Fietsende Lijk gaf iedereen nakijken

Zestien jaar profwielrenner én maar dertien overwinningen. Een mislukte carrière? Nee. Met twee Tour-etappes én winst in de allerzwaarste klassieker is je naam gebeiteld op de eeuwige uitslagenlijsten. Helaas voor Paul Chocque nam hij ook plaats op een ander lijstje: die van dood gevallen renners.

De man moet een ongezond uiterlijk hebben gehad. Niet gehinderd door ethische mores noemde het Franse journaille hem dan ook ‘het fietsende lijk’. Beetje gelijk hadden ze wel. Foto’s bekijkend zie je een coureur met een pisgele, uitgemergelde kop. Paul Chocque mocht dan ogen als een tbc-lijder maar in dat schonkige lijfje school een grote motor. Hoewel…vier jaar prof met maar drie overwinningen deden het ergste vrezen. Rijdend in een lullig ploegje met als beloning  een fiets, broek en shirt stond het lijk overal aan de start. Er moesten franken verdiend worden, anders lagen de muizen dood in de broodtrommel.
Chocque wist dat hij meer kon dan alleen maar criteriums rijden. Waar kon je dat beter laten zien dan in Bordeaux-Parijs: dé uitputtingsslag bij uitstek over meer dan vijfhonderd kilometer. Jarenlang had  Paul bij de organisatie van B-P gezeurd of hij mee mocht doen. Al was het maar voor één keer. De organisatie zag hem aankomen. Ze keken wel mooi uit. Of die Chocque soms suïcidale trekjes had.  Pauls ongezonde uiterlijk én mager erelijstje gaven  natuurlijk de doorslag. Uiteindelijk kwam zijn woeste droom uit. Maar daarvoor was dan wel een nieuwe sponsor nodig.
Drie weken voor de start van B-P, editie 1936, vernam  Paul dat hij op de  deelnemerslijst stond. Tijd voor extra lange duurtrainingen was er niet.  Met maar drie trainingen  achter de motor van gangmaker Paillard vertrok het fietsende lijk voor wat later zijn eeuwige roem zou worden. Chocque mocht dan weinig getraind hebben, maar was wél goed geprepareerd. Want frustratie, gebrek aan erkenning, én een minderwaardigheidscomplex, daar kan geen doping tegen op. Paillard wiens motor, rijdend, vanuit een volgauto met een rubberen slang werd bijgetankt, hield  de naald van de snelheidsteller constant op vijftig. Achter de rug van zijn gangmaker ijlde de magere eenzaam en alleen richting Parijs.
Sportdrankjes, energierepen, en voedingsgels, waar de hedendaagse sporter niet zonder kan, blijkt dus gewoon flauwekul te zijn. Al trappende duwde Paul een kotelet, een portie  macaroni, een omelet, gekookt fruit, rijstepap, geklopte eierdooiers in suikerwater en een bakje ragout achterover. Voor een sportman is het altijd aardig om voor eigen volk op te treden. Ook voor Paul Chocque. De doorkomst in zijn geboortestad met straten vol juichende buurtgenoten moet tot zijn dood in het geheugen gegrift zijn.
In een kolkend Parc des Princes voor de ogen van zijn complete familie, kwam Paul Choque als winnaar over de streep. Dertien jaar later, op de plek van zijn grootste roem vertrok Paul naar zijn Schepper.  Na nog twee etappes in de Tour de France gewonnen te hebben is het dan vier september 1949: Chocques laatste dag op dit ondermaanse. Tijdens een stayerskoers in Parijs, op dezelfde baan waar hij dertien jaar eerder eeuwige roem vergaarde, verongelukte Paul Chocque. Het ‘fietsende lijk’ werd 39 jaar.

Foto 1 en 2. Chocque in Bordeaux-Parijs. Foto 3: Chocque na zijn val in Parijs. Niet veel later stierf hij. 

George is nog steeds niet vergeten

Begin vorige maand schreef Stuyfssportverhalen een verhaal over de dood van de Amerikaan George Leander. Van George, in 1904 in Parijs achter de zware motor verongelukt, was niet veel bekend. Het weinige van Georges carrière kwam uit Radwelt jaargang 1905. In een piepklein stukje werd stilgestaan bij zijn overlijden. Voor toenmalige begrippen, want stayers vielen als warme broodjes dood, een summier artikeltje. Om het verhaal toch op te tuigen, werden digitaal de archieven van de New York Times en de Boston Globe bezocht. Veel meer dan het reeds bekende, zoals zijn begrafenis, en Leanders carrière in de beruchte Amerikaanse Zesdaagsen,  kwam daar niet uit. Ook met Georges konterfeitsel was het karig gesteld. In Stuyfs archief slechts twee plaatjes van de verongelukte Amerikaan. Met het weinige werd er een verhaal in elkaar geknutseld. Aardig, maar niet meer dan dat.
Groot was de verbazing dat twee weken later daar op gereageerd werd. Vanuit Chicago mailde Russel Leander, achterneef van George. Ook Russel was verrast dat in Amsterdam over zijn illustere oudoom geschreven werd.
In Chicago, hometown van de Leanders, zijn ze George ook nog steeds niet vergeten. Althans niet als het aan Russel lag.  Om zijn oudoom te eren had Russel, begin dit jaar, een kalender uitgegeven waaruit geput werd uit de familiefotoalbums. Russel deed de belofte om deze kalender zo snel mogelijk richting Amsterdam te sturen. Vanmiddag viel op de deurmat, met een zachte plof, een stapel post. Tussen de kerstkaarten, folders én rekeningen het lang verwachte pakje.
George kan in de Hemel trots op zijn achterneef zijn. De kalender is met veel liefde gemaakt,  met iedere maand een unieke en prachtige sfeerfoto van de verongelukte George. De George Leander Calender, een ontroerend eerbetoon aan een net twintigjarige jongen die het geluk dacht te vinden in Europa maar bij zijn vierde koers dood viel.

In het spoor van Olaf Bjaaland

Het was één van de laatste grote ontdekkingsreizen. De  eerste tocht naar de Zuidpool werd  volbracht door Noorse avonturiers. Mannen van Noors graniet met Vikingsbloed in de aderen. Taai als de huid van hun trekhonden. Gisteren, veertien december, was het precies honderd jaar geleden dat Roald Amundsen, Helmer Hanssen, Sverre Hassel, Oscar Wisting én Olav Bjaaland óp ski’s mét temperaturen van min vijftig graden als eerste de Zuidpool wisten te halen.
Leider van de expeditie Amundsen wist precies wie hij in zijn team moest hebben. Als één van de eerste benaderde hij Olav Bjaaland. Olav, weliswaar timmerman van beroep, behoorde ook tot de Noorse top van het langlaufen. Won in 1902 de fameuze en nu nog gehouden Kings Cup in Holmenkollen. Nadat de timmerman het gewicht van de loodzware houten sleden met technische ingreep, meer dan zestig kilo had terug gebracht  vertrokken de Noorse avonturiers op 19 oktober 1911 van de Walvisbaai.
Het werd zo’n echte ontdekkingsreis waar jongensboeken patent op hebben compleet met bevroren lichaamsdelen. Met luguber detail dat onderweg de helft van de sleehonden geslacht werden om zelf de nodigen proteïntjes binnen te krijgen. Voor Olaf was de heldenrol weg gelegd. Bjaaland met zijn onverwoestbare conditie nam de expeditie op sleeptouw. Ver voor de sleehonden uit, mét Arctische sneeuwstormen tegen, trok de skikampioen een kaarsrecht spoor: de expeditie volgde. Binnen zesenvijftig dagen werd de Zuidpool als eerste bereikt.
Terug in Noorwegen was het voornamelijk Amundsen die eeuwige roem oogstte. Voor de overige expeditieleden wachtten de anonimiteit.  Bijna waren ze  vergeten. Bijna maar niet helemaal. Bij de Olympische Winterspelen van 1952, gehouden in Noorwegen, werd Olav Bjaaland uit de vergetelheid gerukt. Olaf, de laatste in leven zijnde van het vijftal bracht op ski’s  het Olympische vuur naar Oslo.
Olaf Bjaaland stierf in 1961 op achtentachtig jarige leeftijd.

Bron: Wikipedia. Foto 1: Olaf Bjaaland met de trekhonden, Foto 2: Olaf Bjaaland verricht de opening van de Spelen van ’52.

Met dank aan de wonderlijke database van John Brouwer de Koning.

Voor Charles geen gladiolen maar de dood

Dertien jaar profrenner en het afscheid kwam er aan. Zijn tijd zat erop. Inmiddels dertig jaar oud, wist hij verdomd goed dat van zijn carrière niemand wakker lag. Frustraties gierden door het lijf van Charles Brécy. Als stayer waren er dagen dat hij alles kon. Het publiek op de Parijse Vélodrome scandeerde dan massaal zijn naam. Helaas voor hem, net zo snel als de vorm kwam, verdween die ook. Bij Charles viel daar geen pijl op te trekken: wat aan zijn  bankrekening af te zien was. Was de concurrentie schathemelrijk geworden, Brécy had zijn zuurverdiende franken geïnvesteerd in een bescheiden bloemenzaak.
Op het moment dat de berusting bijna toesloeg, flikkerde het bijna gedoofde vlammetje van eerzucht op. Tijdens het bloemenbinten brak het kille zweet hem uit bij de gedachte dat hij in het collectieve sportgeheugen bijgezet werd als een duffe bloemist. Merde! De tulpen, rozen, lelies én die hele bloemenzaak konden lekker zijn rug op. Charles Brécy, ging zich nog één keer bewijzen. En hoe kan je dat beter doen dat door het werelduurrecord aan te vallen. Brécy ging in training.
Achter gangmaker Bertin werden lange dagen gemaakt. De vorm kwam er langzaam aan. De benen werden scherp, wangen vielen in en de ogen verzonken diep in de kassen. De bloemist was er klaar voor.
Dan is het veertien november 1904. Het Parijse wielerpubliek liet ‘hun’ Charley niet vallen. Het Vélodrome was uitverkocht. ‘Allé Charley, Charley,’, rolde het lekker galmend van de tribunes. Brécy, de oude krijger, voelde de adrenaline door zijn knokige lijf stromen. ‘Nom de dieu, ik zal ze een poepie laten ruiken’, schoot het door zijn hoofd.
Charley stapte op zijn karretje. Monsterde het publiek. Draaide de punten van zijn snor nog even op. De pet ging achterstevoren. Het startschot viel. Charles Brécy, bloemist uit Parijs, ging het werelduurrecord aan vallen. Na drie kwartier achter de brullende motor van Bertin geraasd te hebben stond de kilometerteller op 91 kilometer. Goed voor een nieuw wereldrecord.
Brécy voelde zich goed. Vuurde zijn gangmaker nog een keertje aan. ‘Nog maar een kwartiertje jongen, en je bent voor altijd beroemd’, dacht hij bij zich zelf toen hij dat vreemde geluid hoorde. Met een luide ‘krak’ brak de voorvork van de motor. Door de vallende motor werd Charley gelanceerd. Met een klap stuiterde de bloemenman tegen de balustrade. De wielerbaan kleurde net zo rood als Brécy’s rozen. Bewusteloos werd de recordman in spe met paard en wagen naar het hospitaal afgevoerd, waar hij elf dagen later de geest gaf. Charles Brécy, 31 jaar geworden, werd begraven op kerkhof van Montparnasse. Aan zijn graf stonden zijn gebroken weduwe én zijn drie kleine kinderen.

Bron: Radwelt jaargang 1905.

Foto’s: Charley Brécy, bloemist in Parijs.

Foto 2 en 3: Archief Theo Buiting

Onvergetelijk etentje met voormalig bougiekoning

Een leven dat klinkt als een smartlap. Zoon van een arme weduwe, een  wasvrouw die zich een slag in de rondte werkte. Na de lagere school gaat hij zijn mammie helpen. Op een zware transportfiets rijdt  hij de hele dag door Parijs om de vuile was op te halen. Dag in dag uit je uit de te naad trappen, daar kan geen trainingsschema tegen op. Vijf jaar later is het niet alleen 1895 maar is  Albert Champion  ook wielrenner. Als achttienjarig talentje komt hij onder de hoede van de Engelse trainer Choppy Warburton.
Choppy, voorbeeld  voor generaties soigneurs en sportartsen want de eerste wonderdokter in het wielrennen. Ver voor het begrip ‘doping’ wist Choppy de geheimen om zijn  renners op ‘scherp te zetten’. Om je als coureur door Choppy te laten verzorgen was een flinke dosis fatalisme voor nodig. Koersen op de heksendrankjes van Choppy, een mix van strychnine, cocaïne en laudanum, was bloedlink. Zijn jongens kwamen regelmatig schuimbekkend van de fiets, en één van zijn renners, Arthur Linton, wist het uiteindelijk niet na te vertellen. Warburton was niet alleen een kundig gifmenger maar ook een handig pr-man. Als in het voorjaar van 1896 zijn poulain Champion een contractje weet los te peuteren in Amsterdam, weet Choppy wel hoe je de tribunes vol krijgt. Met schreeuwende reclames geeft Warburton op van zijn Parijse ontdekking. In een koers achter levende gangmaking gehouden op de Willemsparkbaan, krijgt Albert Champion klop van lokale favoriet Cees Witteveen. Albert Champion, wijs geworden in de straten van Parijs, had het snel bekeken met de Britse ‘drogeur’ en ging zijn eigen weg.
Of Champion inmiddels achter de samenstelling van Choppy’s ‘drog’ was gekomen is een donkerbruin vermoeden want  in 1899 wint hij onverwachts Parijs-Roubaix : toen al een hoog genoteerde koers.  Voor Champion lagen de contracten voor het uitzoeken. Albert koos voor Amerika! In een tijdsbestek van vier jaar wint hij in the States meer dan zeventig koersen achter de motor. Champion inmiddels door een blessure wielrenner af, gaat de autohandel in en vindt een bougie uit die beter was als het gangbare. Dan gebeuren er zaken waar Hollywood patent op heeft. De voormalige winnaar van Parijs-Roubaix begint een bougiefabriek, met Ford als grootste afnemer, en is binnen een paar jaar dollarmiljonair. 
Albert verkoopt zijn nering, en gaat terug naar Parijs. De voormalige bougiefabrikant kon je van alles betichten maar niet dat hij een egoïst was. Voor behoeftige en voormalige strijdmakkers had hij, wat je nu noemt een sociaalplan, gemaakt.
Dat laatste moest als surprise tijdens een feestmaaltijd aan zijn vrienden verteld worden.   Een verrassing werd het. Terwijl de drank in de man is, de voormalige renners elkaar verwachtingsvol aan zaten te kijken, kreeg de gastheer last van zijn eigen bougie, gevolgd door een fatale hartverlamming. Albert Champion, man in bonus, werd negenenveertig jaar.

Foto 1: Albert Champion, foto 2: l.n.r. Arthur Linton, Choppy, Jimmy Michael en Tom Linton. Foto 3: De Amsterdamse Willemsparbaan, gelegen achter het Rijksmuseum anno 1898. Bron: Le Miroir des Sports jaargang 1923. Les Sports Illustres jaargang 1930.

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 70 other followers