De hemelgang van een lieve jongen

‘Jongen, als jij nou een nieuwe motor koopt, word ik je gangmaker. En dan zul je eens zien.’ Profetische en onheilspellende woorden van Constant Ceuremans. Binnen een jaar werd een volkomen onbekende Antwerpse metselaar in Europa een beroemdheid. Met de snelheid van het licht steeg zijn ster om die binnen twee jaar weer te doven. Op 21 juli 1909, bij een stayerskoers op de Brusselse wielerbaan, luidde de bel voor de laatste ronde. Voor Kareltje Verbist, op dat moment op kop in de koers werd dat het geluid van de doodsklok.

Niemand die wist wie hij was. Voor de Duitse pers, renners, gangmakers en het grote publiek was hij een grote onbekende. Weer zo’n  buitenlandse avonturier die achter de motor zijn leven op het spel kwamen zetten in de hoop daar rijk van te worden. Bij de Grote Prijs van München gehouden op 21 juli 1907 werd meewarig naar Karel Verbist gekeken. Dat ventje uit Vlaanderen mocht blij zijn dat hij als programmavulling mocht dienen. Voor publiekstrekkers Contenent en thuisrijder Taddy Robl,  was Karel een programmavullertje dat maar niet te veel in de weg moest rijden.
In Vlaanderen wisten ze beter. Kareltje Verbist, een metselaar uit Antwerpen, won in 1906 een vierentwintiguursrace waarvan de laatste drie uur achter de motor verreden werd. Dat joch kan wat, moest gangmaker Contant Ceuremans gedacht hebben. Op advies van Ceuremans kocht Verbist met geleend geld een motor: wat uiteindelijk het voorspel was voor een drama. Ceuremans en Verbist vertrokken naar Duitsland waar het duo mocht startten in   in de Grote Prijs van München, die verpletterend gewonnen werd. Kareltje, die dat seizoen alle grote stayerskoersen met winst afsloot, werd nooit meer uitgelachen. Twee jaar lang was  Verbist onklopbaar.
Wat waren ze trots in Vlaanderen, want hun Kareltje flikte het toch maar. Nadat de voormalige metselaar, een jongen van de gestampte pot, aan de pers ‘verklapt’ had dat al zijn verdiende geld naar zijn nooddruftige moedertje, een arme weduwe ging, was in Vlaanderen de cultus ‘Kareltje Verbist’ geboren. Dan is het 21 juli 1909 in België een nationale feestdag. Op de wielerbaan van Brussel werd dat gevierd met een grote stayerskoers.
Het was dat hij voor eigen volk moest koersen want het liefst had hij afgezegd. Karel Verbist, de man die onklopbaar was achter de zware motor van Ceuremans, was bang geworden. Nachtmerries had hij gekregen van dat ene kranteberichtje. Drie dagen ervoor was op de  Berlijnse wielerbaan bij een apocalyptische stayerskoers acht doden én eenentwintig zwaar gewonden gevallen.
Rauwdauwers als een Piet Dickentman, Demke, Vanderstuyft, en een handvol andere stayerende collega’s hadden hoogstwaarschijnlijk even geslikt, de schouders opgehaald en ijzerenheinig hun plaatsje achter de motor ingenomen.  Kareltje niet.  Karel Verbist  hield van het leven, mocht graag met zijn vrienden een pint drinken en daar was ook nog zijn moeder. Wie moest voor haar zorgen als hij verongelukte? Verbist werd met de neus op de feiten gedrukt, ging nadenken waar hij mee bezig was en werd vervolgens bang. Karel Verbist, volksjongen uit Antwerpen, held van Vlaanderen had geen trek in die koers, maar liet zich door Ceuremans ompraten.
Had hij maar naar zijn gevoel geluisterd.  De bel voor de laatste ronde klonk,  wat later de doodsklok was. Het  publiek begon Verbist, op kop, al toe te juichen, een geluid dat overging in een massale kreet van afgrijzen  toen in de voorlaatste bocht een knal klonk.  De achterband van Ceuremans motor was ontploft. Verbist stuiterde over het cement. De achteropkomende motor met gangmaker Meinhold kachelde over Kareltje heen. Met een verbrijzelde ruggengraat, gekloofde schedel en bloedend uit vele wonden stierf Vlaanderens ‘liefste jongen’.
Bij de  begrafenis van Verbist op de Antwerpse begraafplaats van Wijneghem, liep heel Antwerpen uit. Na een leven als een smartlap werd sportheld Karel Verbist, niet vergeten. Tot ver na zijn dood zong het volk: ‘Kareltje, Kareltje Verbist, had ge niet gereden op d’n pist, dan had ge nu niet gelegen, In Uw kist’.
Een schrale troost voor een renner die maar 26 jaar werd.

Foto 1: Op de Rivierenbaan van Antwerpen achter Constant Ceuremans wiens noodlot al bepaald was. Drieentwintig jaar later verongelukte Contstant.

Foto 2: 16 Mei 1909. Winnaar van het Gouden Wiel in Steglitz. Links naast Karel, gangmaker Ceuremans.

Foto 3: Karel met zijn ouders waarvan zijn vader niet veel later overleed.

Foto 4: Voor stayers in de ‘oudheid’ kon iedere dag de laatste zijn. Van het leven werd genoten. Na de overwinning van Thuur Vanderstuyft in de Grote Prijs van Europa gehouden in Leipzig 1908 werd na aflopen even een pint genomen. Helemaal rechts d’n IJzeren Thuur, zesde van rechts met platte pet Kareltje Verbist.

Foto 5: Heel Antwerpen nam afscheid van ‘lieve’Kareltje.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

 

‘Verdoemd moge hij zijn…’

Het was een gekkenhuis! Tot dertig kilometer in de omgeving was er geen slaapplaats meer te krijgen. En ’s morgens om zes uur, in het donker, mét bittere kou, trokken duizenden te voet richting wedstrijd. Uiteindelijk lukte het twintigduizend liefhebbers om een plaatsje rond de ring te krijgen. Komende maand is het precies tweehonderd jaar geleden dat in Sussex, Engeland, het, inmiddels historische, gevecht tussen Tom Cribb en Tom Molineaux  plaatsvond.
Als hij wéét dat hedendaagse boksers met beschermende hoofdkappen, gebitsbitjes,  en zachte handschoenen de ring ingaan komt hij onmiddellijk zijn graf uit. Tom Cribb en zijn collega’s vochten met de blote vuist. En niet van die lullige partijen met rondjes van drie minuten maar urenlang tot de tegenstander horizontaal de ring uitgedragen werd. Als dertienjarige jochie beschikte Tommie, geboren in 1781, al over een paar harde knuisten en het was beroepsbokser George Maddox die hem de beginselen van de pugilistiek bijbracht. Daar kreeg  de ouwe George ongetwijfeld veel spijt van.  Enkele jaren later sloeg Tom Cribb zijn leermeester tot twee keer toe knock-out, weliswaar in een wedstrijd maar toch.
Cribb, Engels kampioen in 1808, een titel die hij, na vele bloederige gevechten  veertien jaar, in bezit hield, behaalde zijn grootste zege op de Amerikaan Tom Molineaux, een voormalige zwarte slaaf.
Molineaux, opgeleid als bokser door zijn vader, bokste ter vermaak van plantage-eigenaren, tegen andere slaven. Door op zijn slaaf te wedden, werd Toms eigenaar daar honderdduizend dollar rijker van. Als dank kreeg Molineaux zijn vrijheid. Een jaar later nam de voormalige slaaf de boot naar Engeland, waar voor boksers het grote geld te verdienen viel. Je bent prizefighter of niet.
In een reeks vreselijke gevechten vocht Molineaux zich naar de Engelse top. En in december troffen de  Tommies elkaar met als inzet de Engelse titel. Het publiek kreeg waar het voor kwam: bloed en sensatie. Het gevecht, dat negenendertig ronden duurde, werd nipt gewonnen door Cribb. Als dank voor het kijkgenot, kreeg Tom Cribb van zijn supporters een zilveren beker met de inscriptie: ‘Verdoemd moge hij zijn, die het eerste roept: Houdt op! Genoeg!’ Een kreet rechtstreeks uit Cribb’s hart.
Een jaar later stopte Cribb als vuistvechter en werd herbergier van de King’s Arms in Londen.  In mei 1848 stierf Cribbs. Als eerbetoon werd de pub vernoemd naar Tom Cribb. Met foto’s aan de muur van latere kampioenen als een Lenox Lewis en Henry Cooper, waart de geest  van Tom nog steeds in de pub. En Tom Molineaux? Op zesendertigjarige leeftijd en volkomen berooid stierf de voormalige slaaf in Dublin.

Bron: de ‘wonderlijke’ databank van John Brouwer de Koning én Wikipedia

Heintje Zwijntje en knuppelende agenten op WK 1925

Het circus dat wereldkampioenschap wielrennen genoemd werd streek, in augustus 1925, neer in Amsterdam. Op de houten dwarslatjes van de toenmalige Stadionbaan ging de wereldtop zijn kunsten vertonen. Héél Amsterdam wilde dat zien. Iedere avond trokken vijftienduizend bezoekers richting Amstelveenseweg. Als het volk op de overvolle tribunes een plaatsje zocht en de burgemeester zijn kont in het pluche van de ere-loge parkeerde, testte de politie voor de poorten van het Stadion de kwaliteit van hun wapenstokken uit. En Heintje Zwijntje was er ook bij…

Het organisatiecomité had zó z’n best gedaan. Ze mochten in Europa eens denken dat Nederland een land vol met jochies was, die de hele dag hun vinger in de dijk staken gadegeslagen door bewoners op klompen. Een jaar voorbereiding was er aan voorafgegaan om het wereldkampioenschap foutloos op de kaart te zetten.  En evengoed eindigde de eerste avond in een echec, wat de schuld was van het stroperige optreden van de jury.
Het Amsterdamse publiek, gewend aan een snel programma tijdens de wekelijkse populaire koersen, moest tussen de stayersseries door steeds een half uur wachten. En dat werd niet gepikt. De ellende begon al om half acht als het startschot had moeten klinken voor de eerste stayersmanche. De spanning ruischt door de massa pent de sportverslaggever van het Algemeen Handelsblad. Maar wat er ook gebeurde, geen stayer te bekennen. Volgens de verslaggever kwam er op de tribunes een stemming die niet propagandistisch was voor het wielrennen.
Er werd gescholden, gevloekt, getierd, gefloten, en massaal met de voeten gestampt. Ook buiten de hekken gebeurden er spannende dingen. Achter de overdekte tribune stond iedere avond een grote ploeg opgeschoten jongens die hun uiterste best deden, om zonder kaartje binnen te komen. Nadat de politie dat verhinderd had, werd er met stenen gegooid, waarbij de ruiten van de kleedkamers sneuvelden. Met de lange wapenstok  knuppelde de massaal uitgerukte hermandad erop los en verdreef de ongewenschte gasten.
De hele week waren tienduizenden toeschouwers in het Stadion, waaronder, in de ere-loge, burgemeester De Vlugt, maar ook Prins Hendrik, de man van koningin Wilhelmina. De Prinsgemaal, een verwoed jager op vrouwen dan wel op zwijnen was ongetwijfeld heimelijk supporter van de favoriet, de Duitse stayer  Saldow. Heintje Zwijntje zoals zijn bijnaam in de Jordaan luidde, zag zijn voormalige landgenoot aan de dood ontsnappen toen de rol van zijn motor afbrak en Saldow daar miraculeus omheen zeilde.
Naast het fietsen was het organisatiecomité druk bezig met de pot stroop.  De vertegenwoordigers van de UCI en de internationale sportpers werden met reisjes naar Volendam, Marken en Edam gefêteerd. Bij die tripjes waren ook renners aanwezig zoals Ernest Kaufmann en Jaap Meyer. In Edam was er een ontvangst op het stadhuis waar iedereen, hoe origineel,  een edammerkaas kreeg.  De reis naar Volendam vond plaats op een trekschuit getrokken door paarden.
In het palingdorp woonde niet echt creatieve geesten die uitblonken in originaliteit. Met een ‘ter plaatse gemaakte’ aardewerkpijp gevuld met ‘goede tabak’, wat nog iets anders was dan een joint, stapte het gezelschap in het trammetje richting Amsterdam-Noord. Bij een van de tussenstops, vermoedelijk in Monnickendam, stapte Kaufmann uit en rende met de tram mee om op het laatste moment erin te springen: dát was even lachen.
Ging het in het Stadion niet helemaal soepel, anders was het gesteld met de huisvesting van de renners. Gelogeerd werd in hotel Hof van Holland waar de eigenaar een wielerfanaat bleek te zijn.
In het Hof kon je niet alleen actuele sportbladen uit de hele wereld lezen maar hing het ook vol met fietsen, banden en fietsshirts. Wat Gustave Ducoté, journalist  van het Franse sportblad le Miroir des Sports lyrisch deed uitroepen dat hij op al zijn reizen nog nooit zo’n wielerparadijs had gezien.
En wat Jaap Meiers en Ernst Kaufmann betreft, het tripje deed wonderen. Beiden werden wereldkampioen sprint. Meijer bij de amateurs en Kaufmann bij de profs.

Foto 1: Finale sprint proffesionals. Kaufmann wint met lengte van Schilles.

Foto 2: Iedere avond vijftienduizend toeschouwers.

Foto 3: finale sprint amateurs. Links de latere winnaar Jaap Meijer, rechts Antoin Mazairac.

Foto 4: Lang wist Jan Snoek stand te houden maar ook de Hagenaar bezweek onder de aanvallen van Grassin.

Foto 5: Halve finale sprint. Moeskops geklopt door Schilles.

Bron: Gemeente-Archief Amsterdam Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

De lijdensweg van een kampioen

Vijf juli, voor hem was dat een pikzwarte ongeluksdag vol rampspoed, een dag voor altijd in zijn hersenen gekerfd. Al kwamen de baandirecties met zulke vette contracten, op die datum bleef hij thuis, ging niet de deur uit. Vijf juli bleef voor Peter Günther, de rest van zijn leven  een trauma. En niet alleen voor Peter maar voor zijn hele familie.

Na achttien overwinningen op de weg vond de eenentwintigjarige Günther het tijd om de overstap als stayer te maken. Koersen op de weg was voor dwangneuroten, waar geen hond naar kwam kijken en dat bovendien geen pfenning opleverde. Roem, publiciteit maar vooral het grote geld vielen achter de zware motor te verdienen. Op vijf juli 1903 was het dan zover: in thuisstad Keulen, maakte Günther zijn debuut als stayer.
Vader, moeder, broertjes, zusjes, ooms, tantes, neven, nichten en de hele straat zaten op de tribunes om hun Peter aan te moedigen. Tegenstanders waren Vendrudi en Heni. Achter de rug van gangmaker Otto werd razend gestart. In de derde ronde kreeg, vermoedelijk, de hele familie Günther een hartverzakking toen de motoren van Vendredi en Heni op elkaar knalden. De aanstormende Otto, met poulain Günther, kon het  inferno niet ontwijken. Peter Günther  voor dood van de wielerbaan geschraapt werd met ernstige inwendige kwetsuren, gebroken ribben, én een gebroken bekken naar het Krankenlager afgevoerd, waar hij vier maanden verbleef.
‘Zie je  wel, jungen’, moet zijn moeder gezegd hebben, ‘Dat komt er nou van met dat gekke gedoe.’ Vier maanden helse pijn met een lijf verpakt in het gips, dat doet een normaal mens nadenken. Hoogstwaarschijnlijk zat aan Peter een steekje los, want eenmaal uit het ziekenhuis besloot hij zijn loopbaan als stayer te vervolgen. Een fatale beslissing!  Peter Günther die sinds zijn val niet meer zonder pijnstillers kon, nam zijn plaatsje achter de motor weer in. In 1904 streed Günther volop mee in de voorste loopgraven. Mannen als een Robl, Piet Dickentman, Bobby Walthour en Bruno Demke, de gevestigde orde, hadden hun handen vol aan der Kölner.
Met zeventien overwinningen én achttienduizend goudmark in zijn buidel, werd het seizoen afgesloten. Peter Günther, half invalide, zat definitief bij de stayerstop. Tot 1918 won Günther meer dan honderdvijftig koersen, en doneerde daarbij ruim een kwart miljoen goudmark. Of Peter, in 1911 Duits kampioen én wereldkampioen, arbeidsvreugde kende is hoogst twijfelachtig.  Op foto’s zie je een somber, angstig kijkende man die zich vertwijfeld lijkt af te vragen waar hij in Godsnaam mee bezig is. Terecht! Peter Günther een volksjongen uit Keulen maakte op ‘zijn werk’ de meest vreselijke dingen mee. En alsof de duivel er mee speelde gebeurde dat altijd op ‘zijn’ Keulse wielerbaan.  Zoals op 9 juli 1905.
Tegenstanders waren Willy Schmitter en Cesar Simar. Die koers was een herhaling van zetten, want na een botsing van twee motoren werd Günther wakker in het ziekenhuis waar hij enkele weken verbleef. Na nog twee ongelukken op dezelfde baan te hebben overleefd, is het 7 september 1913 als de Grote Prijs van Keulen verreden wordt. Nadat de voorzitter van de Kölner-Renn-Verein, Max Hellrung, de week eerder wereldkampioen geworden Guignard had gehuldigd, viel het startschot voor wat de geschiedenisboeken zal ingaan als één van de bloederigste stayerskoers ooit.
Met vlaggen strak aan de mast, volle tribunes,  warme worstverkopers die goede zaken deden, ging de koers van start. Heel Keulen had er zin in, wilde zien hoe hun Peter de Fransman Guignard het leven zuur ging maken. Spektakel kwam er. Door een klapband kwam de motor van gangmaker Gus Lawson ten val.  Peter Günther vloog er rakelings langs.  Lawson en de aanstormende Richard Scheuerman hadden dat mazzeltje niet. Gezamenlijk kwamen ze aan hun eind.
Peter Günther voor militaire dienst afgekeurd, stierf uiteindelijk tóch op het veld van eer. Op 6 oktober 1918, tijdens de Grote Herfstprijs van Düsseldorf, verongelukte de Keulse rolrijder. Bij een aanval op concurrent Wiszmann stopte de motor van Günther plotseling. Met een schedelbreuk werd Peter Günther naar het ziekenhuis gebracht waar hij dezelfde nacht overleed. Günther werd 36 jaar.

Foto 1: Peter Gunther, 22 jaar.

Foto 2: ‘Op foto’s zie je een somber, angstig kijkende man die zich vertwijfeld lijkt af te vragen waar hij in Godsnaam mee bezig is’.

Foto 3: Keulen 1 oktober 1905, de Herfstprijs. Links, Rossini, Dubois, Gunther, de later doodgevallen Louis Darragon en Bruno Salzmann.

Foto 4: Grote Prijs van Keulen, 7 september 1913. Vlak voor de fatale race met wereldkampioen Guignard op de foto.  Links Peter Gunther, Richard Scheuermann, een half uur laterdood, Guignard en Stellbrink.

Met lichtsignaal naar de volgende ronde

Vandaag begint in het Olympisch Stadion het jaarlijkse gala voor de gehandicaptensport. Heel misschien dat ze ook even stil staan bij Gene Hairston, een pionier in de gehandicaptensport. Als profbokser haalde hij begin jaren vijftig de wereldtop. ‘Silent’ Hairston was doofstom.

 

Hij was een rare snuiter, waar niemand zich mee bemoeide. De ‘Stille’ werd hij heimelijk genoemd. Dagenlang hing hij als jochie van vijftien jaar, zwijgend rond bij één van de vele boksscholen die het New Yorkse Harlem rijk was. En geen boksschool die hem binnen durfde te halen. Gene Hairston, een lone wolf met een paar jeukende vuisten was namelijk doofstom. In het Harlem van de jaren dertig een héél eng gegeven.
Als kind van twee jaar werd Gene, geboren in 1929, getroffen door kinderverlamming en werd als gevolg doofstom. In een tijd dat de grote depressie door de wereld raasde, moest de zoon van straatarme ouders zelf zijn kostje bij elkaar scharrelen. Zielig maar wél een hardingsproces waar hij in de ring veel profijt van had. Arm, zwart, doofstom, totaal geïsoleerd, mensenschuw én een minderwaardigscomplex werd hij door Mike Steel bokstrainer bij de Tremont Athletic Club, van de straat gevist. Steel die potentie in zijn poulain zag leerde Gene niet alleen boksen maar ook het liplezen.

Van een zielig hoopje mens veranderde Hairston binnen drie jaar in een gevreesde vechtmachine. Als amateur won hij het Golden Glove toernooi en werd Amerikaans amateurkampioen. Silent Hairston die leefde en knokte in een doodstille wereld heeft nóóit de ontploffing van gejuich in het Madison Square Garden gehoord toen hij als eerstejaarsprof de oersterke Paddy Young in de tweede ronde knock out sloeg. Beroemd werd hij in Amerika nadat hij de wereldtopper Lee Sala neer haalde. Gene Hairston die door lichtsignalen op attent gemaakt werd dat  een ronde op zat, bewees met zijn sport dat hij voor valide mensen niet onder deed. De Stille thans eenentachtig jaar, won in zijn carrière vijfenveertig gevechten waaronder vierentwintig door knock out en verloor dertien keer. In 1952 stopte hij al met het boksen.

Stayerende fatalist mét IJzeren Kruis eerste klas


Veertien jaar wist hij uit de knokige klauwen van de Dood te blijven. Dat waren jaren dat hij honderden keren  een blik aan gene zijde wierp, waarbij de adrenaline door zijn lijf gierde. Maar nu was het genoeg geweest. Zijn geluk was op. Op 24 augustus 1916, midden in de Eerste Wereldoorlog, vielen traag de laatste korrels van het leven van Bruno Demke door de zandloper van Magere Hein.

Gevaarlijk? Niet voor hem! Wat kon hem nou de Dood schelen. Bruno Demke was daar niet zo bang meer voor. Bij honderden koersen had de Berlijner aan de roulettetafel van Magere Hein gezeten met als inzet zijn leven. Tientallen zware valpartijen werden overleefd. Hij stond aan de vers gedolven graven van zijn kameraden én stadgenoten Alfred Gornemann, en Karl Käser, jongens nog, gesneuveld in het stayersgeweld. Bruno Demke, een stayerende fatalist met eelt op zijn ziel. Het was de poen, de glorie en de lekkere meiden die daarop af kwamen, maar ook de adrenalinekick die hem steeds maar weer zijn plaatsje achter de Brennabor-motor deed innemen.
Bruno Demke, geboren in het Berlijn van 1880, maakte na een korte carrière op de weg in 1903 zijn opwachting als stayer. Zijn debuut was sensationeel. Demke, gegangmaakt door zijn vriend Paul Dunkel, won achtereenvolgens in Kopenhagen,  Dortmund, Hannover, Keulen, Hamburg en Maagdenburg. Hoog genoteerde koersen waarbij  vedetten als een  Robl, Dickentman en Contenet door Bruno werden vernederd.  Dat de Berlijner ook nog eens meer dan vierenhalfduizend goudmark op zijn bankrekening kon bijschrijven was lekker meegenomen. Met Demke op de affiches haalden  baandirecteuren spektakel in huis, zoals bij de Grote Prijs van Berlijn op 19 oktober 1906.
Het was de laatste grote stayerskoers van het jaar en tienduizenden Berlijners waaronder de Duitse kroonprins  waren naar de uitverkochte Treptowerbaan gekomen om getuigen te zijn hoe hun immens populaire stadsgenoot Bruno nog één keer ging vlammen. Het vuur kwam inderdaad uit het beton. In gewonnen positie met nog één ronde te gaan, kreeg de motor van Dunkel een klapband. Gangmaker en renner stuiterden over de baan. De zwaargewonde Dunkel, wiens leven aan een draadje hing, werd met paard en wagen ijlings afgevoerd naar het Krankenhaus. Demke kwam er met flinke vleeswonden vanaf.
Na die bijna doodsmakkert leek het wel of de man behept met pech was. Tijdens de Grote Prijs van Maagdenburg én het Gouden Wiel van Steglitz, met negentig in het uur, kreeg de Berlijner een klapband met een zware kukel als bonus. Ondanks de malheur die aan zijn kont geplakt leek, behoorde  Bruno Demke tot aan de Eerste Wereldoorlog tot de sterkste rolrijders ter wereld.
Vanaf 1906 tot 1914 reed hij zesentachtig keer een ereronde waarbij hij zachtjes de sound van een rinkelende kassa hoorde veroorzaakt door tweehonderdduizend goudmark.
Demke, een man in bonus, kon zich materieel van alles veroorloven, maar voelde zich zonder spanning toch niet senang. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog moet de Berlijnse rolrijder ongetwijfeld een sprongetje van blijdschap gemaakt hebben. Als één van de eersten meldde Bruno zich als piloot bij de Fliegertruppe des Kaiserreich. Voor een adrenalinejunk als Demke die als stayer tientallen collega’s óf invalide dan wel dood zag vallen, moet het vliegen een genoegelijke bezigheid zijn geweest.
In zijn dubbeldeks Fokker mét mitrailleur, ging Demke, boven het Westfront, helemaal los, en werd hij binnen korte tijd met het IJzeren Kruis tweede klas en de Oostenrijkse Tapferkeitsmedaille onderscheiden. Zijn toekomstige plaatsje in het Walhalla werd veiliggesteld met het IJzeren Kruis eerste klas verkregen door met zijn in brand geschoten vliegtuig meer dan veertig kilometer over de Engelse linies te vliegen.
Als zwaargewonde oorlogsheld werd Demke naar de heimat getransporteerd. Hersteld maar mét afkickverschijnselen snakte Bruno Demke naar zijn dagelijkse adrenalineshot verkregen door spanning en sensatie: en die kreeg hij.
Op 24 augustus 1916 steeg van het vliegveld van Döberitz, in de buurt van Berlijn, een rode dubbeldeks Fokker op. Tien minuten later, hoog in de lucht, stokte de motor. Vliegtuig en piloot sloegen even later te pletter. Bruno Demke, de man bij wie de pechduivel op schoot zat, vervoegde zich niet veel later bij zijn gesneuvelde kameraden.

Foto 1:  1904, Met wapperende snor achter de  Brennarbormotor, mét windscherm en zonder helm. Op de motor Paul Dunkel die na zijn ongeluk nooit meer op een gangmaakmotor gesignaleerd werd.

Foto2 : Goldener Rad von Steglitz 1908. Van links naar rechts, Robl, Guignard, Ivan Goor, Piet Dickentman en Bruno Demke.

Foto 3: Oorlogsheld Bruno Demke.

Foto 4:  De Zehlendorfer Osterpreis 1911. Fritz Theile, boven, passeert Demke. Een paar ronde later klapte Fritz’ voorband. Fritz, 26 jaar, brak zijn nek.

Foto 4:  Na, van zijn oorlogsverwondingen hersteld te zijn begon Demke weer te stayeren.  De Grote Prijs van Hannover, 13 augustus 1916. Van links naar rechts Demke, Schipke, Thomas en Saldow. Het is de allerlaatste  foto van Bruno Demke. Elf dagen later verongelukte de Berlijner.

Foto 5: De onthulling van Demke’s  grafsteen.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

De profeet die nooit erkenning kreeg

Alhoewel nooit wereldkampioen geweest was hij één van de allersterkste stayers die dit land ooit had. Won in 1927 zesenvijftig grote internationale koersen. Heeft twintig jaar achter de motor gereden, verdiende bakken met geld maar scheerde ook regelmatig langs de afgrond van de dood. Anno nu is hij volkomen vergeten. Frans Leddy de stayerende profeet die in eigen land nooit geëerd werd.

Hard zijn. Alleen maar aan jezelf denken. En letterlijk voor niemand opzij gaan. Dat was het leidmotief van Frans Leddy. Nóóit vergat hij zijn begin periode! Het stond in zijn geheugen gebrand dat hij met zijn petje in de ene hand en vijf gulden in de ander op de Rijswijkse wielerbaan had moeten bedelen of hij, op zijn oude, aftandse materiaal, mocht trainen achter de motor.
Uit dié vernedering putte hij zijn latere hardheid, en egoïsme. In de beginjaren twintig  was het als beginnende stayer vrijwel onmogelijk om er ‘tussen’ te komen.  De gevestigde orde zat nou niet bepaald op dat piepeltje uit Den Haag te wachten. Mannen als Koos Storm, Schlebaum, Snoek, Blekemolen en Piet Dickentman, waren de renners die uit de ruif aten.
Van de baandirecties hoefde Leddy ook niet veel te verwachten. Die Leddy moest zich maar eerst in de kleinere koersjes bewijzen: wat hij ook deed. Na veel gelobby en gezeur kreeg de Haagse rolrijder in 1923 een contractje los in Parijs wat bijna zijn laatste optreden op dit ondermaanse werd.
Gereden werd achter de zogenaamde ‘petroleumtanden’ een loodzware motor bemand door twee man die op volle snelheid  ten val kwamen. Met gillende sirene werd Leddy, zwaar gewond, afgevoerd naar het ziekenhuis, waar artsen direct zijn been wilde amputeren. Door zich hier heftig te verzetten wist Leddy zijn been én  zijn stayerscarriere te redden.
Frustraties, weten dat je het kan maar niet erkend worden, dát is de beste dope voor een aankomende renner. Nog harder werd er getraind, nog meer werd er ontzegd. En bij het nationale kampioenschap van 1925 was de doorbraak.
Het was zo’n kampioenschap dat alleen maar in jongensboeken voortkomt. Na vijftig kilometer pech krijgen, voordat een nieuwe motor in de baan kwam vijf ronden achterstand die Haagse Fransje nét voor de finale goed maakt. Enfin, publiek op de banken en baandirecties met wapperende contracten.
Frans Leddy een simpele rolrijder uit Den Haag wist verdomd goed dat, als het pap regent, je je bordje buiten dient te zetten. En die pap viel met bakken uit de hemel in Duitsland. In de stayersgekke heimat met zijn vijfenveertig wielerbanen, jaarlijks honderden koersen, vijftig topstayers, onderging Leddy, tijdens de Grote Prijs van Hannover, zijn vuurdoop die hij met een overwinning afsloot.
Voor het grote publiek kreeg  Leddy’s naam een magische klank na een valpartij tijdens de Grote Prijs van Munster. Niets gebroken maar totaal ontveld werd Frans door het Deutsche Rote Kreuz in verband gewikkeld. Om zijn komende contracten te redde startte hij opnieuw in de inmiddels stilgelegde race om die, als een rijdende ‘verbanddoos’ vervolgens met vier ronden voorsprong te winnen.
Voor Leddy, 28 jaar, was de oogsttijd aangebroken. Achter gangmaker Ceuremans reed hij  over een periode van zes jaar, in Duitsland, gemiddeld drie keer in de week een koers van honderd kilometer.  In 1927 publiceerde het Duitse tijdschrift Radwelt een lijst van zeventig renners waarin  Leddy met zevenenvijftig overwinningen boven aan stond.
Wereldkampioenschappen waren voor Leddy steevast kommer en kwel.  Altijd was er pech zoals het WK van 1927 waarin hij, in de series, met één ronde voorsprong de latere wereldkampioen Linart klopte. Tijdens de finale na vijfenzeventig kilometer met uitzicht op winst ontplofte twee bougies van Ceuremans motor. Hoe sterk Leddy was bewees hij in de revanchekoersen. In één week won hij vier van dergelijke koersen.
Leddy, nationaal kampioen van 1929 en ’34, na zijn carierre financieel onafhankelijk,  overleed in 1966 op vijfenzestigjarige leeftijd.

Foto 1: de Grote Prijs van Dresden 1927. Van links naar rechts, de latere winnaar Leddy, Parisot, de, een paar weken later dodelijke verongelukte Ernst Feja, Saldow, Erxleben, de ‘oude’Piet Dickentman, en Lewanow.

Foto 2: Parijs 1923. Frans Leddy, nog onwetend wat voor iets verschrikkelijks hem te wachten stond, achter de ‘petroleumtandem’  in de aanval.

Foto 3: Leipzig 1927. De latere winnaar Leddy, rechts,  valt Moller en Rosellen aan.

Foto 4: Leddy was één van de eerste sporthelden die zijn naam verbond aan de commercie.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 70 other followers