Wie de wielergod lief heeft wordt vroeg geroepen

Juni 1948! Russische troepen sluiten de aanvoerwegen naar Berlijn af: de Koude Oorlog is een voldongen feit. In Brussel slijpt een jonge tekenaar nog maar even zijn potlood, en een jaar later verschijnt zijn stripalbum Kuifje en De Zonnetempel, waarmee Hergé, in die donkere, sombere jaren vijftig, generaties babyboomers intens gelukkige uren bezorgde. En als in Palestina Ben Goerion de Israëlische staat uitroept is, in Zwitserland de lokale wielerronde in volle hevigheid losgebarsten.
Op de steile hellingen van de Süsten-Pas, een monster van ruim tweeduizend meter, rijden Stan Ockers en Richard Depoorter, in zalige onwetendheid voor de verschrikkingen die nog te wachten staan, achter de ontsnapte Ferdinand Kubler en Jean Robic aan. Stan en Richard, jagend op eeuwige wielerroem, maar hun levenslot lag al angstig vast. Voor Depoorter duurde het bestaan op dit ondermaanse nog hooguit een kwartiertje: vijftien harde minuten van pijn en afzien voor hij zijn plaatsje in de Tragische Galerij van Gesneuvelde Wielerhelden kon innemen. Voor Stan, doodgevallen in 1956, tikte de doodsklok traag, maar onverbiddelijk nog acht jaar door.
Als er een pechprijs was geweest voor de meest onfortuinlijke coureur kwam Depoorter daarvoor in aanmerking. Prof geworden in 1937, werd zijn carrière geknakt door de oorlog. Als soldaat gevochten tegen de Duitse troepen om daarna in krijgsgevangenschap te verdwijnen. Vrijgekomen, won hij in 1943 de gedevalueerde koers Luik-Bastenaken-Luik. Nadat Amerikaanse troepen in 1944 België bevrijden, pakt Depoorter zijn carrière eindelijk weer vol op. In 1948, drieëndertig jaar oud en in de nadagen van zijn loopbaan als prof, naakte eindelijk het succes. Winnaar van wederom Luik-Bastenaken-Luik en uitverkozen om deel uit te maken voor de nationale Tourploeg. Maar eerst nog even de ronde van Zwitserland.
Richard Depoorter, veteraan uit de Tweede Wereldoorlog,  wist Duitse kogels en granaten te ontwijken, maar werd uiteindelijk tóch door De Dood ingehaald. In een onverlichte tunnel tijdens de afdaling van de Süsten-Pas kwam Richard ten val. De achteropkomende ploegleiderwagen, een T-Fordje met Lomme Driessens en chauffeur Louis Hanssens kaggelde over Depoorter heen, met fataal afloop.
 April 2011! Berlijn bruist als nooit tevoren, de Koude Oorlog ligt alweer twintig jaar achter ons. Israel vecht nog steeds voor zijn voortbestaan en Kuifje is inmiddels cultureel erfgoed geworden. En Richard? Met een jaarlijkse koers, de Grote Prijs Richard Depoorter  wordt zijn naam in Vlaanderen  levend gehouden. En, o ja, 29 april is het zijn vijfennegentigste geboortedag.

Foto 1: Een sterfende Depoorter. Foto 2: Het doodsprentje van Depoorter, speciaal voor Stuyfssportverhalen ter beschikking gesteld door Nick Vanbraeckevelt, een jonge verzamelaar van militaria.


Hoe Snoek heel Zweden de adem liet inhouden

Heel Zweden hield de adem in en managers zagen kapitalen verdampen. Deze week is het precies negenenveertig jaar geleden dat voormalig wereldkampioen zwaargewicht,  Ingmar Johansson, in thuisstad Stockholm, door Wim Snoek, een volkomen onbekende outsider, in  de eerste ronde werd  neergehaald. Een scheidsrechterlijke dwaling voorkwam dat de Amsterdammer zijn plekje in de boksgeschiedenis kon innemen.

De Zweedse pers had medelijden met hem. Dat Wim Snoek een pak slaag ging krijgen, stond  voor hen al vast, maar de mate waarin was nog onduidelijk. Snoek was hooguit een aardige ‘voorbijganger’, warm vlees, een sparringpartijtje voor de Zweedse volksheld Ingmar Johansson, die nog steeds zicht had op een wereldtitelgevecht. Van die Snoek, al een week in Stockholm, begrepen ze sowieso niets. De Scandinavische  pers beschreef hem als ‘rustig, en sympathiek’, maar allesbehalve een gedreven bokser. Ze vonden de Amsterdammer er een nogal vreemde voorbereiding voor een gevecht op na houden.
In de lokale boksgyms was Snoek niet te bekennen. In plaats van te trainen ging Snoek met zijn vrouw Jeanne de stad bezichtigen. Dat weekje trainen schreef  de Mokumse zwaargewicht op zijn afgetrainde buik. In de, inmiddels legendarische  boksschool van Piet ter Meulen, een kelder aan het Amsterdamse Singel, had hij zich maandenlang in het zweet gewerkt. Wim Snoek, die jongen uit de Jordaan, dertienvoudig nationaal kampioen,  stond geestelijk en lichamelijk op scherp,  maar onderschatte zijn Zweedse tegenstander niet.
 Een week voor zijn gevecht tegen Johansson verklaarde hij aan Het Parool, dat hij niet bang was voor Johansson, maar ook verwachtte hij dat het de zwaarste partij uit zijn carrière ging worden. Om te besluiten dat hij niet naar Stockholm was gekomen om zich af te laten slachten. Iets wat hij ging bewijzen ook. De man hield zijn woord.
In de Koninklijke Hallen van Stockholm, voor meer dan vijfduizend bezoekers, was de eerste ronde vijftig seconden oud toen Johansson, tweede op de wereldranglijst, en toekomstige uitdager voor een wereldtitelgevecht, zijn dekking achteloos verwaarlosde. Met een  ‘verraderlijke maar perfecte linkse hoek’ werd dat door Snoek afgestraft. Voor een uitverkochte zaal vol verbijsterende Zweden ging ‘Ingo’, zoals zijn bijnaam was, neer en bleef knock-out op het canvas liggen.
Een ‘piepeltje’ als Wim Snoek mocht niet winnen, want daarvoor waren de financiële belangen in Ingmar Johansson té groot. De Zweedse scheidsrechter, niet vies van chauvinisme, hielp daarbij een handje. De man treuzelde expres met tellen. Als neutrale toeschouwers  dertig seconden hadden geteld, was de ringrechter  pas bij zes tellen gekomen: genoeg voor Johansson, die inmiddels op zijn benen stond. De volgende ronden zag de voormalige Zweedse wereldkampioen kans om te herstellen en in de vijfde ronde lukte het hem eindelijk om zijn ‘gevreesde rechtse’ te plaatsen: bij Wim Snoek ging het licht uit.
Een dag na het gevecht waren de Zweedse media unaniem lovend over de kwaliteiten van de Amsterdamse pugilist en vonden het jammer dat een ‘bokser met dergelijke kwaliteiten  de laatste jaren geen betere tegenstanders heeft gehad.’
Na zijn gevecht tegen de Amsterdamse zwaargewicht stond Ingmar Johansson nog twee keer in de ring en stopte een jaar later definitief.  Wim Snoek ging nog vier jaar door, vocht daarin zestien partijen en stopte in 1966.

Foto 1: Wim Snoek, Foto 2: Het graf van Wim Snoek op de Nieuwe Oosterbegraafplaats.

Bron: Het Parool, april 1962.

De dood van de fietsende opticien

Later! Nu niet! Dat opticiendiploma komt nog altijd van pas. Slechtziende mensen hou je altijd! Met die wetenschap in zijn achterhoofd gaf hij zijn baan als opticien op. Amper  achttien jaar oud, ruilde hij de brillen en monturen in voor een racefiets. Een fataal besluit. Precies honderd jaar geleden, onder de ogen van zijn moeder, verongelukte Fritz Theile.
Zie je wel dat ik gelijk had, riep Theile naar zijn moeder. Frau Theile, een sceptische toeschouwster bij de Goldener Rades, een sprinttoernooi op de Berlijnse wielerbaan, zag zojuist haar jongen de overwinning pakken. Voor moeder en zoon was het een beladen dag, bloednerveus als ze waren. Het was Fritz’ première als sprinter, waarbij hij meteen met de hoofdprijs naar huis ging. Hoewel Fritzie nog koersen won in Dresden, Keulen, Hamburg en Leipzig was het toch ‘eerste gewin kattengespin’.
Fritz Theile, geboren en getogen Berlijner, bleek na zijn flitsend debuut als sprinter toch niet over zulke snelle benen te beschikken. Na drie achtereenvolgende jaren zijn prijsjes gepakt te hebben, maakte hij ook zijn financiële balans op: ruim negenduizend goudmarken. Niet echt een bedrag waar hij wakker van lag.  Om als programmavulling te dienen, daar voelde de voormalige opticien niet veel voor. Maar  om met de staart tussen de benen terug te keren in de wereld van brillen, monocles en monturen deed hem pas echt huiveren. De uitnodiging om met stadsgenoot Wegener een tandemkoppel te vormen kwam dan ook als geroepen.
In de winter van 1907 reisden de jonge Berlijners  af naar Parijs, waar op de lokale winterbaan de Grote Prijs van Parijs, een tandemkoers over honderd kilometer op het programma stond. Voor Fritz Theile werd het een gedenkwaardige avond, want de geflopte sprinter bleek tot zijn stomme verbazing over een ongekend duurvermogen te beschikken: wat uiteindelijk het voorspel tot zijn dood inluidde.
In een veld van achttien koppels, geharde kerels afkomstig uit Vlaanderen, Frankrijk en Duitsland grepen de Berlijnse jochies het zilver. Een tweede plaats die helemaal op rekening van Theile geschreven kon worden. Fritz Theile, lenzenslijper uit Berlijn, bleek een rationeel denkend mens te zijn voor wie één plus één nog steeds twee is, en koos direct voor de uiterst lucratieve, maar levensgevaarlijke stayerssport. 
1908 was voor Theile nog een leerjaar maar de twee jaren daarop maakte der Fritzl korte metten met de concurrentie. In twee jaar won de Berlijner dertig grote koersen, waar hij meer dan tachtigduizend goudmark mee opstreek. En dan is het 4 juni 1911, de Grote Pinksterprijs van Berlijn. Aan de start in het uitverkochte Zehlendorfstadion de Amerikaan Bobby Walthour, de Deen Gustav Janke, de Franse stayer Jules Miquel en publieksfavoriet en stadsgenoot Fritz Theile. De dertigste ronde. Gangmaker Hodle draait hoog de bocht in als hij achter zich een doffe klap hoort. 
Fritz Theiles, wiens voorband was gesprongen, smakt op het beton. Tot ontzetting van iedereen maar vooral van moeder Theile, rijdt de achteropkomende motor van gangmaker  Reckzeh met renner Miquel, over Fritz’ nek. Reckzeh en Miquel  kunnen er niet omheen en vallen ook. Het inferno is kompleet als als de motor brandend op het middenterrein vliegt, en  Fritz Theile zijn laatste adem uit blaast. Fritz, 27 jaar, werd onder massale belangstelling begraven op Friedhove zu Wilmersdorf
Twee jaar later, de Memorial Fritz Theile een jaarlijks terugkerende stayerskoers om de gedachtenis aan de stayerende opticien levend te houden. Het scenario voor de koers werd geschreven door Magere Hein himself. Hans Lange een jonge stayer komt ten val. Met een gebroken schedel meldde Lange zich drie dagen later bij Fritz Theile.

Foto 1: Theile achter Hodle en Schmidt, Foto 2: Fritz Theile passeert Reckzeh en Miquel, enige seconden later verongelukt Fritz.(foto: Theo Buiting). 3:  Fritz Theile. Foto 3: Fritz’ graf. 

Bron: Radwelt jaargangen 1902 t/m 1911.

Houtje-touwtjeploeg al succesvol

De ploeg kent geen manager noch verwende vedetten en de sponsoring is bescheiden te noemen. Bij Wielerteam Amsterdam, bestaand uit voornamelijk studenten, wordt door de renners, noodgedwongen, alles zelf geregeld. Ondanks dat, is het eerste grote succes binnen. In maart werd de ronde van Groningen, een klassieker over honderdtachtig kilometer,  gewonnen.

Gebrek aan dramatiek kan Florian Smit niet ontzegd worden. Volgens hem kostte het bloed, zweet en tranen om het team op poten te zetten. Twee jaar geleden was er niets. Amsterdamse renners die studeerde maar ook nog eens op niveau hun sport wilden bedrijven stonden voor een groot dilemma. Studeren en koersen dat kan,  maar dan wél op recreatief niveau.  Dure, prestigieuze wielerploegen zitten in de regel niet op een  fietsende student te wachten.  Door tentamens en andere verplichtingen zijn die niet altijd in te zetten. Smit, zelf wielrenner en afgestudeerd fysiotherapeut weet dat als geen ander.
Twee jaar geleden startte hij het project ‘Team Amsterdam’ benaderde daarvoor Ulysses, Olympia en wielerclub Amstel, de hoofdstedelijke wielerverenigingen. De clubs zagen het wel zitten, leverde hun renners, vrijwel allemaal studenten, en team Amsterdam was een feit. Volgens Smit wordt de ploeg, noodgedwongen,  door de renners zelf gerund. Er is geen manager, geen opgelegd en uitgestippeld beleid. Smit vindt dat leuk, dat geeft veel plezier, voldoening. Hij heeft het over een ‘houtje-touwtje-team’. Sponsors werden binnen gehaald, die de renners nam een fiets en een pakket koerskleding voorzagen.
En wat recreatief managen nog meer betekent?  Dat is bijvoorbeeld gebruik maken van de faciliteiten van het Universitair Sport Centrum: een sportcomplex dat op een dure Amerikaanse campus geen misplaatste indruk maakt. Aangezien het hele team uit vrijwel studenten bestaat werd daar, voor een habbekrats, de hele winter in het krachthonk door gebracht. Met succes. Eind maart won Jim van de Berg de ronde van Groningen.
De studentenploeg bestaande uit een vierentwintig renners heeft er zin in, barst van het moraal om maar een wieleruitdrukking te gebruiken. Bij de ploegvoorstelling, vorige maand, uiteraard in het USC, mochten de renners hun zegje doen. Aardige jongens met rode konen, beetje verlegen vol met ambitie en totaal niet blassé  vertelden over hun plannen voor dit seizoen. Daniel Korevaar was niet aanwezig. Korevaar, vorig jaar winnaar van een bergetappe in de ronde van Ruanda, loopt als aankomende arts co-schappen en kon zich niet vrij maken. Patrick Bos was er wel. Bos heeft niet alleen een paar turbodijen maar blijkt ook begaan te zijn met de gehandicapte medemens. Bos is stuurman op de tandem met achter zich Rinne Oost, een visueel gehandicapte sporter. In het Italiaanse Montichiari werd afgelopen februari het wereldkampioenschap voor visueel gehandicapte gehouden. Bos én Oost wonnen op de sprint het brons. Waar andere renners hardop droomden van een mooi wegseizoen daar sprak Bos de wens uit om volgend jaar mee te mogen doen aan de paralympics in Londen.
Alsof het een echte profploeg betrof heeft Team Amsterdam ook zo zijn eigen specialisten. Er zijn tijdrijders, sprinters en klimmers. Tot die laatste behoort Lars van der Vall, die, zoals het een klimmer betaamt, gezegend is met een broodmager en tanig lijf. Lars student Duits koerst, als zijn studie het toelaat, over de hele wereld, en won in de sterk bezetten ronde van Costa Rica vorig jaar een bergetappe.
Kopman van de ploeg is Jim van de Berg notabene pas een jaar op de racefiets. Van de Berg, 25 jaar leidde een turbulent studentenleven waarin ‘wijntje en trijntje’ maar ook een ‘rokertje’ centraal in stonden.  Van de Berg heeft het roer definitief omgegooid. Werd hij vorig jaar in de Ronde van Groningen gelost als een postduif, afgelopen maart won hij dezelfde koers met overmacht. Volgens  Van de Berg, een fietstalent, zijn er in het peloton veertig man die harder kunnen rijden dan hij. Jim, inmiddels afgestudeerd bewegingswetenschapper,  zegt slim te zijn, en vertrouwt op zijn vlijmscherpe eindsprint. Thomas Kruithof is een van de weinige werkende, en moet daardoor zijn tijd creatief indelen. Getraind wordt s’morgens én s ávonds naar en van het werk. Ondanks dat heeft Thomas in het peloton een reputatie op te houden als een hardrijder die het peloton flink pijn kan doen.
Team Amsterdam heeft weinig geld maar rijdt toch een internationaal programma maar niet in de zogenaamde ‘wielerlanden’. Met goedkope vliegtickets en op invitatie van de organisaties werden deelgenomen aan koersen in Kameroen, Ruanda, Marokko, Japan en Costa Rica.

Foto 2, en 3: Jim van den Berg. Fotograaf: Hilco Koke.

Wereldkampioen met dank aan een kat

De man stond twintig jaar  in de boksring. Vocht meer dan negentig gevechten waarvan er vijfenvijftig op knock out werden gewonnen. Verloor slechts vijf keer. Werd in 1897 wereldkampioen. Was tien keer getrouwd. Verdween, als verdachte van een moord, voor levenslang achter de tralies van de San Quentin gevangenis, waar hij acht jaar later, mede door zijn waanzinnige populariteit, weer werd vrijgelaten. Was de uitvinder van de ‘kurkentrekker-hoek’ en was berucht om zijn soms hilarische trucs. Deze week is het eenenzeventig jaar geleden dat Norman Selby, alias Kid Mc Coy, afreisde naar een betere wereld waar hij werd ontvangen door de Grote Ringrechter.

Ga als bokser nooit maar dan ook nooit op het uiterlijk van je tegenstander af. Geheid dat je dan wakker wordt in de kleedkamer. Met dat witte, weke lijf oogde Norman Selby eerder als een slappe deegstengel dan een geharde profbokser. Hoogst waarschijnlijk maakte Peter Jenkins deze ontstellend fatale fout. Het was Peter vergeven. Op een warme zomerdag, juni 1891, had Peter de primeur om als eerste tegenstander tegen de negentienjarige Selby te vechten. In de vierde ronde werd Jenkins tegen het canvas ‘gespijkerd’.
In Anderson, Indiana, Selby’s dorp, sloeg dat in als een bom. Prompt werd Norman vergeleken met T.A. mcCoy, de dorpslager, lokaal befaamd om zijn biefstukken én harde knuisten. Hoger kon je als eenvoudige boerenknuppel niet komen en met de bijnaam Kid mcCoy stapte Norman, als middengewicht, de komende twintig jaar in de ring. In Selby,  die magere minkukel, bleek een heuse vechtmachine schuil te gaan, die in zijn gevechten tot het gaatje ging. In 1897 greep de Kid de wereldtitel tegen Dan Creedon. Kid mcCoy was zo’n geobsedeerde vechter die ten koste van alles wilde winnen. Als het niet op een eerlijke manier ging dan ging de trukendoos wagenwijd open.
In Australië vocht mcCoy tegen een reusachtig grote inheemse tegenstander waarvan bekend was dat die op blote voeten bokste. De Kid, die voor het gevecht, in de ring, heimelijk een hand vol punaises had gestrooid, won het gevecht. Ook de Nederlander Henry Placké, een vuistvechter van twee meter groot, maakte kennis met de sluwe McCoy.  De veel kleinere Kid, die niet bij de kop grotere Placké kon komen, maakte tijdens het gevecht zijn tegenstander op attent dan diens veters los zaten: wat niet zo was. Heel, héél even liet de Hollandse domoor zijn blik naar beneden zakken. Voor Norman Selby, alias Kid mcCoy, net genoeg om zijn tegenstander neer te halen.
Dat een slap ogende bokser als Norman Selby fysiek sterke tegenstanders knock out wist te slaan had hij te danken aan zijn kat. Het viel de vuistvechter op dat zijn kat met diens linkerpootje een schroevende beweging maakte als het naar een draadje sloeg. Bij de eerstvolgende training sloeg mcCoy met een schroevende beweging op een stootzak, die tot zijn verbijstering, scheurde. De ‘corcscrew’, een dodelijke ‘hoek’ was een feit.
Kid mcCoy, een eenvoudige boerenjongen afkomstig uit Indiana had niet alleen veel te danken aan zijn eigen kat maar bleek voor de rest ook een grote poezenliefhebber te zijn: de man was tien keer getrouwd geweest. En dat moest een keer fout gaan. In 1932 verdween Selby voor levenslang in de San Quentin gevangenis want veroordeeld voor moord op Theresa Mors een van zijn minnaressen.
Volgens Johnny Cash is San Quentin ‘a living hell’, maar niet voor Norman Selby. De man, mateloos populair bij het volk,  kreeg wekelijks zakken met post, en pakketen met geschenken. Na zeven jaar nor werd een actie op touw gezet om mcCoy gratie te laten krijgen. In het comité van aanbeveling, vice-president Curtis, Al Jolson en generaal Mc Arthur. Selby kwam vrij met de restrictie geen contact meer te hebben met vroegere vrienden, geen alcohol drinken noch gebruik maken van zijn beroemdheid. In de belevingswereld van Kid mcCoy was dat geen leven. Op 18 april 1940, logerend in hotel Tuller, in Detroit maakte de Kid, 68 jaar, er een einde aan. In zijn afscheidsbrief wenste hij zijn vrienden het allerbeste. En het speet hem dat hij de waanzin dezer wereld niet langer kon dragen.

Foto 1: Kid mcCoy, foto 2: rechts mcCoy, foto 3: de begrafenis van Theresa Mors, Foto 4: Kid mcCoy vlak voor zijn dood.

Bron: Sportief jaargang 1951, San Fransisco Chronicle jaargang 1932,

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 68 other followers