Na drieënvijftig jaar kwam droom uit…

Je kunt moeilijk beweren dat hij geen doorzettingsvermogen had. Want maar liefst drieënvijftig jaar had Herman van Bruggen nodig om zijn droom te verwezenlijken. In 1957 stond de piepjonge Van Bruggen op de deelnemerslijst van het wereldkampioenschap achtervolging bij de amateurs. In Luik waar de titelstrijd gehouden werd spatte de droom in de voorronden uiteen: een uitschakeling was een feit. Als iemand tegen hem gezegd had dat hij in 2010 revanche zal nemen had Van Bruggen ongetwijfeld op zijn voorhoofd getikt.

De wonderen zijn de wereld niet uit. Herman van Bruggen die, met een korte onderbreking, altijd is blijven koersen bleef een warme relatie met de stopwatch onderhouden. De tijdrit! De jacht op de snelste tijd! Een obsessie was en is het voor de inmiddels 74-jarige renner. Zijn hele leven staat in het teken van dé race naar de ultieme tijd. En er is maar één plek op de wereld waar jaarlijks veteranenrenners met elkaar de strijd aangaan, het Oostenrijkse Sankt Johann.
Drieduizend
Aan de voet van de Kitzbuheler Alpen werd afgelopen week voor de 42e keer de Radwelt Pokal, het officieuze wereldkampioenschap voor masters, zoals veteranen tegenwoordig genoemd worden, gehouden. Drieduizend renners in verschillende leeftijdsklasse en afkomstig uit de hele wereld, gingen een week lang de strijd met elkaar aan. Gereden werd in verschillende leeftijdsklassen.
Een wereldkampioenschap tijdrijden voor wielrenners van boven de zeventig jaar is dus géén rariteitenkabinet voor dwaze einzelgängers. Meer dan dertig renners afkomstig  uit landen als Duitsland, Frankrijk, Spanje, Amerika en Italië dichten zich zelf een kans toe, hadden zich  schompes getraind. Afgetrainde, tanige kerels, koppen als scheermessen en rijdend op hightech materiaal. Met een gemiddelde van veertig kilometer per uur kregen ze allemaal patje van de voorheen, Mokumse tijdrijder.

Spion
Met 37 seconden werd de tweevoudige wereldkampioen de Duitser Bruno Podesta geklopt. Podesta notabene die niets aan het toeval had overgelaten en weken voor het kampioenschap  een ’spion’ naar wielerparkoers Sloten had gestuurd om de daar koersende Herman van Bruggen te observeren. Het maakte allemaal niets uit. Maar laten we de ‘s werelds snelste master even aan het woord.
‘Ik rijd tegenwoordig met een fietscomputertje,’begint Van Bruggen. ‘Dat is wel zo handig met de snelheid.  Na de start bleek dat het magneetje verschoven was. Ik was minstens een kilometer bezig om dat ding goed te buigen. Maar eenmaal op gang kon ik goed snelheid behouden en pakte de titel’.
Scooter
Van Bruggen vertelt het simpel alsof het een ‘blokkie om’ betrof. Maar niets was minder waar. ‘Voor de start had ik drie kwartier op de rollen gezeten om warm te rijden.  Ik had niet alleen mijn dochter meegenomen maar ook haar scooter. Achter de scooter had ik, de dagen voor de titelstrijd, getraind.’
Tranen
Wereldkampioen worden is lekker, een bevestiging van je kunnen, maar daar zitten ook nadelen aan vast. De huldiging, op de Hauptplatz in Sankt Johann, en dat had nou weer niet gehoeven voor de bescheiden Van Bruggen. ‘Die huldiging is een gigantisch spektakel met honderden toeschouwers, een levensgroot televisiescherm, de uitreiking van de regenboogtrui én het volkslied.  Ik was behoorlijk onder de indruk, en kon amper de tranen binnen houden.’

Gevallen op ‘Dem Felde der Ehre’…

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd Duitsland overspoeld door een golf van nationalisme. De rekruteringsbureaus hoefden geen propaganda te voeren want iedere Duitser  wilde vechten voor Kaiser und Vaterland. Hele pelotons wielrenners meldden zich voor Felddiensten en werden ondergebracht in zogenaamde Radfahrttruppen. Dat in iedere mof een vechtlustige Pruis school was ook goed te merken in de jaargangen van het wielerblad Radwelt. Tot aan het uitbreken van de Grote Oorlog domineerden achtergrondverhalen, foto’s, wedstrijdverslagen en, vooral, statistieken het blad. Bij het uitbreken van de oorlog veranderde de toon! Een  IJzeren Kruis, de Rijksadelaar én een soldaat, uiteraard met een rijwiel, sierden het omslag . Onder leiding van hoofdredacteur Fredy Budzinski werden de kolommen gevuld met de heldendaden van de Teufelskerle auf den Rade, opgeleukt met foto’s van renners, nu getooid met Pickelhelm dan wel andere uniformen. Nauwkeurig werd bijgehouden waar de renners vochten, welke bekende renners aan het front verbleven en wie er onderscheiden werd met het IJzeren Kruis. Weggemoffeld werden ook de, aan het front, omgekomen jongens herdacht. In geallieerden dienst is aardig bekend welke renners gesneuveld waren. Van ‘gevallen’ Duitse coureurs is weinig bekend. Stuyfssportverhalen, in bezit van de complete jaargangen Radwelt 1903 tot en met 1928, heeft ze uit de loopgraven van het blad ‘opgediept’.

Van de Duitse gesneuvelden alleen de bekende renners:
1914: Paul Treciakowski won als renner in 1912 onder meer Rund um Dresden. Twee jaar later, aan het front bij Thin-le-Moutier, werd Paul, foto links, getroffen door een vijandelijke kogel.

1914: De wegrenners Höhne, Bierstedt, Rozenzweig, sneuvelen. Ook gangmaker Liese en stayer Engeman eindigden op das Felde der Ehre. Van al deze renners ontbreken nadere gegevens.

1915: Zoals zovele gangmakers en stayers nam Alfred Starkes dienst bij de Keizerlijke Luftwaffe. Helaas voor Alfred want aan het Westfront werd hij en zijn vliegtuig neergeschoten

1915: Theodor Menne sneuvelde op 26 mei.

1916: Topstayer Bruno Demke verruilde zijn fietsje voor de stuurknuppel van een vliegtuig, vocht boven het Westelijk Front. Met een in brand geschoten vliegtuig vloog Bruno veertig kilometer boven vijandelijke stellingen waarmee hij het IJzeren Kruis eerste klasse verdiende. Bruno, foto links, werd gewond naar de Heimat afgevoerd waar hij, eenmaal opgelapt, met zijn vliegtuig, opsteeg van vliegveld Doberitz. Hoog in de lucht begaf  Bruno’s vliegtuig het. Demke werd 36 jaar.

1916: Franz Gregl, Oostenrijks toprenner wordt in een gevecht met vijandelijke vliegtuigen neergeschoten. Na zijn dood verkreeg Franz postuum het IJzeren Kruis eerste klas.

1916: Fritz Finns en Josef Stübecke, beide wegrenners, sneuvelen.

1916: Albert Ritzenthaler, piloot, 27 jaar, begenadigd baansprinter, wordt tijdens zijn eerste vlucht neergehaald.

1916: Ludwig Opel, tweede op het wereldkampioenschap 1898, ‘valt’ op 14 april van dat jaar. Ludwig werd 36 jaar.

1916: Voor de achterblijvers is het sneuvelen van een dierbare altijd een drama. Maar de dood van  Alex Benscheck moet een dubbel trauma zijn geweest. Op 6 augustus, op groot verlof in Frankfurt, werd  Alex, foto links, tijdens de Kriegsmeisterschaft von Preuzen winnaar op de kilometer. Tien dagen later, aan het front, bij het schoonmaken van zijn geweer, vergat Benscheck dat in het magazijn nog een kogel zat. Met een schotwond in de borst stierf Alex.

1916: Richard Dottschadiss won, in 1912, Halle-Potsdam-Halle en nam in 1914 dienst. Vocht vrijwel onafgebroken in de loopgraven van het Westelijk Front en stierf daar uiteindelijk aan een blindedarmontsteking. Richard werd 23 jaar.

Terwijl bommen en granaten overvlogen was het ook even tijd voor de nieuwe Radwelt.

1916: Josef Rieder won in 1912 de monsterrrit Bazel-Kleef over 620 kilometer. Beschikte niet alleen over uithoudingsvermogen maar was ook dapper. Verkreeg het IJzeren Kruis eerste klas en sneuvelde acht dagen later. Ook Rieder werd 23 jaar.

1916: Willi Theisz, sprinter, sneuvelt op 24 oktober. Willi werd 27 jaar.

1918: Aan het Westfront sneuvelden wegrenners Eickholl,  Erxleben, en Alwin Vater. In hetzelfde oorlogsjaar sneuvelde gangmaker Rudolf Cantieni, door een granaatsplinter getroffen. Rudolf genoot bekendheid als de gangmaker waarachter wereldkampioen Robl grootse triomfen vierde. Na vier jaar als krijgsgevangenen doorgebracht te hebben in Siberië, sterft op de terugreis naar de Heimat, Willi Kupferling.

Gesneuvelden geallieerde renners

1914: Emile Engel, net 25 jaar geworden, wint een etappe in de Tour de France. Het is Emile’s enige grote wapenfeit want nauwelijks drie maanden later, aan het Marnefront, sneuvelt hij. Engel werd 25 jaar.

1914: Victor Fastre, Belgisch beroepsrenner van 1910 tot 1914. Won in 1909 Luik-Bastenaken-Luik. Op 12 september, bij het verdedigen van zijn vaderland, viel Victor, 24 jaar.

1915: Ook prof Alfons Landuyt afkomstig uit het Vlaamse Niel, werd onder de wapens geroepen. Alfons die gold als een grote belofte, werd als motorrijder getroffen door een Duitse granaat.

1915: Op 28 augustus werd Pol Gabriels in een hinderlaag gelokt. Pol, foto links, vluchtte maar werd in de buurt van Ryckevorsel door een Duitse patrouille onder vuur genomen. Met twaalf kogels in zijn lijf stierf d’n Pol.

1915: Luxemburger François Faber gold als de sterkste wegrenner van zijn tijd. Faber was een alleskunner en won onder meer de Ronde van Frankrijk, de ronde van Lombardije, Parijs-Roubaix, Parijs-Tours, Parijs-Brussel en Bordeaux-Parijs. Als Luxemburger voelde hij zich geroepen om Frankrijk, zijn tweede vaderland, te dienen en nam dienst bij het Vreemdelingenlegioen. Op 9 mei 1915, tijdens gevechten aan het front, kreeg François een telegram met de mededeling dat hij vader was geworden van een dochter. Faber sprong schreeuwend op van blijdschap. Iets wat een Duitse sluipschutter ook zag. Faber werd 28 jaar.

1915: Twee voormalige wielerkampioenen in één vliegtuig, zo’n buitenkansje kan  de Engel des Doods niet lagen liggen. Leon Hourliers, voormalig Frans sprintkampioen, en zijn zwager profrenner Henry Comes, hadden de fiets omgeruild voor het gevechtsvliegtuig. Tussen de gevechten door én om te ontspannen leek het  Hourlier en Comes, foto links, wel aardig om een bokswedstrijd van Georges Carpentier, die honderd kilometer van de basis een gevecht had,  te bezoeken.  Omdat de wegen door Duits vuur té gevaarlijk waren én de tijd tekort, werd gevlogen. Vliegend tussen Cuperly en Saint-Étienne au Temple stopte op onverklaarbare wijze de motor en stortte het vliegtuig neer. Leon Hourlier, 29 jaar werd samen met Comes 26 jaar, begraven.

1915: Charles Gombault stayer, met het wereldrecord over de kilometer, stort met zijn vliegtuig neer.

1916: Emile Friol was twee keer wereldkampioen op de sprint, meerdere keren de beste van Europa en won meer dan 24 grote sprinttoernooien. Als dienstplichtige motorordonnans verongelukte Emile, foto links, tijdens legerdienst.

1917: Hoewel Carlo Oriani in 1912 de ronde van Lombardije en een jaar later de Giro won, kreeg hij toch een enkele reis naar de loopgraven. Op 3 december 1917, bij het redden van anderen, verdronk Carlo die maar 29 jaar werd.

1917: Voordat Octave Lapize zich aanmeldde bij de luchtmacht  won hij 1910 de ronde van Frankrijk, en schreef nog eens drie keer Parijs-Roubaix op zijn erelijst. Tijdens een routinevlucht werd Octave verrast door vier Duitse Fokkers die de voormalige Tourwinnaar prompt uit de lucht schoten. Lapize werd 30 jaar.

 

Een plaquette ter nagedachtenis aan Francois Faber in het kerkje van Vimy.

1917: Lucien Petit-Breton komt de eer toe als eerste Fransman twee keer de Tour gewonnen te hebben. Lucien sloeg toe in 1907 én 1908. Bij het uitbreken van de Grote Oorlog nam Petit dienst bij het 11e Legerkorps en vocht in de loopgraven. Aan het front werd hij  diverse keren getroffen door Duits vuur, maar herstelde daarvan. Op 20 december was zijn geluk op. Als ordonnans botste hij met een legervoertuig frontaal op een tegenstander. Lucien werd 35 jaar.

1918: Fransman George Parent drievoudig wereldkampioen stayeren, vocht voor zijn vaderland, raakte meerdere keren gewond, maar stierf, drie weken voor het eind van  de oorlog, in de loopgraven van Saint-Germain-en-Laye, aan de Spaanse griep. George werd 33 jaar.

Met open hol richting Parijs…

Bordeaux-Parijs, een wielerkoers over zeshonderd kilometer met gangmaking van dernymotoren, was niet alleen een mix van topsport, romantiek, avontuur en verdwazing maar ook de laatste levende herinnering aan de prehistorie van het wielrennen. Koersen tussen de Garonne en de Seine was alleen weggelegd voor spijkerharde  kerels die bereid waren om hun scrotum én de pisbuis voor maanden aan gort te rijden. Want Bordeaux-Parijs  stond synoniem voor afzien, lijden, en ‘praten met God’. Maar daar stond wél iets tegenover: renner én gangmaker waren verzekerd van een plaatsje in de wielergeschiedenis. Bertus Raats, gangmaker in ruste, is dat gelukt.

Het is warm, van dat lekkere lomige zomerweer waarbij jonge meiden brutaal de rondingen van hun lijf showen en zwaluwen schreeuwend achter de muggen aan zitten. Zo’n dag waar je tijdens gure, donkere winterdagen met ongelooflijk veel heimwee en verlangen aan terug denkt. Op een terras aan de Weesperzijde zit een oudere man die der dagen nog lang niet zat is, maar wel oud genoeg om te mijmeren over zijn leven.
Nippend aan een ijskoude Cola en kijkend over de Amstel gaan zijn herinneringen terug naar 1983.
Hij ziet zichzelf weer rijden over die eindeloos lange, kaarsrechte Franse landwegen, langs wijngaarden, door korenvelden, golvend tot aan de horizon, langs Orleans, door Tours, over de heuvels van de Vallei des Cheuvreus waar geen eind aan leek te komen, op weg naar Parijs.

Foto 1

Een ras-amsterdammer, zittend op een té kleine, en knetterende dernymotor met achter zich, fietsend op een millimeter van het spatbord,  profwielrenner Etienne Vanderhelst.
Bertus Raats, een jongen afkomstig uit de Indische Buurt, acterend in Bordeaux-Parijs: hij kan het nog steeds niet geloven. Hoe hij in godsnaam als volkomen onbekende op de deelnemerslijst terechtkwam?
Een enorme eer
Raats vertelt dat hij als modaal gangmakertje te weinig koersen reed. Hij kwam gewoon niet aan de bak, werd genegeerd door de, toenmalige, gevestigde orde. Kwam er niet tussen. Om zijn dure licentie te bekostigen organiseerde hij, ten einde raad, met collega Martin Huizinga,  zelf wedstrijden.
Het werd een succes en zijn naam zong in het ‘wereldje’ rond. En als je dan ook nog eens de Franse taal beheerst, en je hebt de juiste connecties, en je vraagprijs is niet té hoog, dan komt er een dag dat er een uitnodiging voor Bordeaux-Parijs op de deurmat dwarrelt. Hij vond het een enorme eer, nog stééds, en dat mag iedereen best weten, zegt hij, ontspannen aan een tafeltje.

Foto 2

Nu nóg hoort Raats, 71 jaar, Etienne in sappig Vlaams vloeken, als hij, de gangmaker van dienst, iets té onderuitgezakt op de derny zat. ‘Allé goedverdoemme, Bertus, rechtop zitten’! Etienne, een redelijk succesvol Vlaamse coureur met, op dat moment, 23 gewonnen koersen, had zich niet voor niks maandenlang de kloten van het lijf getraind om in die verschrikkelijke monsterklassieker zó hoog mogelijk te eindigen. Alles was daarbij geoorloofd, desnoods moest Vanderhelst een pact met de duivel sluiten, en dan kan het niet zó zijn dat hij in de volle wind komt te zitten. Want ieder vleugje zuiging brengt Etienne dichter bij Parijs, waar hopelijk eeuwige roem, maar vooral vette contracten liggen te wachten.
Acht keer gescheten
Midden in de nacht was Vanderhelst met twintig andere renners gestart in Bordeaux, waarbij de eerste driehonderd kilometer zonder gangmaking werden verreden. De nacht was zwart, de lucht koud en de wegen slecht verlicht, maar evengoed werd er volop gekoerst. Tussen acht en negen uur in de morgen hoopten de renners in Poitiers te zijn waar de wedstrijd achter de derny verder ging. Voor iedere renner stonden twee gangmakers klaar. Etienne Boecks en Bertus Raats was het duo dat Vanderhelst veilig en snel naar Parijs moesten loodsen. Boecks en Raats die elkaar aflosten, want ging de één ‘de aardappels even afgieten’, dan nam de ander het over.
Voordat de renners arriveerden, hadden de gangmakers de hele nacht in een kille garage doorgebracht. Voor Raats waren dat lange, zenuwslopende uren. Bloednerveus was hij. Tientallen keren had hij zijn derny gecontroleerd en, zoals hij dat formuleerde, acht keer gescheten en zes keer gepist. Het ging dan ook niet om des keizers baard. Rot op zeg! Raats, van beroep amanuensis op een scholengemeenschap in Oost, met als hobby gangmaken en nooit verder gekomen dan de vaderlandse koersen, speelde nu een rol in een wielermonument, en was daar héél goed van doordrongen.

Foto 3

Drie heuvelpunten
En dan is het moment daar! De renners arriveren! Snel op de derny springen en in de hectiek van coureurs, knetterende brommers, materiaalwagens en meerijdende pers je poulain zoeken. Na de eerste geneutraliseerde kilometers ging het dan gebeuren.
Als de zon fel over de Amstel schijnt, roeiboten strak door het rimpelloze water glijden en de serveerster, een jong, mooi, Surinaams meisje, een verse bestelling aflevert, gaat Raats verder. Wat volgt is het smeuïge verhaal van een brave amanuensis die terechtkwam in een soort gekkenhuis op twee wielen. Een tafeltje verder luistert een terrasganger, vergenoegd en ongegeneerd mee.
Of renners op een bruine boterham reden dát wist Raats niet, wél dat de gangmakers zich prepareerden. ‘Hadde gij wat bij U voor onderweg?’, vroeg Boeckx aan een naïeve Raats. Om er direct aan toe te voegen dat hij, Etienne Boeckx, ‘iets’ voor zijn collega had. Pastillekens tegen de kramp, voor de luchtwegen, tegen de pijn en om wakker te blijven, kreeg Raats, en stopte die, strak van de zenuwen en gedachteloos, in zijn shirt om ze vervolgens helemaal te vergeten. Een paar dagen later schudde zijn vrouw het shirt leeg en vroeg verbijsterd wat dat allemaal was.
Raats neemt gulzig een slok Cola, zakt nog meer onderuit waarbij zijn rechterhand  onbewust een draaiende beweging maakt alsof hij aan de gashandel van zijn derny draait, en verteld met glanzende ogen over één van zijn grootste avonturen. ‘Godverdomme’, knalt het er hartgrondig uit, ‘Die kaarsrechte wegen die kilometers omhooggaan. En eenmaal boven dan is er geen afdaling maar zie je de weg nog in drie heuvelpunten voor je. Er werd gekoerst bij het leven. Met het hol open naar Parijs’.
In de slag
Op een gegeven moment lag het trio Vanderhelst, Boeckx en Raats op de tweede plaats op vier minuten achter de Franse favoriet Duclos-Lassal. ‘We reden gat dicht tot driehonderd meter. Op dat ogenblik reed ik op kop en wilde direct doorrijden maar dat mocht niet van Vanderhelst. Die begon te roepen en te schreeuwen dat hij eerst wilde eten. Even later begreep ik dat Vanderhelst in de slag zat met

Foto 4

Duclos-Lassal. We hebben ze maar laten lopen, en uiteindelijk werden wij tweede’, vertelt hij met teleurgestelde trek op zijn gezicht.
Scheidsrechtersfluitje
Bertus Raats, gewezen lid van het gilde der gangmakers, zit tóch niet met frustraties. Welnee, daarvoor zijn de herinneringen té mooi. ‘Weet je’, onthult hij, ‘ik heb uiteindelijk drie keer Bordeaux-Parijs gereden en niet één keer heb ik, tijdens de koers moeten pissen. Wel benzine tanken natuurlijk, wat nog een hele toer was. Dan raakte je los van het circus en dan was je gewoon een verkeersdeelnemer. Daar had de organisatie wat op gevonden. Wij kregen een scheidsrechtersfluitje om de nek. Na het tanken dan lag je plat op je derny om weer aansluiting te krijgen. Man, als je flink meetrapte haalde dat ding haalde wel honderd in het uur. En fluitend maakte je verkeer opmerkzaam dat je er aan kwam’.
Bertus Raats, is zo’n tien jaar gangmaker af. Zijn cardioloog vond het verstandiger om de derny op te bergen. Spijt heeft hij niet! Of hij het hectische wielerwereldje mist? Manmoedig schudt hij van nee. Hij had het allemaal wel gezien en wat blijft zijn de herinneringen.
Nee, Raats heeft er wel vrede mee.

Foto 5

Foto 1:
1923: 49 Renners waren op weg naar Parijs en gereden werd achter menselijke gangmaking. De Vlaming Emiel Masson tussen zijn gangmakers (links Vermande en rechts Scieur) werd winnaar in 19 uur en 41 minuten.

Foto 2
1935, Edgard de Caluwe afkomstig uit Denderwindeke, stormt het Parc des Princesses binnen op weg naar de overwinning. Edgard’s erelijst was niet groot maar de koersen die hij wél won mogen er zijn want winnaar van Parijs-Brussel, de ronde van Vlaanderen én Bordeaux-Parijs.

Foto 3
1937: Jef Somers was te uitgeput om te genieten van één van zijn mooiste overwinningen. Even voor de ‘kiek’ genomen werd had Jef Bordeaux-Parijs op zijn naam geschreven. Met zijn twintig jaar was Somers de jongste winnaar ooit. Hoewel de oorlog Jef’s carrière dwarsboomde kon hij toch terug zien op een mooie erelijst want in 1947 won nog hij nog een keer Bordeaux-Parijs, werd in 1946 tweede en derde in 1950. Bordeaux-Parijs 1937 was ook de laatste keer dat er achter handelsmotoren werd gereden. Op de foto rechts gangmaker Théo Wynsdam.

Foto 6

Foto 4
1938: Een primeur in Bordeaux-Parijs want de derny deed zijn intreden.   Charles Pellisier won niet alleen deze editie maar was ook nog eens trendsetter. Pellisier was de man die de eer toe kwam de witte sokken in het peloton te hebben ingevoerd.

Foto 5
1948:  Ange Le Strat passeert koploper Gerad Buyl en is bezig zijn plaatsje op de erelijst van Bordeaux-Parijs in te nemen. Met scheidsrechterfluitje houdt Le Strats gangmaker de weg vrij.

Foto 6
1930: Voor zijn drieëntwintigste jaar won hij Parijs-Roubaix, drie keer Bordeaux-Parijs en werd tussendoor ook wereldkampioen op de weg. Met een lichaam ‘in de groei’niet zo gezond natuurlijk. Daar kwam George Ronsse ook achter. Na zijn vierentwintigste kreeg George last van enge kwalen zoals zweren, spataderen, en gewrichtsaandoeningen. Met een totaal ondermijnd lichaam was zijn wegcarrière over. George zocht zijn heil op de baan als stayer. Foto’s, uit zijn baancarrière, laten een ziekelijke, uitgeteerde man zien die de indruk wekt ieder moment dood van zijn fiets te vallen.

Foto’s: Hilco Koke en Archief Stuyfssportverhalen

Met geld is niet alles te koop

De Olympische droom van Duitsland om de winterspelen van 2018 in Garmisch-Partenkirchen te organiseren dreigt in duigen te vallen. Het I.O.C. eist van de organisatie om de atleten zo dicht mogelijk bij de accommodaties onder te brengen en daarvoor is grond nodig waar ze een goede prijs voor willen betalen.
De patjepeeërs van het Olympische Comité gingen er al vanuit dat met geld alles te regelen valt. Maar niet bij de meer dan tachtig boeren uit Garmisch en omgeving, want die houden hun boerenbeen lekker stijf en weigeren land af te staan. De Spelen zijn aardig maar niet op hun geboortegrond want dat is heilig, volgens woordvoerder Josef Glatsz.
Glatsz, zijn naam is geprezen,  had het ook over ’een groot risico voor het landschap, en het  behoud van eeuwenoude natuur’, en die lieten hij en zijn collega’s niet kapot maken voor twee weken ‘Olympisch feest’.
In 1936 ging dat wel even anders. In de voorbereiding van de vierde winterspelen, in hetzelfde Garmisch, stond het hele Derde Rijk daar achter. Of dat spontaan was is nog maar de vraag. Lokale boeren hadden maar te doen wat Berlijn verordende.
Tijdens deze Spelen deed ook een Nederlandse afvaardiging mee die met lege handen naar huis ging. Garmisch-Partenkirchen 1936 was ook een opwarmertje voor wat Europa nog te wachten stond want de Wehrmacht én de Führer waren tijdens de Spelen prominent aanwezig….

Foto’s: Adolf Hitler, beschermheer van de Spelen deelt handtekeningen uit aan het nationale Canadese ijshockeyteam. Voor de laatste leverde dat niet veel geluk op want the Mapple Leafs verloren in de finale kansloos van Groot-Brittannië.

De biatlon was een demonstratiesport en Duitsland vaardigde een kwartet Alpenjagers af, een elite-eenheid van de Wehrmacht. Gestreden werd in landenformatie en achter Italië, Finland, en Oostenrijk eindigde de edelgermanen op een smadelijke  vierde plaats.

Matrozen in de Alpen, het blijft een rare combinatie. Evengoed werd  de Olympische vlag gehesen door matrozen van de Kriegsmarine.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 68 other followers