Van Beek zilver op wereldkampioenschap

Bij de laatste gehouden Zesdaagsen van Amsterdam kletste de microfonist van dienst  honderd lettergrepen in een minuut maar of hij echt verstand van wielrennen had was  nog maar de vraag. Bij de voorstelling van de renners voerde hij, bombastische,  Matthe Pronk op als de ‘wereldrecordhouder achter de derny’. Een regelrechte leugen die bij iemand op de tribune, want Maas van Beek, voor heel veel pijn en frustratie bezorgde. Want het was de bijna zesenvijftig jarige Van Beek die afgelopen mei, het record van Pronk uit de boeken fietste.

Gisteren heeft Van Beek een kleine wraak genomen. In  het Portugese Anida, waar onder de vlag van de UCI, het wereldkampioenschap baanrijden voor masters gehouden werd greep Van Beek het zilver op de sprint. Opmerkelijk voor iemand die te boek staat als een man van de lange adem. Driehonderd renners, afkomstig uit de ‘hele wereld’, hadden zich voor het nummer ingeschreven. Op een monsterlijk zware versnelling (voor de kenners: 65 voor en 17 achter) wist Van Beek ze, op één na, allemaal te verschalken. Het waren geen sprints uit de goocheldoos van wijlen Piet Moeskops maar meer het eerlijke hotseknost rammen op de fiets. Beetje dom maar wel heel effectief. Voordat critici gaan grinniken: Van Beek reed de laatste tweehonderd meter in een tijd van 12.4 seconden. In de finale was het de Australiër  David Willmott die de recordhouder achter de derny wist te kloppen.
Na afloop sprak Maas van Beek zijn teleurstelling uit over de K.N.W.U. ‘Ik schaam mij,  hoe amateuristisch ik hier aanwezig ben. Iedere deelnemer was afgevaardigd in een nationaal tenue of werd op één of andere manier gesponsord door hun bonden. Wij niet. De masters is één van de grootste categorieën in Nederland en het is telkens weer frutrerend te merken dat er na ons helemaal niet omgekeken wordt. Dit kampioenschap is wel één van de grootste die de UCI organiseert.’

D’n IJzeren in een helse kermis

Reglementen? Hoe bedoel je? Het enige reglement dat bestond was dat alles toegestaan was. Voor de Eerste Wereldoorlog was stayeren wildwest op de wielerbaan, anarchie achter de motor. Gangmakers bouwden motoren zoals het hun uitkwam. Ook de renners mochten graag aan hun karretje knutselen: vaak met fatale afloop.

D’n IJzeren werd hij genoemd, om maar even aan te geven dat Thuur Vanderstuyft allesbehalve een mietje was. Voor dat zijn eerste baardharen er goed en wel door kwamen had Thuur al meegevochten in de frontlinies van Bordeaux-Parijs, werd tweede in Parijs-Roubaix, won drieënvijftig kermiskoersen, en voor een fistful dollars stond hij op de deelnemerslijst  van de six van New York, wat stond voor zes dagen én nachten wildwest op de wielerbaan.
Je gezondheid op het spel zette dat is één, maar daar moet financieel wél wat tegenover staan: wat dus niet het geval was. En het was alléén voor de poen die er te verdienen viel dat Vanderstuyft in 1905 de overstap naar het fietsen achter zware motoren maakte.
Stayerskoersen van voor de Eerste Wereldoorlog, het moet de kermis in de hel geweest zijn, waarbij het bloed rijkelijk over de wielerbanen stroomde. Thuur, de Vlaamse kasseienstoemper, schrok zich het lazerus van de snelheden die gehaald werden. Er werd enorm hard gereden. Te hard eigenlijk. Er waren meer dan  veertig topstayers actief, die koersen reden met een gemiddelde snelheid van tegen, én over  de honderd kilometer waarbij niet iedere stayer op basis van atletische gave de motor kon bijhouden.
D’n IJzeren, die, achter Jan Olieslagers, inmiddels de Grote Prijs van Leipzig gewonnen had, kwam er snel achter dat er twee soorten kampioenen bestonden: mét  én zonder klasse. De laatsten waren volgens hem ‘draaiers’, mannen met ongelofelijke souplesse die in de zuiging van de motor alles konden. Maar zodra er wind op kwam zetten of de baan was te zwaar, dan gaf de klasse, de ausdauer, de doorslag. Als jongens als een Vanderstuyft, Dickentman, Robl, Guignard en andere échte’ kampioenen op de weg gingen trainen dan bleven de ‘draaiers’ thuis want ze werden gelost als postduiven. Om met een granietharde Flandrien als Vanderstuyft de weg op gaan dat moet geen pretje zijn geweest, maar dat terzijde…
Voor optimale zuiging waren ‘draaiers’ bereid héél ver te gaan. Met afgrijzen verhaalt d’n Thuur dat ze fietsjes lieten bouwen waarbij de afstand van de as van het voorwiel tot de bracket slechts veertig centimeter was. Om dat te realiseren was de schuine buis van het balhoofd naar de trapas krom gebogen. De abri, oftewel de zuiging, was optimaal, de renner zat bijkans in de nek van de gangmaker te hijgen maar had wel één nadeel: omdat de pedaal naast het voorwiel kwam was er maar een paar centimeter stuurruimte. Als de motor een slingerbeweging maakte en de voet raakte het voorwiel was het over en uit…
Volgens Vanderstuyft was Willy Schmitter de ergste. Ach gut, de brave Willy, een jochie van net twintig jaar, afkomstig uit Mulheim aan de Rijn, drogist in opleiding, verruilde de hoestdrankjes en pillen voor de stayersfiets. In 1905, tijdens het Europees kampioenschap in Leipzig,  kwam Willy ten val en stierf ter plekke.

Ook gangmakers deden een griezelige duit in het zakje. Sommigen plaatsen het zadel tot achter de motor. Je hoeft geen Pieter van Vollenhove te zijn om te weten dat dat bloedjelink was.   Als de snelheid omhoog ging begon de motor te steigeren wat weer opgelost werd door blokken lood aan het stuur te hangen. Je moet er toch niet aandenken dat met honderd in het uur zo’n stuk lood losliet…
Thuur Vanderstuyft won tientallen grote stayerskoersen, verbrak wereldrecords en was in Vlaanderen ongekend populair. Maar roem is vergankelijk als de liefde van een hoer. Terwijl  de ‘mof’ tussen 1914 en 1918 Vlaanderen én heel België in een ijzeren greep hield, reed Thuur Vanderstuyft zijn koersen in Duitsland: wat hem aan het thuisfront niet in dank afgenomen werd. In 1923 begon d’n IJzeren corrosie te vertonen en was het gedaan met zijn rennersloopbaan. In 1956, op drieënzeventigjarige leeftijd vervoegde  Thuur Vanderstuyft zich bij Willy Schmitter en andere doodgevallen stayers.

Foto 1: De Grote Prijs van Breslau, 7 juni  1909. Met v.l.n.r. Karel Verbist, Thuur Vanderstuyft, Peter Gunther en Fritz Scheuermann. Tijdens het maken van de ‘kiek ‘ was Magere Hein niet ver weg. Twee weken later, tijdens een stayerskoers in Brussel, verongelukte Karel Verbist die maar 26 jaar werd. Met Peter Gunther en RichardScheuermann liep het niet veel beter af.  Tijdens de Grote Prijs van Keulen, gehouden op 7 september 1913, was er een vreselijk ongeluk  waarbij niet alleen  Scheuermann het leven liet maar ook gangmaker Gust Lawson (foto onder). Peter Gunther tenslotte, viel, op 6 oktober 1918,  dood tijdens de Grote Herfstprijs van Dusseldorp. Peter werd 36 jaar.


Foto 2: D’n IJzeren in volle glorie.

Foto 3: Wereldkampioenschap 1908 gehouden in Steglitz. Links Bedell, gevolgd door Vanderstuyft, Stellbrink, en Ryser.

Foto 4 Links Vanderstuyft met Kareltje Verbist.

Foto 5:  Willy Schmitter achter gangmaker Charles Pequa met wie het ook niet goed afliep. Tijdens de ’300 Kronen von Spandau’ op 7 juni 1907,was Fransman Pequa gangmaker van Paul Guignard toen zijn voorband sprong. Charles werd naast zijn eerder gestorven vrouw begraven. Aan het graf stond zijn vierjarige dochtertje.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

Voor de ‘echte’liefhebber: lees ‘Flirt met de Dood’: zie elders op deze blog.

 

Oprapen van lijken bij kampioenschap stayeren


Nou mag je vader dan twee keer wereldkampioen stayeren zijn geweest, en dan mag je ook nog eens op zijn fiets rijden maar dat wil niet zeggen dat je dan een schriftelijke bevestiging krijgt dat je Europees kampioen wordt. Beroepsrenner Matthé Pronk kwam daar pijnlijk achter.
Afgelopen weekend vond in Alkmaar het Europees kampioenschap stayeren plaats waarvoor genoemde Pronk torenhoog favoriet was. Achttien renners afkomstig uit zeven landen moesten zich via series zien te plaatsen voor de finale op zondagmiddag.
Alles wat het fietsen achter motoren zo aantrekkelijk maakt gebeurde in de Kaasstad, tot een valpartij aan toe. Het laatste kwam op conto van de Engelse gangmaker Graham Brislow die, vrijdagavond,  even iets te lang omkeek, de balustrade raakte en omlaag stortte. Met een gekneusde duim kon de onfortuinlijke Brit, de inmiddels opnieuw gestarte race vervolgen.  Pronk, links, een redelijke goede wegrenner,  was dus de grote favoriet, maar kwam s erachter dat stayeren iets anders is dan de Grote Prijs Zottegem: exit voor Pronk die de finale niet haalde.
Door malafide praktijken van de gangmakers was het bijna over en uit met de stayerssport want op sterven na dood. Er werd teveel van het ‘briefie’ gereden wat stond voor een geregisseerde uitslag. Zo’n vijftien jaar geleden besloot de UCI er de bezem door te halen. De meest corrupte gangmakers hebben daar hun conclusie uit getrokken en zijn óf gestopt of gepensioneerd. En wat er nu op de motor zit kijkt wel uit: althans dat was de indruk bij de finale. Er werd ‘rechtuit’ gekoerst. Volgens sommigen een beetje domme manier van rijden maar voor publiek aantrekkelijk. Renners die erin vlogen, zich zelf opbliezen, maar ook combinaties die het spel slim speelde.
Zoals Willem Fack met zijn poulain Patrick Kos (foto boven). Terwijl alles en iedereen zich de pletter liep op koploper Bob Stöpler was Fack/Kos bezig met het ‘oprapen van lijken’. Heel even leek het erop dat Kos, die op een veel te grote fiets reed, de koppositie ging pakken. Uiteindelijk was het tweevoudig Europees kampioen de Zwitser Giuseppe Atzeni, rechts, die  de winst pakte. Zilver was voor Kos en brons voor Bob Stöpler.
Met de aankoop, alweer enige jaren geleden, van de motoren van de failliete wielerbaan van Stuttgard, kan het sportpaleis van Alkmaar niet genoeg geprezen worden. Alleen héél jammer dat de wedstrijdleiding de rol achter de motor op 1.20 meter geplaatst heeft. Voor een fatsoenlijke stayerskoers té ver. Die rol moet dus minstens twintig centimeter  korter op de motor komen. Doen ‘Alkmaar’….!

Foto’s: bf-one

De begrafenis van Jong Klaasje

De bladeren van de zwarte walnootbomen  ruisen zacht,  vogels kwinkeleren en met een   zacht ritmisch getik is een tuinman bezig een heg te knippen. Het is ’s morgens elf uur,  op een doordeweekse dag. Op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam is het met recht doodstil. Deze maand, precies vijfenzeventig jaar geleden, was dat wel even anders. Op 20 september 1934 werd een jonge wielrenner begraven. Duizenden Amsterdammers dromden rond zijn graf, en ondanks de uitgebreide politiemaatregelen was de menigte niet in het gareel te houden. De begrafenis van ‘Jong’ Klaasje van Nek werd er één in Siciliaanse stijl.

Lees verder: http://stuyfssportverhalen.wordpress.com/2009/09/06/de-begrafenis-van-jong-klaasje/

Gaat Maas van Beek het wereldsnelheidsrecord aanvallen?

 

v.l.n.r. Maas van Beek, Rini Wagtmans, Wilco van den Hoorn en Klaas Balk

 

Hij oogt strak en afgetraind. Die morgen had hij nog tien kilometer gerend waarbij hij zelf zijn ademhalingsritme bepaalde: om aan te geven dat het met de conditie goed zat. Maas van Beek, inwoner van Barneveld, heeft er weer zin in. Nadat hij in mei  het werelduurrecord achter de derny realiseerde, voelde de Barnevelder zich, de weken erna, gesloopt, leeg, ziek, zwak en misselijk. En dat had niet gelegen aan de race, noch aan zijn voorbereiding maar aan een buikgriep waarmee hij  zijn recordjacht begonnen was. Maandenlang kon Van Beek geen koers uitrijden, maar inmiddels  is ’s werelds snelste man achter de derny weer helemaal hersteld en heeft hij zijn doelen voor volgend jaar bepaald. In 2011 gaat Maas van Beek, 55 jaar, op de wielerbaan van Moskou, zijn eigen record scherper stellen, maar ook het werelduurrecord achter de grote motor aanvallen. Drie maanden van gerichte training denkt Maas van Beek daarvoor nodig te hebben. De recordtic van Van Beek is niet uniek, ook Fred Rompelberg is daarmee behept. De naam is gevallen: Rompelberg! De Limburgse renner, die zijn  maatschappelijke én sociale status ontleent aan zijn wereldrecords op de fiets, en daar niet ál te bescheiden mee omgaat. En wat dat laatste betreft, daar zit voor Maas van Beek nou juist de kneep.
‘Al jaren beweert  Fred dat hij, op de baan van Moskou,  met ruim 86 kilometer, het wereldrecord achter de motor pakte. En dat is niet waar. Fred haalde dat record in 1986 maar wat hij vergeet te meldde is dat een  Russische amateur, twee jaar later,  met vijf kilometer over heen is gegaan.’
Van Beek onderbouwt zijn beschuldiging met foto’s gemaakt in de catacombe van de wielerbaan waar zich de Wall of Fame bevindt.  Van iedere renner die op de Moskouse baan een wereldrecord vestigt worden naam, jaartal én record vermeld.
Wereldrecords achter de derny en motor zijn prachtig, schitterend maar halen het, publicitair gezien, niet bij het wereldsnelheidsrecord. En dat laatste is in handen van Fred Rompelberg die in 1995, op de zoutvlakte van Utah, het record  naar ruim 268 kilometer bracht. Als het aan Maas van Beek ligt niet voor lang. Atletisch gezien moet het voor Van Beek mogelijk zijn dat record te pakken, maar de organisatie er om heen is voor de recordman één duistere vlek. Om het laatste in goede banen te leiden vond afgelopen week met Rini Wagtmans een oriënterend gesprek plaats. ‘Rini is een pur sang wielerman’, onthult Van Beek. ‘Hij heeft de nodige internationale contacten, maar ik ga niet voor de muziek uit lopen. Het is nog allemaal heel prematuur.’
Fred van Rompelberg is ieder geval gewaarschuwd.

Kijk ook op: www.maasvanbeek.com

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 68 other followers