‘Gedenk het sterven van George’

Begin november. Voor spiritisten, mediums en seanceliefhebbers altijd een fijne tijd, want  Allerzielen maar ook Halloween. De overledenen worden herdacht. De geesten zijn onder ons. Welkom in de wereld van dansende tafels en draaiende glaasjes. Stuyfssportverhalen doet ook maar even een occulte duit in het zakje. Ruim honderd jaar geleden werd in Parijs George Leander richting hemelpoort afgeschoten. Georgieboy werd in thuisstad Chicago begraven. Maar in de Lichtstad waart zijn geest nog rond…

De pistolen waren achtergelaten op de tribunes. Evengoed werd het één grote bloederige slachtpartij. Want knuppels daalden neer op harde koppen en vuisten werden kapot geslagen op dronken smoelwerken. Ruim tweehonderd man ging met elkaar op de vuist. Een kloppartij die met de grootste moeite door een legertje politie kon worden beslecht.
De Zesdaagse van Boston editie 1901 kende een, wat je noemt, roerig eind. Na zes etmalen van harde strijd was het Floyd Mac Farland die met een fietslengte George Leander klopte.  George en Floyd dat lag elkaar niet. Volgens de Boston Globe sloegen ze, direct na de finish, elkaar flink op de bek. Voor supporters hét sein om hun steentje bij te dragen.
Georgieboy, een aardige gozer, lief voor zijn acht broertjes en zusjes, een begenadigd wielrenner, maar ook een grote ongeluksvogel.
Leander, luisterend naar de bijnaam ‘the Windy City Fat Boy’ was het  koersen in de States ontgroeid. Na winst in de six van New York én nationaal kampioen achter de zware motor, vertrok de Fat Boy begin juli 1904 richting Europa.  Zijn debuut op de Franse wielerbanen was een lekkere binnenkomer. Achter gangmaker Cissac werden in een tijdsbestek van twee weken drie wedstrijden gewonnen. Voor de vierde koers, gehouden in het Parijse Parc des Princes, was Georgie zwaar favoriet. Tegenstanders waren Eugenio Bruni en Bobby Walthour.
Voor twintigduizend toeschouwers draaide Cissac de gashendel van zijn motor wagenwijd open. Ongetwijfeld had Leander de koers op zijn naam geschreven om daarna nog héél lang en gelukkig te leven. Maar niet heus. Iets lulligs als twee losse jasknopen werd voor George de opmaat voor een enkeltje richting ‘betere wereld’…
Gangmakers, van oudsher onbetrouwbaar volk, doen alles wat verboden is om hun renner maar te bevoordelen. Ook Cissac. Twee knopen van zijn jas stonden ‘per ongeluk’ open. Verboden! De renner heeft dan te veel voordeel van de motorzuiging. Met George in winnende positie werd de koers gestopt. Jas dichtgemaakt. Opnieuw gestart.
The Windy City Fat Boy trok woest ten aanval, lette één seconde niet op, en knalde tegen de motor. Zwaargewond werd de Amerikaan afgevoerd  naar het Beauyon Hospital waar hij twee  dagen later zijn laatste adem uitblies. George Leander, 21 jaar, werd in thuisstad Chicago begraven.
En dan is het honderd jaar later. George heeft zijn plaatsje in de wielerhemel al lang en breed ingenomen. Het ‘oude’ Parc des Princes is inmiddels vervangen door een hypermodern stadion zonder wielerbaan. Maar er zijn toch talloze getuigenverklaringen die bij nacht en ontij uit het stadion een luguber geluid van een ploffende oude motor hadden gehoord. Je durft er toch niet aan te denken…?

Foto 1: The Windy City Fat Boy, Foto 2: De start van George’s laatste koers. Links Bruni, Leander en Bobby Walthour. Links: krantenknipsel uit de New York Times.

Bron: Radwelt jaargang 1905, The New York Times augustus 1904 , the Boston Globe, augustus 1904, Wikipedia.

Geen woord Nederlands bij de Onoverwinnelijke

De man kende een merkwaardige sportcarrière. Hij was vier keer veldloopkampioen van Frankrijk, maar vertegenwoordigde ook Nederland op de Olympische Spelen van 1908. Was Frankrijks bekendste hardloper, maar brak ook diverse Nederlandse  records: die decennia lang op zijn naam stonden. In Parijs maar ook in Rotterdam was hij een held. Als hij in de havenstad weer eens een grote wedstrijd gewonnen had, werd hij door fans op de schouders gehesen. Het volk wilde met hem gezien worden. Of hij met zijn supporters communiceerde, is hoogst onzeker. Jacques Keyser sprak geen woord Nederlands.

Dat hadden ze moeten weten, dat hij niet de Franse nationaliteit had. Chauvinistisch als de Franse pers was, hadden ze hem dan nóóit de bijnaam l’ Invincible gegeven. Je kon het het   voornamelijk Parijse journaille niet eens kwalijk nemen. Als je niet beter wist dan was Jacques Keyser één van hen.
Keyser, sprak en leefde als een Parisien. Jacques, Nederlandse vader en Belgische moeder, woonde zijn hele leven al in de lichtstad waar hij als hardloper een zeer bekende verschijning was. Keyser, de ongekroonde koning in de Franse atletiek. Won vrijwel alle baanwedstrijden op de middenafstand. Was van 1910 tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog Frans kampioen veldlopen. De Onoverwinnelijke was een internationaal erkende atleet. De sportpagina’s maakte regelmatig voor Jacques ruimte vrij.  Zoals op maandag 10 januari 1910. Een dag tevoren was Keyser de snelste in de wedren van Versailles naar Parijs, waar hij tweehonderd vijftig hardlopers het nakijken gaf.
Keysers hardloopavonturen waren in zijn vroegere vaderland niet ongemerkt voorbijgegaan. Het toenmalige Olympisch Comité was er als de kippen bij. Als één van de negentien atleten vertegenwoordigde hij Nederland op de Spelen van 1908. Le Invincible bleek ook maar een gewoon mens te zijn. Volkomen uit vorm, werd hij in de series uitgeschakeld.
Meer succes had hij in Rotterdam, waar hij door Pro Patria, een lokale atletiekclub, was ingelijfd. De man kon aardig rennen maar sprak géén woord Nederlands. Voor het grauw maakte dat niets uit. Die had Jacques Keyser tot held verheven met alle enge bijkomstigheden. Voor Keyser moet winnen in de havenstad een helse ervaring zijn geweest. Met de overwinningsbloemen moest hij al zijn supporters eerst een hand geven alvorens op  warme schouderpartijen gehesen te worden.  Keyser die rende tot de Eerste Wereldoorlog stierf  in 1954 op negenenzestigjarige leeftijd.

Bron: Revue der Sporten jaargang 1911 en Wikipedia.

Foto’s: Keyser op weg naar de Franse veldlooptitel 1914, foto 2 en 3: Keyser tijdens de race Versaille-Parijs 1911.

‘Schitterende voorstelling, Wielrennen op ‘t Toneel’

Sportscholen kunnen niet meer zonder. En voor wielrenners is het dé manier om tijdens slecht weer hun conditie op peil te houden. In 1904 beleefde Nederland de primeur van de hometrainer. Met dank aan een obscuur variéténummer.

Dwergen, jongleurs, de sterke man, acrobaten, dompteurs, het doorgezaagde weesmeisje, én de vrouw met de baard. Frits van Haarlem had ze allemaal naar Carré gehaald. Maar wat hij nu op zijn bühne had was voor Amsterdam, maar ook voor Van Haarlem, dé variétékoning anno 1904, een echte primeur. Alleen Frankrijk had het eerder gezien. En nu was het in Nederland. Dat kostte Frits wel een aardige duit maar dan had hij wél iets te bieden: een duel tussen Jimmy Walthour en Dolly Warden, een wielrenner versus een renpaard. Ieder avond, een week lang. Kom dat zien, kom dat zien! ‘Schitterende voorstelling, Wielrennen op ’t Tooneel, de laatste Amerikaanse noviteit’ kopte de advertentie in het Nieuws van den Dag.
De Amsterdamse bourgeoisie, dol op sensatie, werd op haar wenken bediend. Een schuimbekkende knol tegen zo’n rare wielrenner. In Carré verscheen, zoals een journalist van het Nieuws van den Dag beschreef, ´een toestel gevormd door drie cylinders die door de voorstuwende beweging van het rijwiel uiterst snel in tegenovergestelde richting worden gedraaid´. Waarmee de introductie van de hometrainer een feit was. Dolly Warden, bereden door een zekere Kreamer, rende zich de schompes op een soort lopende band.
Volgens de journalist van dienst waren beide toestellen aangesloten op een grote ronde schijf met wijzers waarop het publiek de race kon volgen. De fantasie van de scribent nam gelijke tred met de snelheden op het toneel. ´De tijd zal niet ver weg zijn dat races niet meer gehouden zullen worden in open veld in weer en wind, maar binnenskamers´, pende hij ijverig.
Na de dressuur van babyolifantjes, besprongen door honden, én het optreden van Martinnetti & Grossi, ‘de beste kunstwielrijders ter wereld’, was het de beurt aan Walthour en Dolly Warden voor een race over achthonderd meter. Walthour, wiens tweelingbroer Bobby als stayer furore maakte, werd door Dolly met drie seconden geklopt. Het valt niet geheel uit te sluiten dat de race door Van Haarlem geregisseerd was. En dag later de ‘grote revanche’, liet hij, via een advertentie in de krant weten. Ook lokale wielrenners die zich geroepen voelden het tegen Dolly op te nemen, waren van harte welkom maar wel eerst even melden bij de directie van Circus Carré.
Ongetwijfeld kreeg beroepsrenner Kobus Vrouwes een aardige zak geld, want ook Kobus zette zijn reputatie op het spel en ging het duel aan met Kramer en zijn knol.
Zowel Jimmy Walthour als Vrouwes zijn weggezakt in de krochten van het wielergeheugen. Wat bleef was de hometrainer.

Foto 2: Kobus Vrouwes

Foto 2:  Hometrainwedstrijd in het Berlijn van 1909 met links Robl, Willy Arend en Peter Gunther.

Bron: Nieuws van den Dag oktober 1904, Revue der Sporten jaargang 1909.

‘Je moet ze aan het boksen laten proeven’

De partijen waren aardig. Het decor schitterend. En het initiatief valt niet genoeg te roemen.  De prestigieuze Ben Bril Memorial, gehouden in Carré liet zien hoe het ooit was. Keren de tijden van boksgala’s in Krasnapolsky en het Zonnehuis weer terug? Is er nog toekomst voor  de, dit jaar, een eeuw bestaande boksbond? Of balanceert het Nederlandse boksen op de rand van de afgrond? Stuyfssportverhalen, aanwezig in Carré, sprak met de man die het weten kan.

‘Het was een leuke avond. Deed denken aan de jaren tachtig. Maar toen stonden er alleen maar Amsterdamse jongens in de ring. En dat waren geen programmavullers hè, maar de hoofdpartijen. En nu? Ze bellen wat rond en dan staan er een Braziliaan en wat Oostblokkers in het Carré.’ Voormalig boksnestor Ruud van der Linden ramt meteen de spijker op zijn kop. Legt de hand op de zere plek. ‘Het Amsterdamse boksen maar ook die van het land, ligt op zijn kont’, gaat Van der Linden verder.
‘Geld voor kleinere toernooien waar het talent vandaan moet komen, is er niet meer’, sombert de voormalige kampioenenmaker. ‘Om mijn boksers van boksschool Albert Cuijp wedstrijden te geven, huurde ik voor een prikkie het Zonnehuis. Tegenwoordig moet daarvoor duizenden euro’s voor worden opgehoest.  Terwijl bokspromotors de grootste moeite hebben om een redelijk programma financieel rond te krijgen, groeien bij de concurrentie, want kickboksen, de bomen nog steeds naar de hemel.
Niet alleen geldgebrek is de oorzaak, maar vooral gebrek aan doorstroming van talent. Ooit was de hoofdstad, maar ook Rotterdam, de bakermat van het boksen. Iedere buurt kende zijn eigen boksschool, met een onuitputtelijke aanwas van talent. De bron is opgedroogd. De kleine boksschooltjes, uniek in hun soort, zijn verdwenen.
´Klopt´, vult Van der Linden, nu bestuurslid van het rayon Noord-Holland aan. ´Wat je nu hebt zijn grote sportscholen waar weinig of niets vandaan komt. De weinige aanwas die je hebt moet je aan het boksen laten proeven. Ze moeten wedstrijden hebben. Wij hebben daar een beginnetje mee gemaakt.´ Van der Linden heeft het over de instuifwedstrijden op zondagmorgen gehouden in Purmerend, Den Helder en in Amsterdam. ´Die partijtjes zijn bedoeld voor nieuwelingen, en junioren. Ze mogen niet te hard slaan, dan wordt er ingegrepen door de scheidsrechter. Het succes is redelijk. Er zijn al veertien jongens doorgestroomd naar de diverse competities.´
Dan is er nog die ene vraag. Waarom floreert het kickboksen wel? ‘Boksen is een Olympische sport, gebonden aan allerlei regels. Dan moet je aan allerlei eisen voldoen zoals gediplomeerde trainers. Kickboksen is wat dat betreft niet georganiseerd. Iedereen kan zomaar zo’n schooltje beginnen.’

Foto 1: Vissen in de Goelag-Archipel. Van der Linden op uitnodiging van Russische boksvrienden in Siberië. Foto 2:  Boksteam Albert Cuijp, met rechts de latere Europees kampioen Pedro van Raamsdonk . 
Foto 4: Het kampioenschap van Amsterdam 1915, gehouden in café Oost-Indie in de Watergraafsmeer.

‘Wij blijven in de Apollohal spelen’

Het kon er kolken. Spoken. De muren stonden dan bol en de pannen op het dak lagen te trillen. In de Apollohal gingen de profbasketballers van Amsterdam dan weer los. De kip met de gouden eieren werd geslacht want de club verkaste naar de sfeerloze Sporthallen Zuid. Met desastreuze gevolgen. Supporters bleven weg, en de inkomsten kelderden. Afgelopen voorjaar werd de club failliet verklaard. Met een beetje geluk keren oude tijden terug. Komende week start de nieuwe competitie met basketbalclub  Apollo als de grote nieuwkomer.

Het was een beetje ingezakt. Maar nu zindert het er als vanouds. Als je de Apollohal binnenkomt klinkt er weer geroezemoes. Er staat ‘iets’ te gebeuren. De Geest is weer terug in het basketbaltempeltje. Wat daar voor nodig was? Een fusie! De clubs Mosquito’s en Lely, de twee spelers van de hal,  hebben de handen ineen geslagen en zijn gefuseerd. De geboorte van basketbalclub Apollo was een feit.
‘Het is één grote club geworden’, vertelt Menno Fluks, coördinator van Apollo. ‘Dit is echt schaalvergroting. We hebben nu heel veel mankracht, dat werkt wél zo gemakkelijk. Apollo is goed opgezet. De nieuwe club heeft zeshonderd leden, dat geeft massa. De samenwerking was net zoals een verhuizing. Je gooit dingen weg en begint met een schone lei’.
Die lei was niet zo vuil als Fluks suggereert. Het basketbal in Zuid was de laatste jaren één groot succesnummer. Met name de jeugdteams van Mosquito’s behoorden tot de sterkste van dit land.  Waarom dan toch die fusie?  Antwoord: het faillissement van de Amsterdamse Basketbal Club, kortweg ABC genoemd.
‘Lely en Mosquito’s vormden een zogenaamd basketballbolwerk met ABC’, legt Fluks uit. ‘De twee clubs kregen van ABC een geldelijke ondersteuning. De profclub de revenuen. Talentvolle jeugdspelers stroomden door naar de Sporthallen Zuid. Met de teloorgang van ABC zijn er veel jeugdspelers zonder contract gekomen. Deze jongens dreigen voor topbasketbal verloren te gaan.’ Fluks heeft het over Jessey Voorn, Aron Royé, Mattijs Hak, Jirian Roodheuvel, Dimeo van der Vaart, Simon Fluks, spelers, niet alleen uit de jeugdopleiding van Lely en Mosquito’s,  maar ook vaak al vaste waarden in het Nederlands team. ‘Door de economische crises vinden deze jongens geen contract’, gaat Fluks verder. Wij hebben ze opgevangen. Ze spelen nu voor Apollo in de promotiecompetitie’, of trainen gewoon mee in afwachting van iets anders.
Je hoeft geen waarzegger te zijn om te voorspellen dat met zo’n talentvol team de kans groot is dat de eredivisie weer gloort. Oude tijden in de Apollohal? Volgens Fluks kan dat zomaar.
‘Als wij ooit eredivisie gaan spelen, dan maken wij niet de fout die ABC maakte door in Sporthallen Zuid te spelen. Wij blijven in de Apollohal.’ Maar daar zit hem ook de kneep. De hal moet geschikt gemaakt worden voor topbasketbal. En daar hangt een prijskaartje aan. ‘Alleen al aan scheidsrechterskosten zijn we zo’n beetje duizend euro per wedstrijd kwijt.
In de eredivisie speel je vaak twee keer per week, al met al een heleboel wedstrijden. Dus reken maar uit. Dan hebben we het nog niet eens over bijkomende kosten als een spelersbus, de verzorging en trainers, laat staan de spelerscontracten. We zijn bezig met sponsors te zoeken.’

Foto’s: Boven Mattijs Hak, Jessie Voorn, en onder Simon Fluks, drie spelers uit de jeugd van Mosquito’s, waren profs in Spanje en in Weert. Door de economische malaise  nu als amateur bij bc Apollo. Foto’s: Hilco Koke. 

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 68 other followers