Blote been noch arm

Den Haag had de primeur! Op 31 oktober 1915 stonden in de residentie meer dan honderddertig renners aan het vertrek voor de eerste grote veldrit uit de geschiedenis. En in het peloton was blote arm noch been te ontdekken. In het calvinistische Nederland van negentig jaar geleden zwaar verboden. Het land van kruideniers en dominees, waar, in de alkoof, de liefde bedreven werd met de borstrok aan, en katten per definitie in het donker te grazen genomen werden, had een speciale wet aangenomen die wielerwedstrijden op de openbare weg verbood.
Om dat gebod te omzeilen gaven organisatoren hun koers de titel ‘betrouwbaarheidsrit’. Of de laatste kreet opging in Den Haag is hoogst twijfelachtig. De N.W.B., de toenmalige wielerbond, verordende hun onderknuppel Karel Last tot parcoursbouwer: en die  had daar zo zijn eigen ideeën daarover. Lust liet de renners, opgesteld in zeven startrijen van twintig man, direct na de start over een groot ijzeren hek klauteren. Voor Lust was dat nog niet genoeg. Na het hek stormde de meute af op een sloot die alleen genomen kon worden met behulp van een smalle plank. Aangezien een beetje renner alleen aan zichzelf denkt , gold bij de sloot het recht van de sterkste. In de opstopping werd gevloekt, gedrongen, materiaal verkreukeld en werden petten afgeslagen. Hier en daar viel een klap. ‘De eersten zullen de laatsten zijn’, wordt al honderden jaren van de  kansel georakeld.  Vergeet dat maar! Zeker niet in Den Haag. Daar loonde het wel degelijk om vooraan te staan. Bij de eerste tien in de uitslag waren acht renners die op de eerste rij waren gestart.
De koers werd gewonnen door beroepsrenner Jorinus van der Wiel die de eenentwintig kilometer aflegde net binnen een uur. Voor Van der Wiel  was het Haagse veldritje een fijn ommetje. De man was wegrenner en niet de minste. Tussen 1915 en 1925 greep Jorinus vijf keer het nationale wegkampioenschap. Met zijn vijf titels heeft Jorinus zich aan het moeras der vergetelheid weten te ontrukken want voert, anno nu, de ranglijst met meeste gewonnen kampioenschappen aan.

Bron: Revue der Sporten jaargang 1915


De Schooljongen van Roxbury

Vloeiend sprak hij drie talen en stond ook nog eens ingeschreven aan de Universiteit van Boston. Gebrek aan intelligentie kon hem niet verweten worden. Zijn ruwe, fatalistische collega’s noemde hem spottend de Schooljongen van Roxbury. Waarom hij dan na twee vreselijke valpartijen waarbij hij voor de poorten van de hemel werd gesleept, tóch weer op zijn stayersfietsje stapte? Geld! Louis Mettling, zoon van straatarme ouders, moest in Duitsland, nog een tiental contracten afwerken alvorens hij een financiële buffer had om zijn studie af te ronden.

Het seizoen 1907 zal zijn laatste zijn. Voor een eenvoudige jongen, afkomstig uit Roxbury, een arbeidersbuurt van Boston was de aandacht, publiciteit, én de reizen naar het Oude Continent, verslavend. Maar hij liet zich daardoor niet verblinden. Louis Mettling wist verdomd goed waar hij mee bezig was. Als jochie van zeventien jaar werd Louis amateurkampioen van zijn land, wat beloond werd met contracten voor de Zesdaagsen van New York, Chicago, Atlanta, Milwaukee en Boston. De Amerikaanse Six, waar de geest van het Wilde Westen rondwaarde, waar het recht van de sterkste mores was, waar letterlijk alles was toegestaan en waar je als renner nooit wist of je heelhuids thuiskwam. Spektakel en bloed op de piste, dát werk dus.
Mettling, die vaak optrok met zijn stadsgenoot, stayerscollega  en vriend Hugh Mc Lean, had een stevige en soepele stamp in de benen maar een nog beter stel hersens. Ongetwijfeld is hij door McLean, een afgestudeerd chemicus,  daarop gewezen. Met de verdiende dollars werden eerst zijn straatarme ouders geholpen, waarna Louis zich inschreef aan de Universiteit van Boston. Als je geboren bent voor een dime word je nooit een dollar, om maar even de Amerikaanse munteenheid aan te houden. Na een jaar studie was het geld op. Voor Mettling, die weer in training was gegaan, kwam het aanbod, in 1907, van een Franse manager als geroepen.
In het spoor van andere Yankee-stayers als een Nat Butler, Hugh McLean en Bobby Walthour verkaste Mettling naar Frankrijk, waar hij op het Parc des Princes zijn illustere landgenoten maar ook de Franse top het nakijken gaf. Dat Mettling daarbij alle baanrecords tussen de tien en vijftig kilometer verbrak, was lekker meegenomen. Louis Mettling viel niet alleen op de wielerbanen op maar ook door zijn onberispelijke uiterlijk. Met een perfect studentenhoofd waar geen haartje verkeerd op zat, kreeg hij al snel de bijnaam de Schooljongen van Roxbury.
Bobby Walthour, afkomstig uit het diepe donkere zuiden van Amerika, had in Duitsland een grote naam op te houden. Herr Knorr, dé Duitse manager met een neus voor publiciteit, lokte de Schooljongen met een tiental contracten naar de Germaanse stadions. Niets leuker voor het volk dan een tweestrijd Mettling tegen Malle Bobby. Vrijwel direct in Duitsland ging het mis.
Op 9 juni, tijdens een koers in Dresden kwam Mettling zwaar ten val, brak zijn schedel en lag een tijdje bewusteloos op het cement. Om zijn studie én de toekomst van zijn ouders veilig te stellen startte de student, mét zware hoofdpijnen, twee weken later in de Grote Prijs van Dresden, waar de race wonderwel perfect verliep. Met zeven ronden voorsprong op de concurrentie ging Louis de honderdtweeendertigste ronde in. Door nooit opgehelderde reden, hoogstwaarschijnlijk een hersenattaque, kwam Mettling ten val en sloeg met zijn hoofd tegen de baan. Na niet meer bij kennis geweest te zijn, stierf de Schooljongen twee weken later. Geld om zijn lijk naar huis te brengen was er niet. Op het kerkhof van Tolkewitz, in de buurt van Dresden, mocht the Bostonian op de jongste dag wachten.
De dood van Louis Mettling, 22 jaar, was voor Hugh McLean het sein om onmiddellijk te stoppen met koersen achter zware motoren. Voor Hugh was het mooi geweest. Drie grote koersen werden door de chemicus, in Duitsland, gewonnen en aan de muur van zijn laboratorium hing het diploma behorend bij de Amerikaanse titel van 1905. McLean, lekker veilig in zijn lab achter de kolven en reageerbuizen. Wordt die in 1909 via de Boston Herald uitgedaagd door Elmer Collins. Elmer, nationaal kampioen van 1909, wilde met Hugh een weddenschap aangaan wie zich de beste stayer van Amerika mocht noemen. Dat moest je nou niet doen bij Hugh McLean, die onmiddellijk
de training hervatte. Op 4 september trainend op de baan van Boston, kwam Hugh, 28 jaar,  ten val en stierf ter plekke. Of Elmer Collins veel last van zijn geweten had is niet meer duidelijk. Wel dat hij, in 1982, stierf op vijfennegentig jarige leeftijd.

Foto 1 en 2: Louis Mettling

Foto 3: Hugh Mc. Lean

Foto 4: De begrafenis van Louis Mettling

Foto 5: Elmer Collins

Bron: Radwelt jaargang 1906 en 1907, Boston Herald jaargang 1909

De fiets van Hein

Vijftig jaar stond de fiets in een berging verscholen. Onder een dikke laag stof en vuil, met platte tubes én het stuur omhoog werd hij ontdekt door Stuyfssportverhalen. Volgens hedendaagse maatstaven is het een hopeloos, ouwerwets, gedateerd geval. Maar bij sporthistorici doet het het hart op hol slaan. Aan de racefiets van het merk ‘Nieuwenhoff’, kleeft namelijk een stukje onvervalste Amsterdamse wielergeschiedenis. Het is de koersfiets van tourlegende Hein van Breenen, zoon van een groentenman en geboren en getogen in de Nieuwmarktbuurt. Voor de niet kenners: begin jaren vijftig was Van Breenen dé meesterknecht van Wim van Est en Wout Wagtmans, en reed meerdere keren de Tour de France.
Oudere buurtbewoners kunnen het zich nog wel herinneren dat Hein, na zo’n Tour, gehuldigd werd, voor de groetenzaak van zijn ouders, in ‘zijn’ Korte Koningsstraat. Hoewel in Frankrijk actief op een fiets van het merk Locomotief, want sponsor, koerste Hein het liefst op zijn Nieuwenhoff, gebouwd in de Tweede Boomdwarstraat, hartje Jordaan.
Framebouwer Jan Nieuwenhoff had, in tegenstelling tot concurrent RIH-Sport, vlak om de hoek gevestigd, maar twee bekende renners op zijn merk rijden: Henk Faanhof en Van Breenen. En dat mocht iedereen weten. Nadat Faanhof, óp een Nieuwenhoff,  in 1949 de wereldtitel op de weg greep, voorzag  Ome Jan, zoals hij genoemd werd,  zijn fietsen met de kreet ‘Type Wereldkampioen’. En Van Breenen’s Franse avonturen verschenen ook de Reynoldsbuizen.  Hein van Breenen, prof van 1952 tot 1962, verkocht, na beëindigen van zijn loopbaan, de fiets aan buurman én vriend Ab Frantz.
Nadat Ab, 84 jaar, scherp van lijf en geest, een aantal jaren op zijn racefiets gereden had, verdween het karretje in de berging. Frantz, heeft Hein diens hele leven meegemaakt. Was zijn supporter, stond vooraan bij de huldigingen, ging met hem mee naar de koers en was erbij toen Van Breenen in 1990, een, later fatale, hartaanval kreeg.
Hein van Breenen, zestig jaar geworden  én Jan Nieuwenhoff, gestorven in 1964, zijn geschiedenis maar dé fiets is er nog. Als het vuil weg geveegd is komt ongeschonden lak te voorschijn. De fiets, afgemonteerd met toenmalig high-tech materiaal waaronder het allereerste spieloos trapstel gemaakt door Stronglight, is een stoffelijk relikwie van een rijk Amsterdams fietsverleden.

Snel leven en jong sterven

‘Jungen, doe het asjeblieft niet. Mutti maakt zich zo bezorgd over je, ik heb er slapeloze nachten van’. Ondanks de smeekbede van zijn moeder deed hij het tóch! Willy Schmitter, leerling apotheker, liet de pillen, potjes met zalf en hoestdrankjes voor wat ze waren en koos voor de levensgevaarlijke stiel van stayer. Willy, een jochie van nog geen twintig, tekende daarmee zijn eigen doodvonnis.

Willy was eigenlijk best tevreden met zijn leventje. Als leerling in de knusse apotheek, bij het goudgele licht van een olielamp, ontspannen, hoofdpijnpoeders in papiertjes vouwen, hoestdrankjes klaarmaken en, als de gelegenheid zich voordeed, even met de winkelmeid in het magazijn rollebollen. Zo kon hij wel honderd jaar worden. Maar Willy Schmitter maakte die ene fatale vergissing: hij bezocht, voor de eerste keer van zijn leven, de wielerbaan van Keulen.
De apothekersleerling was verkocht! Hij moest en zou ook wielrenner worden. Een koersfiets werd aangeschaft en Willy werd sprinter.
Schmitter, inwoner van Mülheim aan de Rijn, een voorstad van Keulen, was niet alleen handig met de distilleerkolven, kon als geen ander mooie, puntige zetpillen draaien, maar was ook op de piste talentvol. Net achttien jaar, ging hij, in thuisstad Keulen, met de prestigieuze Rheingold-Pokal aan de haal. In zijn eerste jaar won de jonge pillendraaier elf koersen, eindigde acht keer op de tweede plaats en pakte zeven keer het brons. Aardig maar niet meer dan dat. Als sprinter kon je wekelijks de spijkers uit de wielerbaan rijden, maar meer dan een tweekolomsberichtje in de plaatselijke Zeitung leverde dat niet op.
Nee, dan zijn stadsgenoot Peter Günther, die als stayer bakken met goudmarken verdiende, een lawine publiciteit kreeg en daardoor alle lekkere Keulse meiden achter zich aan kreeg.
Snel leven en jong sterven! Vijftig jaar voor James Dean met deze kreet aan de haal ging, was het al van toepassing op die jongens achter de zware motor. Ook voor Willy, die in 1904 zijn witte jasschort definitief omruilde voor een proflicentie.
Willy Schmitter, het ventje met een babyface, net droog achter de oren, werd stayer. Voor het komende succes werd geïnvesteerd. Een peperdure gangmaakmotor, – betaald door pa en ma Schmitter, die zich hadden neergelegd bij Willy’s bloedlinke sport – werd gekocht. Met jeugdvriend Peter Eiffels op de motor, werden de wielerbanen bestormd.
Thaddy Robl, Piet Dickentman, Bobby Walthour, Paul Guignard, Bruno Demke, Thuur Vanderstuyft  en stadsgenoot Peter Günther, dé wereldklasse, de mannen die alle prijzen verdeelden, waar wekelijks honderdduizenden moffen naar kwamen kijken, kregen van het jeugdige duo ‘patje en klop’ waar ze maar wilden. Willy Schmitter, het jochie uit de apotheek, won vijftien koersen op rij, waarbij vijfentwintigduizend goudmark op zijn rekening werden gestort. Evenwijdig aan zijn bankrekening steeg ook zijn populariteit. Vooral in Keulen. ‘Ein Schmitter-Sieg’ was synoniem voor een Keulse uitbarsting van geestdrift als Willy weer een grote koers gewonnen had.
En dan is het 18 september 1905, het Europese kampioenschap, gehouden op de al wekenlang uitverkochte wielerbaan van Leipzig. Zenuwachtig om zich heen kijkend stond Willy naast Thaddy Robl, Paul Guignard, Louis Darragon, en Contenet. Hij kon het nog maar nauwelijks bevatten, als de motoren in de baan kwamen. Het startschot viel en Willy zal nooit meer het water door de Rijn zien stromen. Het Keulse bravourejochie dat dacht de hele wereld aan te kunnen, kwam ten val en werd door de motor van Contenet overreden. Met zware hersenletsel stierf Willy Schmitter, 21 jaar.
Nadat Willy zijn plekje in de Grote Stayershemel ingenomen had, werd hij Duitsland’s eerste cultheld. De media doken er massaal bovenop. De ansichtkaarten met Willy’s beeltenis waren niet aan te slepen: een horrorachtig plaatje van stayer Schmitter, met Mager Hein op de motor.   Willy’s laatste rit naar het kerkhof hoefde hij niet alleen af te leggen. Meer dan vijftigduizend  Keulenaars volgden de stoet, waarbij de politie de straten moest vrijhouden. Anno 2011 is Willy Schmitter in Keulen nog steeds niet vergeten. De grootste wielerclub van Rijnland draagt zijn naam.

Foto 1: De jeugdvrienden Peter Eiffels en Willy Schmitter.

Foto 2: Peter en Willy.

Foto 3: Het Europees kampioenschap, Schmitters laatste race. v.l.n.r. Schmitter, Robl, Guignard, Darragon en Contenet.

Foto’s: Archief Theo Buiting

Bron: Radwelt jaargang 1905

Het kleurrijke leven van een stripboekheld

Zo worden ze niet meer geboren. De man was namelijk zo’n ouwerwetse  held.  Amper zes jaar oud redde hij, zwemmend, vriendjes van een verdrinkingsdood, waarbij hij, en passant, nog even het Noord-Hollands Kanaal overzwom. Als stuurman op windjammers werden scheepsrampen overleefd. Werd vervolgens langeafstandszwemmer en zwom wedstrijden over de hele wereld. Verruilde zijn zwembroek voor een paar bokshandschoenen. Was zwaargewichtkampioen van Australië, Nieuw-Zeeland, San Francisco, Duitsland en Engeland. Of hij een fantast was die zijn eigen mythe creëerde is niet duidelijk. Feit is wel dat Henry Plackés leven een spannend stripboek was waar hij zelf de hoofdrol in vervulde.
De storm raasde en gierde door het want. Golven van apocalyptische afmetingen beukten op het dek. Als stuurman Henry Placké, een potige, brede  kerel van twee meter, omhoog keek zag hij dat het  grootzeil op punt van scheuren stond.  De Russische bark Atlanta, van Zuid-Amerika op weg naar Antwerpen, vocht al vanaf Schotland tegen de storm. De dertigkoppige bemanning was murw, gesloopt, maar nog even en de veilige Westerschelde was bereikt. Vaag was de Zeeuwse kust al te zien als die ene fatale golf zich op het schip stortte.
Het is najaar 1888 als de Atlanta, moe en kapot gebeukt, de strijd opgeeft en, op één man na, met man en muis in de golven verdwijnt. Na zestien uur zwemmen, spoelde stuurman Placké aan op de kust van Goeree. Placké dankte zijn leven aan zijn kracht, uithoudingsvermogen en de schoolslag. Henry, geboren in 1870, werd op negenjarige leeftijd in het Kattenburger Bad, dat niet meer was dan een afgeschut gedeelte van het IJ, zwemkampioen van Amsterdam: voor wat dat waard was.
Als zoon van een Amsterdamse scheepskapitein ging de waterrat bij de koopvaardij, werd stuurman en haalde met zijn schipbreuk alle vaderlandse kranten.  Ver voor het genre bekend was, leidde Placké het ultieme leven van een stripboekheld. Als een soort voorloper van Kapitein Rob, leed de Amsterdammer een jaar later wéér schipbreuk, ditmaal op de kust van Australië. En laat Down Under nou zijn Oom Frans wonen, de broer van zijn moeder. En laat diezelfde oom, een sportschoolhouder, Placké onder zijn hoede nemen. Henry Placké, de zoutwaterrat uit Amsterdam, werd langeafstandszwemmer, getraind door Oom Frans. Volgens hem zelf zwom hij in recordtijd van Australië naar Nieuw-Zeeland, versloeg lokale kampioenen bij de vleet, maar koos uiteindelijk, door een toeval, voor het boksen. Henry Wood, een boksende Aussie, was geïmponeerd door Plackés  reusachtige verschijning, en daagde hem uit voor een gevecht. Geheel in stijl van een stripboek, versloeg de held na een weekje trainen zijn uitdager.
Na het behaalde kampioenschap van Australië, en Nieuw-Zeeland, werd het hoog tijd om de  Australische bokskampioen William Fisher een lesje te geven. In het gevecht Fisher versus Placké  sloeg de laatste zijn opponent met één klap neer en werd daarmee twintigduizend pond rijker. Na gevechten tegen Kid McCoy, Tommy Burns, John Sullivan, en Jim Corbett, die hem voerden naar Amerika, keerde Placké terug naar Amsterdam.
Placké, die het gevoel moet hebben gehad met zijn harses aanstormende locomotieven te kunnen stoppen, begaf zich in het toentertijd  immens populaire worstelcircuit en daagde niemand minder uit dan Dirk van de Berg,  dé worstelaar van Amsterdam en omstreken.
Dirk, één van de merkwaardigste sportfiguren uit de Mokumse sportgeschiedenis, was, met zijn spierkracht, de aanjager op de fameuze ‘quint Mulder’, de vijfmanstandem die op de Europese wielerbanen onklopbaar was. Met de komst van de zware motor waarmee het stayeren een feit was, was er voor de quint geen emplooi meer, en Dirk kon zijn worstelpakje uit de mottenballen halen.
Placké begon,  naast zijn worstelactiviteiten onder ander in circussen, in de Amsterdamse Gravenstraat een boksschool waar, zoals hij in Revue der Sporten 1909 verklapte, het ‘wetenschappelijke boksen’  doceerde. Henry Placké, die op het eind van zijn leven manmoedig tegen een journalist vertelde dat hij ‘een prachtig leven gehad had en tevreden met alles was’, had het als stripheld toch niet zó goed gedaan. Eenzaam en berooid, zijn vrouw was jaren eerder met al zijn geld ervandoor,  stierf hij op vierenzeventig jarige leeftijd in het Sint Antonius Pension in Montfoort.

Foto: De ‘quint Mulder’met v.r.n.l. Jan Mulder, Jan Slesker, Dirk van den Berg, Jan van der Tuyn en Piet Dickentman.

Bron: Interview  J. Stigter met Placké 1943. Revue der Sporten 1909.


‘Ik ben zo Hollands als wat’

In het peloton van het marathonschaatsen, van oudsher gedomineerd door stoere, blonde, blozende kaaskoppen, valt hij met zijn tropische verschijning op. Luis Veen is niet alleen de enige rijder met een kleurtje, maar ook een talentvolle schaatser.

Hete chocolademelk komt met liters tegelijk uit een tapkraan. Aan meterslange houten tafels wordt, schouder aan schouder, zuurkool gegeten. Het bier komt uit Gulpen. Aan het plafond  honderden houten schaatsen en aan de muren schaatsparafernalia uit een ver verleden..  De Skeeve Skaes, een horecaonderneming op de Jaap Edenbaan is een unieke combinatie van café, restaurant; bruine kroeg, en schaatsmuseum.
Als het dagelijkse trainingsuurtje voor toerrijders en recreanten is afgelopen, loopt de Skaes vol met mannen en vrouwen gekleed in strakke en kleurrijke schaatspakken. Er wordt warme chocolademelk mét slagroom gedronken. Flarden van sterke schaatsverhalen dwarrelen rond. Boven monden verschijnen ‘bruine snorren’. Het is ‘Holland’, mét koek en zopie in het kwadraat.
Aan een tafel zit, gekleed in een ‘burgerkloffie’, een licht getinte jongen, door niemand opgemerkt. Dan doet hij zijn jack uit. Onder zijn kleding komt  een professioneel schaatspak te voorschijn. Uit een sporttas komen een paar hightech, spacy, schaatsen te voorschijn. Hij legt deze achteloos op tafel. De metamorfose is compleet. Onmiddellijk wordt hij door enkele recreanten herkend. Voor insiders is Luis Veen, spreek uit Louis, een talentvolle marathonschaatser.
‘Dit seizoen gaat het heel goed. Bij de laatste twee wedstrijden stond ik twee keer op het podium. Gisteren in Biddinghuizen werd ik tweede. Momenteel sta ik achtste in het algemeen klassement. Dat is een klassement over alle koersen die ik dit jaar gereden hebt’, vertelt Veen, uitkomend bij de b-rijders. Voor een schaatsknots land met ongeveer duizend marathonrijders in verschillende klasse, is de b-divisie het voorportaal tot het Nirvana, want de a-rijders met zijn profploegen. Veen, 25 jaar, kwam al een seizoen uit in de hoogste klasse maar kwam nog een maatje tekort. ‘Tussen die profs kon ik alleen maar de koers uitrijden. Het ging vreselijk hard. Heb bewust een stapje terug gedaan om lichamelijk sterker te worden. Dit seizoen eindig ik bij de koersen regelmatig bij de eerste tien. Vorig jaar, bij het nationaal kampioenschap werd ik vijfde.’
Luis Veen is als schaatser opgegroeid zonder natuurijs. Het was de periode van kwakkelwinters waarin hele generaties jonge schaatsers zich afvroegen hoe het schaatsen op Hollands en Fries natuurijs nou was. ‘Die ouwe knakkers met hun verhalen in de kleedkamers hadden er geen woord van gelogen. Man, schaatsen op buitenijs is het mooiste dat ik meegemaakt heb. Het publiek, de natuur, dat hele sfeertje eromheen. Twee jaar geleden kreeg ik, tijdens het nationaal kampioenschap, op de Oostvaardersplassen mijn vuurdoop. Onvergetelijk. Ik ben een allrounder,’antwoord hij op de vraag hoe hij zich zelf omschrijft. ‘Voor massasprints ben ik niet rap genoeg. Maar aankomst met een klein ploegje win ik. Ik ben een aanvaller. Vorig jaar heb ik twee keer een tweehonderd kilometer race op natuurijs gereden. Voor mij mag de Elfstedentocht deze winter doorgaan. Daar hoop ik vurig op. Conditioneel ben ik daar klaar voor.’
Alleen een visueel gehandicapte zal ontkennen dat Veen, in het doorgaans roomblanke peloton, niet opvalt.’Ik ben de enige rijder in het peloton met een kleurtje’, vertelt hij grinnikend. ‘Inmiddels zijn ze het wel gewend. Toen ik pas marathonrijder was, keken ze vooral in het oosten van het land daar nog wel eens raar van op. Vorig jaar, bij een criterium op de Weissensee, zat ik in de kopgroep. De microfonist riep meteen om dat Shani Davis, die zwarte Amerikaanse schaatser, in de kopgroep zat. Ik kan daar wel om lachen In principe ben ik zo Hollands als wat.’
Luis Veen, student Sport en Bewegen aan de Hoge School Holland, is geboren in Colombia. Op eenjarige leeftijd werd hij samen met zijn zusje geadopteerd door Henk en Saartje Veen. Het was vader Henk, een gedreven sportman, die zijn zoon de beginselen van het schaatsen bijbracht. ‘Mijn vader is mijn grootste fan. Maar niet op een vervelende opdringende manier. Door hem ben ik gaan schaatsen.’ Luis Veen dankt nog steeds het ogenblik dat hij geadopteerd werd. ‘Een paar jaar geleden zijn we met het hele gezin naar Colombia geweest. Ook naar Cartagena, waar mijn zusje en ik vandaan kwamen. Het was heel indrukwekkend maar ook confronterend. Ik zag kinderen van mijn leeftijd in grote armoede. Ik werd daar stil van.’
In  Colombia is het skeeleren, het zomerbroertje van het schaatsen, een volkssport. Speciale stadions zijn iedere week stampendvol en bij wereldkampioenschappen grossieren de mannen en vrouwen uit het Zuid-Amerikaanse land in de titels. Of voor Veen een nieuwe wereld opengaat? ‘Verschrikkelijk’, komt het hartgrondig uit zijn mond. ‘Van skeeleren moet ik niks hebben. Bij die sport heb ik niet alleen last van mijn enkels maar vind het ook nog eens bloedlink. Zomers hou ik mijn conditie op peil met het rijden van wielerkoersen.’

Foto’s: Hilco Koke

Geplaatst in 1, Schaatsen. Reageer »

De dood van de fietsende boekhouder

Het was pas dertig jaar daarvoor dat Duitse troepen Parijs in brand schoten. De Frans-Duitse oorlog van 1870, bezorgde Frankrijk een collectief trauma en een brandende haat naar alles wat naar Pruis rook.  Als een Fransman de kans kreeg de mof te vernederen, werd dat in het hele land toegejuicht. Op zestien augustus 1903 werd een kleine rekening ingelost. Voor een afgeladen Parc des Princes, dé wielerbaan van Parijs, raasde Paul Dangla naar een nieuw werelduurrecord achter de motor. Met tachtig kilometer reed Dangla het onaantastbaar geachte record van de Duitser Thaddeus Robl uit de boeken.
Voor het Franse journaille, niet vies van chauvinisme, was Pauls prestatie het sein om de kast met superlatieven open te trekken. In Dangla, 26 jaar, werd de toekomstige wereldkampioen gezien, de man die landgenoot én stayer, Emile Bouhours, wekelijks strijdend in Duitsland, kwam aflossen. Voor Dangla, een voormalige boekhouder afkomstig uit l’Agen in het zuiden van Frankrijk, lagen de vette contracten al klaar. Duitsland met zijn veertig wielerbanen en jaarlijks honderden stayerskoersen lag aan zijn voeten. Maar het was een klein lefgozertje afkomstig uit Londen dat Paul’s toekomstige tournee verstoorde.
Nog geen maand later, notabene in  het zelfde Parc des Princes, reed de, eveneens  zesentwintigjarige Tommy Hall, (foto: rechts beneden) een dreumes van nog geen 1.60 meter, het record van Dangla, met vierentachtig kilometer, de Seine in.
Halls record was een opmaat voor een huiveringwekkende revanche. Met veel gevoel voor spektakel zag de baandirectie van het Parc wel iets in een duel Hall-Dangla: en die kwam ook. De fietsende boekhouder versus Londense Tommy. Inzet: een grote zak geld, maar vooral de eer. Overvolle tribunes en op de wielerbaan twee brullende motoren in volle jacht. Sensatie op de Parijse piste. Dangla en Hall, (foto boven) zonder valhelm, met de kop naar beneden, enkele centimeters jagend en jakkerend achter de motor.
Er was maar één seconde van onoplettendheid nodig. Een weemakende klap. Het publiek hield de adem in. Tommy Hall, héél even de zijkant van de motor rakend, stuiterde op het cement en werd zwaargewond naar de kleedkamers gesleept (foto: linksboven). Een week later pakte de inwoner van l‘Agen zijn record terug, vertrok vervolgens richting oosterburen, om oppermachtig de Dreistundenren von Leipzig te winnen.
Na een druk winterprogramma op de Parijse wielerbaan was Dangla klaar om definitief de Duitse wielerbanen te bestormen. Hooggespannen verwachtingen bij het Franse volk én de pers. Dangla, voordat hij stayer werd een topsprinter met meer dan zeventig overwinningen, zal zich, eenmaal in de Heimat, ongetwijfeld afgevraagd hebben waar hij mee bezig was. Frankrijks hoop in bange dagen kwam tijdens een training in Berlijn zwaar ten val en was een maand uitgeschakeld. En dan is het 18 juni, de Golden Rad von Magdenburg. Een week eerder pakte Dangla op dezelfde baan de winst.
Paul Dangla, (foto: boven) dé favoriet voor het Gouden Wiel ging van start en zal nooit meer zijn geliefde l‘Agen terugzien. Door een schedelbreuk, veroorzaakt door een klapband, stierf Dangla in het harnas. Op het  cimetiére de Dolmayrac, in zijn geboorteplaats, werd de voormalige boekhouder begraven. Ter waarschuwing aan al die snelheidsduivels werd, op het graf,  zijn ongeluksfiets geplaatst maar ook een granieten gebroken kolom met de tekst ‘Paul Dangla, 1878-1904. Record du Monde Demi Fond 84 km575. Precies honderd jaar later, enkele dagen voor zijn sterfdatum werd de fiets van het graf gestolen.
Frankrijk weet zijn sporthelden op waarde in te schatten, laat ze niet in de vergetelheid wegzinken. Het gemeentebestuur van l‘Agen vernoemde een middelbare school naar hun illustere inwoner. Het Paul Dangla-College is ook nog eens gevestigd aan de Rue de Paul Dangla.
En Tommy Hall? Tommy de Mazzelaar! De eeuwige geluksvogel uit Londen. Een tiental keer zwaar gevallen, kende een succesvolle stayerscarriere, stierf in 1949 op tweeënzeventig jarige leeftijd. Tommy, begraven op het Londense Abney Park Cementery, kreeg van zijn vrienden een  grafsteen(foto: links) waarvan de laatste regel luidt: A Great Rider and Sportsman. En zo is het maar net!

Bron: Radwelt jaargangen 1903, 1904, de website van de gemeente l ‘Augen

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 70 other followers