over de, door Tourrenners zo gevreesde, Ballons in de Vogezen.
Wat kon dat die Alfred nou schelen. De man werkte als boutendraaier in een metaalfabriek. Beter een steile col dan de treurige wereld van moertjes en bouten.  Na het startschot op een zonnige woensdag op de Place de la Republique, nam de Belg Vanhamme de leiding. Honderd kilometer liep de Vlaming op kop. Steinmetz vond dat meer dan genoeg. Na eerst afgerekend te hebben met Zami, afkomstig uit Martinique gooide Alfred de stamp erin.
Sport is pas fijn als er drama aan te pas komt. Ook bij wandelen. Zoals loper Sarrasin. Nog nagenietend van de heldenontvangst in zijn woonplaats Châlons-sur-Marne (sedert 1998  Châlons-en-Champagne)  wordt die in het pikkedonker, door een motor aangereden. Sarrasin werd in het ziekenhuis wakker. Of neem Marceau, winnaar van editie 1930. Werd gevolgd door een fietsende meid. Een fan. Zat soppend op haar fiets. Raakte zo betoverd van haar idool ze dat heel dicht bij hem wilde peddelen. Reed hem prompt aan. Voor Marceau, zware knieblessure, was Parijs-Straatsburg exit.
Daar had Steinmetz allemaal geen boodschap aan. Die ging stug door. Bij de doorkomst in Nancy, vrijdagmorgen, verklaarde de boutendraaier voor de radiomicrofoon dat hij ging winnen. Le Petit Steinmetz was geen man van de bluf, noch een praatjesmaker.  Meer overtuigd van zijn eigen kunnen. Helemaal gelijk. Na meer dan vierenzeventig uur in een strak tempo gewandeld te hebben, werd Alfred Steinmetz in Straatsburg door een uitzinnige mensenmassa ontvangen.
Alfred Steinmetz, met zijn korte beentjes, liep de 533 kilometer met een gemiddelde van zeven kilometer en 150 meter. Kom daar eens in ‘Nijmegen’ mee aan….

Foto 1: Alfred Steinmetz: ‘stevige stamp’.  Foto 2: Steinmetz in de ‘verzorging’.

Foto 3: Jean Lindner, Zwitser, onbekend fenomeen, won Parijs-Straatburg meerdere malen. Deed dat, volgens hem, op een paar glazen Ovomaltine.

Bron: Le Miroir des Sports jaargang 1936.

Sporthistorische parafernalia deed huiveren van genot

Stuyfssportverhalen, is ontstaan uit een fascinatie voor sportgeschiedenis, de romantiek, maar ook de tragiek die daar om heen hing. De bron is natuurlijk het verzamelen van de oeroude sporttijdschriften waar regelmatig uit geput wordt. Maar ook de tastbare plekken blijven fascineren. Vooral in mijn Amsterdam waar ik inmiddels de al lang verdwenen sporthistorische plaatsen ken. Locaties waar in het verre verleden sportgeschiedenis was geschreven. Waar je, als je héél goed snuift, de verschraalde zweetlucht nog kan ruiken: hetgeen ook verbeelding kan zijn.
De illustere en inmiddels verdwenen boksschooltjes? Ik kan ze dromen. Wekelijks wordt langs de nog steeds bestaande fietsenwinkel van Piet Dickentman, wereldkampioen in 1903, gefietst. De geest van Piet, één mijner grootste sporthelden, is dan goed voelbaar. De adressen van de eertijds beroemde Mokumse racefietsateliers? Ik wijs ze voor je aan. De sigarenzaken van Bertus Kaldenhove, Benny Muller, Frits Flinkevleugel, Piet Koekebakker en Sjaak Swart, voetballers uit een grijs verleden…? Wat dacht je. Pure dwangneurose dat ik inmiddels exact op de meter weet waar de houten wielerbaan van Zeeburg, gesloopt in 1915, zich bevond. En dat Jaap Eden wereldkampioen werd op het Museumplein behoort tot de algemene ontwikkeling.
Maar echt tastbare relikwieën? Die zijn er nog weinig. Ja, de fiets van Piet Dickentman, kostbaar bezit van wielervereniging Olympia. De roeiverenigingen hebben wat historisch spul: en dat is het dan zo’n beetje. Tot afgelopen week. De post bezorgde een grote verrassing. Uit een grauwe enveloppe kwam tot mijn verbijstering een programmaboekje. Nog wel eentje van de Zeeburgerwielerbaan waar, zo bleek, op zondag 4 juli 1915 gekoerst werd.
Jan Zomer auteur van de vermaarde jaarlijkse Wieler Express, bezig met het opruimen van zijn zolder stuitte daar op. Jan genereus als hij is, stuurde dat naar mij toe. Pure sporthistorische parafernalia maar voor mij van grote betekenis.
Alleen maar het feit dat hoogstwaarschijnlijk mijn opa, ooms en vader bij die wedstrijden waren geweest, deed mij huiveren van genot. Enfin, ieder mens heeft recht op zijn afwijking. 

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 70 other followers