Terug naar aanrecht, fornuis en wieg

Deze week is in Duitsland het wereldkampioenschap voetbal voor vrouwen van start gegaan. In negen stadions gaan zestien teams strijden om de cup waarvan huidig wereldkampioene Duitsland de grote favoriet is. Met in hun achterhoofd dat er al 670.000 kaarten zijn verkocht belooft de  Fifa dat het één groot feest gaat worden. Dat hadden die Rotterdamse meiden in 1913 nou nooit kunnen bevroeden. Zelfs niet in hun meest woeste en natte dromen. Fatsoenlijke vrouwen voetbalden niet! Wie dat wel deed was volgens de algemene mores een hoogstverdachte feministisch manwijf. Alle hulde voor die meiden uit Rotjeknor die zich daar niets van aan trokken en voor de Eerste Wereldoorlog een voetbalclub oprichtte. Een lang leven was dat niet beschoren. In de zomermaanden werd een paar avonden gespeeld en daar bleef het bij. Het was de N.V.B. de toenmalige voetbalbond die het verbood. De Revue der Sporten vond rennende meiden achter een bal maar helemaal niks. Volgens hen was voetbal een mannelijk spel dat de vrouw niet ten goede komt. Of zoals de redacteur van dienst als foto-onderschriftje maakte, ‘terug naar het aanrecht, fornuis en wieg’. 

Kijk ook op: http://www.sportgeschiedenis.nl/2011/06/29/voetballende-vrouwen-moet-je-vangen-en-opsluiten.aspx

Bertus op zijn Norton en Tinus op zijn BSA

In dichte drommen waren meer dan vijftigduizend toeschouwers met de boot, trein, motor, auto, bus naar de TT van Assen, editie 1932, gekomen. Onder hen ook Bert Prinsen Geerlings, verslaggever van het blad Sport in Beeld. Bert vond het eigenlijk allemaal gekkigheid, zo liet hij zijn lezers weten, dat  al die mensen van heinde en ver waren gekomen om de ‘ganschen dag het gokspelletje van Mager Hein te aanschouwen’. Voor hem waren de coureurs die met een gemiddelde van 136 kilometer over een Drentse grintweg jakkerden, rijp voor een ‘verbeter-inrichting’.
Bert, op de perstribune en ijverig tikkend op zijn schrijfmachine, zag klokslag tien uur ‘den strijd ontbranden’. De klassen 175 cc, 250 cc en 350 cc startten gezamenlijk. In ronkende volzinnen noteert de man minutieus ieder doorkomst, waarbij de namen van Engelse coureurs in de kolommen over elkaar heen buitelen. Zag Bert dat nou goed? Warempel, bij de tweede doorkomst zag hij landgenoot Van Gent op de derde plaats aan zich voorbijstuiven om die vervolgens niet meer terug te zien. Terwijl Prinsen Geerlings op zijn typemachine zat te ratelen, zat Van Gent met een kapotgescheurde achterband op het Israëlische kerkhof ergens aan het parkoers gelegen. Tijdens de race rook van Gent de lucht van verbrande rubber en meende dat zijn rem was vastgelopen, wat niet zo was maar een moer van zijn achterspatbord die tegen de band aan liep. Het was een wonder, tikte Prinsen Geerlings, dat Van Gent met die formidabele snelheid zijn machine mét ontplofte band tot stilstand wist te brengen.
 Dat er aan die coureurs een klein steekje los zat, werd voor Bert maar eens bevestigd. Motorcoureur Nico Kuyper, gestart op een DKW, kwam over de finishlijn op een FN-motor. Aan de achterkant van het parkoers kreeg Nico pech en tot zijn stomme verbazing stond aan de kant van de weg de FN-motor van concurrent Milhoux, die in geen velden of wegen was te bekennen:  logisch, want de man  was even daarvoor met gillende sirenes afgevoerd naar het ziekenhuis. Milhoux, zware hersenschudding kon zich later zijn val niet meer herinneren.
Als Bert zijn lezers goed nieuws wil vertellen, moet dat in de middag gebeuren, als de 500 cc van start gaat. Bij het vallen van de startvlag, ziet de Sport in Beeld-scibent Bertus van Hamersveld als eerste wegspuiten. Voor Bertus, rijdend  op een Eysink, een Hollandse machine, moet het voor eigen publiek geen pretje zijn geweest. Na de tankbeurt in de tiende ronde krijgt Bertus met grote moeite zijn motor aan de praat.
Er volgt een inhaalrace, die voor  Van Hamersveld bijna fataal afloopt. Op een doodstil weggetje tussen de vette en bloeiende heidevelden krijgt de Eysink-machine een vastloper. Bertus wordt gelanceerd.
Uiteindelijk kwam niet veel later een eind aan  Bertus’ gejakker, als hij op Zandvoort een ernstig ongeluk krijgt. Bertus, bij wie een been geamputeerd werd, begon in Bussum een motorzaak. Na zijn overlijden kwam zijn houten been op de kartbanen van Tom Coronel te hangen. Volgens Tom, kleinzoon van Bertus, had zijn opa model gestaan in ‘Oerendhard’, de kraker van Normaal.

Foto 2: De start van de 175cc, 250 cc en 350 cc. Foto 3: Rechts winnaar van de 500 cc de Engelsman Hunt.

Lakmoesproef in Sportquiz der Nederlanden

Het theatertje bevindt zich in het oog van de orkaan want vlak om de hoek raast de krankzinnigheid van Amsterdams rosse buurt. Hoerenlopers, blowers, junken, dronken Engelsen en hordes toeristen hebben in de Pieterspoortsteeg niets te zoeken. Geen sex- noch peepshow in het Parooltheaterje waar die avond de maandelijkse bijeenkomst is van de ware sportfreak. Gelijkgestemde mannen en een enkele vrouw, liefhebbers van de uitslagenlijsten, en opstellingen uit lang vervlogen tijden worden door Frenk der Nederlanden, sportjournalist bij Het Parool, middels een quiz getest op hun vermeende sportkennis. Frenk, op podium voor scherm, legt de spelregels uit en sluit af dat er over de uitslag niet ‘gecorrespondeerd kan worden’. Streng maar rechtvaardig zullen we maar zeggen. Maar toch zit de amicale stemming er goed in, waar het huisbier, Prael met 8 procent, hoogstwaarschijnlijk een kleine bijdrage aan leverde. De quiz begint al goed met de eerste vraag. Hoe bij schaken de openingszet e4, c5 genoemd wordt. En of we ook de namen wisten wie al die voormalige Ajaxspelers wiens naam met een D begon, en wie de laatste Engels mannelijke winnaar bij Wimbledon was. En wat was ook alweer de naam van dat grote stadion in Montevideo?  Stuyfssportverhalen moest ter plekke lossen om maar het juiste jargon te gebruiken.  De avond wordt afgesloten met de uitslag en prijsuitreiking. Voor Stuyfssportverhalen dagelijks uren doorbrengend in de ‘oude sportboeken’ was dat een hard gelag want net onder de middenmoot geëindigd. Evengoed is de Sportquiz der Nederlanden een heel leuke avond en voor de sportliefhebber een aanrader. En hoe de opening e4, c5 genoemd wordt? De Siciliaanse natuurlijk!

De Sportquiz der Nederlanden,  Het Parooltheater, Sint Pieterpoortsteeg 33. Info: http://www.parooltheater.nl

Jupke de held van het Bronsgroen Eikenhout

Als je elf jaar beroepsrenner was en je nam maar drie keer de bloemen mee naar huis ben je niet echt een winnaarstype. Toch nam Jupke Franssen  zijn plaatsje in de wielergeschiedenis in door de allereerste titelrace voor beroepsrenners gehouden in 1927 op zijn naam te schrijven.

Jupke was niet echt een winnaar: om maar even een open deur in te trappen. Ver voor het woord underdog bekend was, zweefde dat bij Jup in een tekstballonnetje boven zijn hoofd. De man kon aardig klimmen, vloog iedere koers erin om dan met lege handen te eindigen. Als een papegaai op de schouder van een piraat zat de pech aan hem gekleefd. Hoe vaak Jupke niet in gewonnen positie lag, om dan op een lullige manier ten onder te gaan. Jup kon daar een boek mee vullen. Maar er waren ook van die dagen dat op Jupke geen maat stond. Het waren er maar héél weinig, maar toch. Zoals in het kampioenschap van Limburg 1927, bezocht door tienduizenden en gehouden op en rond de Cauberg.
Jupkje Franssen geboren en getogen in het Limburgse Ubbachsberg, was die dag dé held van het Bronsgroen Eikenhout. Jup speelde met de complete concurrentie. Schroeiend werden de heuvels genomen en met zeshonderd meter voorsprong op nummer twee, kwam Franssen grijnzend over de streep.  Geboren kampioenen zijn per definitie dé favoriet maar ook  dodelijk voor de sport. De sympathie legt altijd bij de sjlemiel, de gesjochte, de man die strijdend ten onder gaat. Je kon er dan ook op wachten dat Jupke na zijn overwinning door de massa op de schouders gehesen werd. Jup was sowieso razend populair in het Limburgse.
Koersend in het interbellum, tijdperk van de krankzinnige records, keek niemand raar  op toen Jup in 1928 aankondigde een aanval op het nationaal 24-uurrecord achter een auto te doen. Voor Jupke stond er direct een actiecomité klaar. Van alle kanten stroomde geld binnen, gedoneerd door middenstanders, mijndirecties, werklieden, misdienaars en pastoors. Autodealers stelden vier auto’s beschikbaar. Achter een auto voorzien van een gangmakersrol en gevolgd door materiaalwagens met drie reservefietsen, tien wielen, twee dozijn tubes en voldoende eten om een weeshuis te voeden,  raasde Franssen, op de Napoleonsbaan tussen Grathem en Blerick een etmaal lang naar zijn record van bijna zevenhonderd kilometer. Jups merkwaardige record is allang vergeten. Stoffig ten onder gegaan in oude, vergeelde jaargangen van sportbladen.
Jup Franssen, dat modale Limburgse beroepsrennertje heeft ondanks zijn bescheiden erelijst tóch geschiedenis geschreven. Nadat de nationale wielerkampioenschappen voor amateurs en profs gelijktijdig gehouden werden, besloot de N.W.U., de toenmalige wielerbond, in 1927 de titelrace te splitsen. Jup flikte die dag wat niemand voor mogelijk hield. Voor hém en niemand anders werd het Wilhelmus gespeeld. Na een zware val in de ronde van Vaels stopte Jupke Franssen in 1933 met koersen en opende in zijn geboortedorp Ubachsberg een fietsenzaak. Nadat zijn zoon Harry de zaak overnam, wordt  anno nu de zaak bestiert door Jups kleinzoon Jo.
Jupke Franssen, een al lang vergeten Limburgse volksheld, stierf in 1975 op zesenzeventig jarige leeftijd.

Bron: Revue der Sporten jaargang 1927, Nieuwe Rotterdamse Courant jaargang 1928.

Zaanse Jaap hield ‘in den vreemde de eer hoog’!

Hij was ooit de held van de Zaanstreek. Kon niet door de Zaanse stegen en straten lopen zonder herkend te worden. Werd door de toenmalige nationale sportpers vergeleken met een coryfee als Jaap Eden. En is anno nu totaal vergeten, weggezakt in de collectieve sportanonimiteit. Niet helemaal terecht. Honderd jaar geleden werd  Jaap van Westrop in het ‘verre’ Budapest onverwacht Europees kampioen worstelen.

Volgens de Revue der Sporten, hét sportmagazine van 1910, ging er een vreugdekreet door heel den lande. ‘Want een zoon van onze stam had, in den vreemde, de eer hoog gehouden en kwam zegevierend uit de strijd.’ Hoofdredacteur Leo Lauwers, nooit verlegen om de boventreffende trap te bewandelen, vergeleek hem, al met Jaap Eden. Daar had Leo het dus helemaal mis mee. Jaap Eden, naar wie een ijsbaan vernoemd is maar ook ’s lands meest prestigieuze sportprijs, heeft anno nu de status van een legende. Jaap van Westrop is totaal vergeten.  En dat is niet helemaal terecht. Jaap, middengewichtworstelaar, schreef wel degelijk sportgeschiedenis.
Als volkomen outsider greep de ‘eenvoudige Zaandammer’ zoals Lauwers hem omschreef, de Europese titel worstelen. En dat in Hongarije, een land waar worstelen zo’n beetje de volkssport was. Om zeker van succes te zijn, had de lokale organisatie alles in het werk gesteld om een Maygar te laten winnen. Nadat hij getuige was van een oneerlijke zenuwoorlog, had Henry Rademaker, Revues correspondent ter plaatste, maar ook voorzitter van de krachtsportbond, zijn pen flink geslepen.  Zondags werd Van Westrop vier keer de mat opgeroepen, pende Henry venijnig, om vervolgens weer weggestuurd te worden. Uiteindelijk mocht Jaap een dag later zijn kunsten vertonen. Henri bespeurde ook een oneerlijke indeling van de partijen waarbij hij de vaste overtuiging had dat de buitenlanders steeds tegenover elkaar stonden om zodoende tenminste een Hongaar in de eindstrijd te brengen. Het moet een vreselijk toernooi voor Rademakers zijn geweest. De man zag nog véél meer onrecht aan zich voorbijkomen. Tot zijn ontzetting constateerde hij, dat als er een Hongaar aan het worstelen was, de jury, geheel tegen de regels in, uitsluitend uit diens landgenoten bestond. Amsterdammer Pöfinger, lid van de nog steeds bestaande worstelclub De Halter, was daar het slachtoffer van.
IJskonijn Van Westrop maakte zich daar niet zo druk om. Met een lichte armblessure won Jaap, geheel tegen de verwachtingen van alles en iedereen in, het kampioenschap bij de middengewichten. Jaap’s Europese titel sloeg in als een komeet. De gehele krachtsportbond was naar het Weesperpoort-Station gekomen om Van Westrop een heldenontvangst te geven. Na een spontane rondtocht door Zaandam, waarbij Jaap onthaald werd met kransen, speeches en toejuichingen, nam Jaap van Westtrop langzaam maar gestaag zijn plekje in de anonimiteit weer in.

Foto 1: Jaap van Westrop, foto 2: De ‘prachtige beker, door Jaap gewonnen in Budapest’. foto 3: Het complete bestuur van de Krachtsportbond was uitgerukt naar het, inmiddels gesloopte Weesperpoort-Station, om Jaap van Westrop te ontvangen. In het midden, met overwinningsbokaal Van Westrop.
Bron: Revue der Sporten jaargang 1910.

En Johnny koos eieren voor zijn geld

Dat renners met bosjes doodvielen, behoorde tot het risico van het vak.  Daar kregen ze meer dan vorstelijk voor betaald. Maar dat toeschouwers hun leven niet meer veilig waren, dat werd het Pruisische ministerie van binnenlandse zaken té gortig. Nadat in het  Berlijn van 1909 negen toeschouwers tijdens een stayerskoers de dood vonden, mochten er voorlopig geen koersen gehouden worden. Veel hielp het niet….
Bij zijn collega’s stond de man bekend om zijn zuinigheid, sommige anderen noemde hem gierig. Amsterdammer John Stol was zo’n echte ‘knakenpoetser’, die iedere zilveren gulden twee keer omdraaide om die vervolgens in een ouwe sok te stoppen. John was beroepsrenner die alleen voor de poen op de fiets zat. In 1907 won hij, in het Madison Square Garden, afgeladen met rokende, zuipende en vechtende Janken, samen met koppelgenoot Walter Rütt,  als eerste niet-Amerikanen de verschrikkelijke Zesdaagse  van New York. Zes dagen, en nachten je kloten ‘afdraaien’ wat staat voor 4398 kilometer, om dan met vijfhonderd dollar weer naar de Oude Wereld terug te reizen.
Vijfhonderd dollar, een eeuw geleden een aardig bedrag maar niet in Duitsland. Op de Duitse wielerbanen pompten renners daar niet eens hun banden voor op, gewend als ze waren om in één koers met een veelvoud naar huis te gaan. Maar daarvoor moesten ze dan weer wél, als stayer, hun leven op het spel zetten. Fietsen achter zware motoren was dansen op een vulkaan, want een uiterst link bestaan. Ondanks dat er al een tiental renners een dodelijke smakkerd had gemaakt, maakte John Stol de afweging. En die sloeg door naar zijn portemonnee.  Een stayersfietsje werd aangeschaft en gangmaker Krüger gecontracteerd. Verdiende Stol als sprinter in 1907 jaarlijks vierhonderd goudmark, twee jaar later rinkelden er meer dan elfduizend goudmark in zijn zak.
Met een vette bankrekening en zeven gewonnen koersen stond der Kleine Höllander, zoals de Duitse pers hem noemde, zondag 18 juli 1909 aan de start op de pas geopende baan van de Berlijnse Botanische Garden. Johnny Stol  mocht dan gek op geld zijn, maar liet zich niet helemaal daardoor verblinden. Ongetwijfeld speelde in zijn gedachten de Grote Prijs van Neurenberg, drie weken daarvoor, waar hij, in de vierennegentigste ronde een klapband kreeg. Met een ingezwachteld hoofd  stond hij een week later in Spandau weer aan het vertrek om vervolgens wederom een smakkerd te vallen.
De feestelijk versierde Botanische Garden was volgestroomd. De militaire kapel speelde op het middenterrein populaire deuntjes als Berliner Luft. Het massaal opgekomen publiek zong mee, de worstverkopers deden goede zaken, de zon scheen uitbundig, en de  heren schoven hun strohoeden achteloos naar achteren toen het startschot viel. Brullende en grommende motoren in de baan.
Met sluimerende angst én een schrijnende kop draaide Stol zijn rondjes. Driemaal is scheepsrecht moet in een flits door zijn hoofd gegaan zijn toen Stol die ene droge knal hoorde. Hoog in de bocht was de achterband van gangmaker Krügers motor gesprongen. De achteropkomende combinatie met gangmaker Borchhardt  en Fritz Ryser trachtte de vallende motor te omzeilen. Scherp stuurde Borchhardt omhoog. Rysers motor vloog met negentig in het uur over de balustrade midden in de afgeladen tribunes, en ontplofte. Negen mensen waaronder vier uit één gezin vonden de dood en vijftien anderen werden met zware brandwonden afgevoerd naar het krankenhaus.
Pruisische autoriteiten verboden onmiddellijk alle stayerskoersen in Berlijn. Veel hielp het niet. Veertien dagen later, toen het verbod opgeheven was, ontplofte op de baan van Chemnitz de achterband van gangmaker Wolff. Als een ongeleid projectiel vloog de motor het middenterrein op en botste tegen de Franse soigneur Deville, die onmiddellijk naar betere oorden vertrok.
John Stol, wonderbaarlijk aan het inferno ontsnapt, trok zijn conclusie en koos eieren voor zijn geld wat staat voor een wielercarrière zonder zware motoren.

Foto 1: Tussen de negen doden en vijftien zwaar gewonden de smeulende motor van Fritz Ryser.
Foto 2: De Grote Prijs van Zurich met winnaar John Stol.
Foto 3: Fritz Ryser ontsnapt aan de ramp maar stierf in 1916 onder verdachte omstandigheden in zijn Berlijnse flat.
Foto 4: De ansichtkaarten van het ongeluk waren niet aan te slepen. Altijd fijn om zo’n kaartje te ontvangen.
Bron: Radwelt 1909, Revue der Sporten jaargang 1907, de biografie van John Stol geschreven door Fredy Budzinsky en uitgegeven  in 1914.

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 68 other followers