Fietsende Paradijsvogel…

Als je twee keer kanker overwonnen hebt is het verbreken van het werelduurrecord achter de derny een makkie. Maas van Beek 53 jaar, flikte het laatste: zie het verslag op deze site. Iedere nitwit die in dit land, een harde scheet laat, krijgt bakken publiciteit. Maas niet! Noem het leeftijdsdiscriminatie of een nieuwe vorm van ‘apartheid’ maar nergens lees of zie je iets van Van Beek’s prestatie terug. TV-Gelderland pikte hét wel op. Wat volgde is een prachtige docu. Enfin Hilversum schaam je!

Kijken want een aanraaier!

http://www.garnierstreamingmedia.com/asx/openclip.asp?file=/omroepgelderland/wmv/100628 192 Sparren.wmv

Foto: bf-one, Rob van Duin

Geplaatst in 1, Columns. Tags: . 3 Commentaar »

Het bordje…

Wout Wagtmans won etappes in de Tour de France, en Giro d’Italia en droeg meerdere keren de gele trui. In de jaren vijftig, en vér daarna, waren Wout, en trouwens ook dorpsgenoot Wim van Est, dé grote sporthelden van het land. In 1994, op vierenzestigjarige leeftijd, vertrok Wagtmans naar de Grote Wielerhemel. Wout was dus een wielericoon. En naar iconen worden straten vernoemd. Ook in Almere. En dat laatste kun je wel overlaten aan de jongens van de straatnaamcommissie in deze poldergemeente.
Die wéten wel hoe je een sportheld moet eren. En na lang vergaderen van de commissie verscheen in het ‘grote niets’ opeens een straatnaambordje. Zomaar, in het ‘grote niets’ dus… Letterlijk, want er is namelijk niks! Hé-lé-máál niets. Ja, totale leegte en een overweldigende stilte! Alsof je op de prairie ergens in Montana bevindt, zoiets.  Woutje Wagtmans held van de geboortegolf, wordt levend gehouden aan een doodstille weg die zinderend in een puntje aan de horizon verdwijnt: een gebied dat in de allerergste nachtmerries van  pleinvreespatiënten voorkomt. Aan de andere kant van het bordje bevindt zich een gigantisch, zwart kolkende wateroppervlakte waarvan vuurtorenwachters nerveus worden.
En kijkend naar rechts  zie je een natuurgebied dat de Serengetivlakte van Nederland genoemd wordt en waar afgelopen winter honderden hoefdieren de hongersdood stierven. Een gebied waar ze de wolf weer willen introduceren want er woont toch niemand.
In deze lugubere, sinistere omgeving, waar je niet eens dood gevonden wil worden, wordt  dus één van de grootste vaderlandse wielerlegendes geëerd.
Goed gedaan Almere, maar niet heus…

Geplaatst in 1, Columns. Tags: . 4 Commentaar »

Fluks’ avonturen in Spanje

Als jonge talentvolle basketballer ben je in Nederland mooi gesjocht. Vergeet die jarenlange droom maar om op topniveau te spelen! Ga maar lekker, met al je talenten, op het buurtpleintje basketballen, want clubs nemen liever een stel duurbetaalde derderangs Amerikanen dan eigen jeugd. Gedesillusioneerd stoppen de meesten. Simon Fluks liet het er niet bij zitten en ging zijn basketbaltalent in Spanje te gelde maken. Hij belandde in de wereld van topsport, zwart geld, staking, en een faillissement.
Hij kreeg bijkans eelt op zijn kont. Anderhalf jaar zat hij, als wisselspeler, op de bank bij profclub Amsterdam. Hij werd geacht daar blij mee te zijn. Sterker, hij moest het maar zien als een eer. Want om als broekie van amper achttien jaar een piepklein contractje bij basketbalclub Amsterdam te krijgen, is niet iedere basketballer gegeven. Maar niet voor Simon Fluks! Had hij zich daarvoor jaren alles ontzegd, zich de pletter getraind? Goddank kwam daar opeens de kans om te ontsnappen aan die vermaledijde bank.
Belediging
‘Halverwege het seizoen 2007 kreeg ik een aanbieding uit Spanje om daar te komen spelen’, vertelt Fluks. ‘Van Amsterdam mocht ik niet weg, die hield me aan mijn contract. Dat was jammer maar begrijpelijk. Maar wat ik niet begreep: dat ik een week later uit de selectie werd gegooid en in het tweede moest spelen. Het bestuur zag het als een persoonlijke belediging dat ik weg wilde. Ik moest het namelijk een eer vinden dat ik er bij zat.’
Profclub Weert liet dat buitenkansje niet liggen en lijfde de Amsterdammer direct in. Maar ook in Limburg lijden ze aan de ‘Amerikaanse ziekte’. Na een aanvankelijke goede start werden zeven Yanks aangetrokken. Exit voor Fluks, 21 jaar, die geen andere mogelijkheid zag dan over de grenzen te kijken. ‘Ik benaderde een mij bevriende spelersmakelaar die in Spanje actief is. Die regelde voor mij een contract bij Lerida, een Catalaanse club uit de derde divisie waar ik halverwege december aan de bak kon. Bij Lerida, die grootste plannen had om door te stoten naar de top, kwam ik terecht in een geolied team. Dat was wel lastig om direct hun spelsysteem door te krijgen’.
Immigrant
De eerste maanden moest Fluks erg wennen. Het spel blijkt daar niet alleen veel sneller te zijn maar ook het communiceren ging heel moeizaam. ‘De coach sprak geen woord over de grens en tijdens time-outs ratelde hij in het Spaans tegen mij wat ik fout deed. Uiteindelijk ben ik op Spaanse les gegaan.’
Als ‘immigrant’ moet je je aanpassen. Wat dat betreft geen probleem met Fluks, geboren en getogen in de schaduw van de Westertoren. Dat hij een appartementje met drie andere spelers moest delen, maakte hem geen zier uit. ‘Dat huisje werd iedere dag schoongemaakt en er was een kok die voor ons kookte. Dat was allemaal goed verzorgd. Ook mochten wij gratis gebruikmaken van een fitnesscentrum, gevestigd in hetzelfde gebouw. Ik had het er wel naar mijn zin.’ Maar er waren toch van die kleine dingen die Fluks aan het denken zetten. Zoals de manier van betalen. ‘Ik kreeg iedere maand mijn geld, maar niet zoals ik dat gewend was. Dat werd namelijk uitbetaald in een witte enveloppe. Dat geld was volgens mij zo zwart als steenkool. Maar zolang ik dat kreeg vond ik het wel prima.’
Spaargeld leven
Kortom Fluks kon lekker ballen, kreeg op tijd zijn poen, voor zijn natje en droogie werd gezorgd, en het team draaide aan de top als een trein. Maar zoals in ieder sprookje gebeuren er onverwacht rare en vreemde zaken. ‘Eind februari kwam de club in problemen en kregen wij geen geld meer. Tot eind april moest ik van mijn spaargeld leven. Werk jij voor niks’, antwoordt hij op de vraag of er toch gespeeld werd. ‘Wij gingen een week in staking en uiteindelijk kregen wij ons geld. Ik als eerste. Dat had er mee te maken dat ik buitenlander was. Inmiddels is de club failliet en is Fluks weer terug in Mokum, waar het op basketbalgebied ook kommer en kwel is. ‘Bij de Nederlandse clubs heeft de recessie flink toegeslagen. Er zijn al een paar verenigingen failliet of hangen aan een zijden draadje. Ik heb nu contact met een team maar dat is nog heel prematuur.’
Een profsporter is net een auto. Laat je die te lang stil staan dan komen er geheid problemen. Fluks beseft dat als geen ander. ‘Iedere dag train ik urenlang in de Apollohal. Met een aantal topspelers waaronder de in Amsterdam vakantie vierende NBA-prof Francisco Elson, spelen wij partijtjes. Dat doen wij over twee speelvelden zodat er flink gerend moet worden. De andere uren zit ik in de sportschool. Ook heb ik mijn studie commerciële economie weer opgepakt. Ik ben bezig mijn scriptie te schrijven.’
Voorrang
Over zijn toekomst als basketballer maakt Simon Fluks zich de nodige zorgen. In eigen land is er voor een jonge ambitieuze basketballer geen droog brood te verdienen. Spanje met zijn tientallen profclubs, dát is het beloofde land. Maar daar is het ‘eigen volk eerst’.
‘Ik wil graag terug, maar daar zitten ze niet op mij te wachten. Spaanse clubs zijn iets anders dan hier in eigen land. Daar krijgt de jeugd wél voorrang. Maar wel eigen jeugd, hè. Het is heel moeilijk om daar tussen te komen.’

Geplaatst in Mug, Juli 2010 Foto’s: Hilco Koke

Geplaatst in 1, Diverse. Tags: . 1 reactie »

Uiteindelijk werd de Oude Meester toch verslagen

Met afstand was hij de beste lichtgewichtbokser aller tijden. Met een rechterarm sneller dan het licht en onnavolgbaar voetenwerk sloeg hij meer dan negentig boksers knock-out. Zelf incasseerde hij nauwelijks klappen. De meeste stoten van zijn tegenstanders wist hij te blokkeren dan wel te ontwijken. Hoe hij dat laatste flikte? Bij God, als hij dat wist! Zelf hield hij het op een zesde zintuig. Uiteindelijk verloor hij zijn allerlaatste gevecht. En wie toen zijn tegenstander was? Tuberculose! In de armen van zijn moeder stierf, precies honderd jaar geleden, Joe Gans, de allereerste zwarte Amerikaanse wereldkampioen.
Op zijn  conduitestaat hadden veel meer overwinningen gestaan  als hij geen zwarte was geweest. Bokser Joe Gans vocht niet alleen in de ring maar ook nog eens tegen het racisme.  Het Amerikaanse boksen van meer dan een eeuw geleden werd gedomineerd door witte managers die liever niet zagen dat hun blanke boksers van een zwarte zouden verliezen. Zwarte pugilisten vochten alleen tegen blanke opponenten als het zeker was dat de eerste zouden verliezen. Voor het spierwitte management werd  die twaalfde mei 1902 ongetwijfeld een vlees geworden nachtmerrie.
In het Canadese Fort Erie vond die dag het gevecht om de wereldtitel plaats tussen de heersende kampioen Frank Erne en de zwarte uitdager Joe Gans. Voordat de, in Zwitserland geboren en op jonge leeftijd naar de States geëmigreerde, Frank het besefte, lag hij, in de eerste ronde, bewusteloos op de grond.
Met een verbijsterend snelle en verwoestende rechterhoek sloeg  Joe,  afkomstig uit Baltimore, Erne knock-out. Joe’s rechtervuist bezorgde hem niet alleen de overwinning maar ook een plaatsje in de Amerikaanse geschiedenis, want hij werd de eerste zwarte wereldkampioen in welke sportdiscipline dan ook.
Joe Gans wordt door historici gezien als de beste bokser ooit. Ver voordat ene Mohammed Ali furore maakte, danste Joe al door de ring. Volgens ooggetuigen én krantenverslagen was Joe een complete bokser. De San Francisco Chronicle schreef  in september 1904: ‘Hij danst, ontwijkt, blokkeert de meeste slagen en slaat met een verbijsterende snelheid zijn tegenstander neer. Zijn kracht is indrukwekkend evenals zijn lichamelijke conditie.’
Dat laatste wordt bevestigd door stokoude filmpjes (zie hieronder) waarop een Joe met een platte buik als een ‘wasbord’ zich door de ring begeeft. Volgens de krant bewoog Joe zich op wieltjes tussen de touwen, om zijn weergaloze voetenwerk aan te geven, en gaf hem de bijnaam The Old Master
.
‘Geen idee! Ik heb geprobeerd daar achter te komen maar ik weet het niet. Ik denk dat het een zesde zintuig is’
, antwoordde Joe op de vraag hoe hij toch de meeste slagen wist te ontwijken.
En dan is het maart 1909! Joe Gans staat voor de laatste keer in de ring: tegenstander de Britse kampioen Jabez White. Volgens dezelfde Chronicle
zag Gans er ‘zwak, dof, en ellendig uit’. De journalist van dienst zag duidelijk dat Joe heftig rilde van de koorts, om er aan toe te voegen dat Gans verschrikkelijk leed.
Tuberculose had zijn dodelijke bacteriën in het lijf van de Oude Meester losgelaten. Ondanks dát liet Joe, volgens de krant, zijn fameuze snelheid en slagkracht zien door White in een gevecht over tien ronden twee keer knock-out te slaan waarbij de gong telkens White redden.
Joe Gans vocht meer dan 188 gevechten, won 138 partijen waaronder 96 keer door knock-out en verdedigde, over een periode van zes jaar, veertien keer zijn wereldtitel, maar moest het tegen zijn laatste tegenstander, tuberculose, afleggen.
Op 10 augustus 1910, overleed Joe Gans, 36 jaar, in de armen van zijn moeder. Bij zijn hemelgang woog The Old Master
slechts 84 pond.
Joe werd begraven op het Mount Auburn Cementery in Baltimore. Zijn graf wordt onderhouden door de internationale boksbond.

Bronnen: The San Francisco Chronicle, met dank aan John Brouwer de Koning en zijn wonderlijke database.
Zie filmpje: http://www.youtube.com/watch?v=ML5WLvrc0P8

Hoe Joop Rijnink de leidsman van Kneet werd

De televisiezenders brachten het grootst, en de zeitungs ‘kopte’ met chocoladeletters dat de Duitse taal, door een Hollander, verrijkt was met een uitdrukking. ‘Der tod oder die gladiolen’ brabbelde Louis van Gaal op een persconferentie en keek daarbij zelfverzekerd alsof hij dat ter plekke verzonnen had. Die Louis toch, want  ‘De dood of de gladiolen’, is bekend geworden door Gerrie Knetemann maar kwam uit de koker van Joop Rijnink, een leraar Frans afkomstig uit Purmerend.

Joop Rijnink was niet alleen een taalkunstenaar maar ook één van de belangrijkste mensen uit het leven van Gerrie Knetemann. Zonder Rijnink was Gerrie Knetemann nooit die gelauwerde beroepsrenner geworden die hij was. En dat is geen steen in een rimpelloze vijver gooien maar een uitspraak van de Kneet himself.
‘Joop kon als renner helemaal niks’ aldus de voormalige wereldkampioen in een interview met dagblad Trouw in 2003. ‘Maar juist van die man heb ik het meest geleerd. Joop was bepalend voor mijn verdere loopbaan. Joop was heel slim. In een Belgische koers had hij een keer een hangslotje onder zijn zadel hangen. Dat ding maakte een ongelooflijke herrie. Daardoor mocht hij niet op kop rijden. Die mannen werden er gek van.’
Joop Rijnink dus, de goeroe van Kneet. Joop en Gerrie, leermeester én leerling vooral op tactisch gebied. Buurtjongens waren ze met dezelfde passie want wielrennen.
‘Als een fietsspaak zo dun maar wat kon hij hard fietsen’! Meer dan veertig jaar later kan Joop Rijnink, 65 jaar, zich daar nog over verbazen.
‘Kneet leerde ik kennen toen hij zestien jaar was. In de winter van 1966 trainde hij regelmatig met ons, een ploegje amateurs. We reden dan zo’n tachtig kilometer. Kneetje zat op een vast verzetje en de laatste dertig kilometer ging hij daarmee op kop rijden. Zó ongelofelijk hard dat wij, oudere renners, niet eens konden overnemen.’ Volgens Rijnink had Kneet maar één credo: de tegenstander slopen! De sterkste zijn. De wil opleggen aan de ander.
‘Dat was zijn kracht maar ook zijn zwakte,’vervolgt Rijnink. ‘Bij de nieuwelingen won hij bijna nooit want hij miste het koersgogme. Ik was niet sterk maar moest het van slimheid hebben. Dat kreeg Gerrie door. In zijn beginjaren heb ik heel veel met hem opgetrokken waarbij hij mij de oren van het hoofd vroeg. Kneet leerde heel snel en pikte het vlug op.’
Tijdens die trainingen gebeurde meer. Bij rustige momenten als er even een blaasje werd gepakt mocht Rijnink, tegen zijn ‘leerling’ graag filosoferen over het wielrennen wat gebeurde met bloemrijke uitdrukkingen. Harken! Uitgewoond zijn! Uit het hol springen! Linkebal! Wegtrekker!  In het sufferdje zitten! En de dood of de gladiolen!
Inmiddels gemeengoed in de Nederlandse taal en allemaal afkomstig van Joop Rijnink en bekendgemaakt door zijn poulain Knetemann.
‘Die uitdrukkingen kwamen niet allemaal van mij’ bekend de zojuist gepensioneerde leraar Frans. ‘Ik had ze opgepikt in de werkplaats van Jaap van de Berg, een racefietsenbouwer in de Jacob van Lennepstraat. Ik spijbelde vaak en zat hele middagen bij ome Jaap te luisteren. Joop Stakenburg kwam daar ook regelmatig. Jaap en Staak zijn de geestelijke vaders van veel van die kreten. Die twee hadden een soort unieke wielertaal ontwikkeld.’
Dat Joop Rijnink als renner helemaal niks kon was ver bezijden de waarheid. Rijnink was een zeer verdienstelijk stayer. Smakelijk, met veel gevoel voor humor vertelt Rijnink over zijn avonturen achter de motor.
‘Ik reed met gangmaker Pelser (foto boven) en werd tijdens de nationale kampioenschappen derde. Pelser had als gangmaker een behoorlijke makke: hij durfde niet achterom te kijken. Een mannetje op het middenterrein hield voor hem de koers in de gaten en schreeuwde de stand van zaken door. Ik heb ook achter ome Bertus de Graaf gereden. Dat was een verademing. Die man zat tijdens de race achterom te kijken om je aan te moedigen. Bertus was zelf stayer geweest en voelde aan wat zijn renner doormaakte. Na een aanval draaide hij het gas terug zodat je kon herstellen’.

Joop Rijnink is bijna uitgepraat, maar wil nog even kwijt hoe de rest van zijn leven is verlopen.
‘Ik ben rond mijn vijfentwintigste gestopt met koersen. Ik had mijn studie Frans afgerond en kreeg werk op een scholengemeenschap in Purmerend. Vorige week heb ik afscheid genomen want werd vijfenzestig jaar. En nee, nadat Kneet prof geworden was heb ik hem nooit meer gezien of gesproken. Maar als ik hem, tijdens zijn carrière op de televisie zag was ik ongelooflijk trots op hem.’

Geplaatst in 1, Wielrennen. Tags: . 4 Commentaar »

‘Dat hadden jullie nou niet moeten doen jongens…’

Karel Heijting was  voetballer  en dat in een tijd dat er tegen ‘het bruine monster’, zo’n leren knikker mét veter, werd getrapt.  Om Karel te passeren was een hachelijke zaak. Lekker schoffelend en bikkelend, hield Karel wekelijks huis in het strafschopgebied van HVV, de club waarvoor hij 246 keer uitkwam, en die hij met zijn sloopwerk zes keer kampioen van Nederland maakte. De snoeiharde meedogenloze acties van Karel vielen op! Zeker bij de keuzeheren van het toenmalige Oranje. Voor de Eerste Wereldoorlog kwam de, in 1883 op Java geboren, Heijting achttien keer uit voor het Nederlandse elftal waarmee hij, tijdens de Olympische Spelen van Parijs,  brons haalde.
Karel kon je nou niet bepaald betichtten van  ‘grijzemuizengedrag’
, want op 23 augustus 1914 deed  de rechtsback iets opmerkelijks: hij tekende een contract. En dan niet bij een voetbalclub, maar bij het Franse Vreemdelingenlegioen.
Kogels kon Karel hoogstwaarschijnlijk terugkoppen, maar Duitse granaten én flitsende blanke bajonetten…
Op 9 mei 1915, in het Noord-Franse Arras onderging de voormalige topverdediger van HVV én Oranje, zijn vuurdoop. Met zijn eenheid van 250 man deed Karel een grote aanval op de Duitse stellingen. Onder moordend vuur werd vijf kilometer opgerukt om te eindigen bij de vijandelijke  loopgraven, waar de jongens van het Legioen met bajonetten ‘warm’ werden onthaald. Slechts vier man overleefden de slachting, waaronder Karel Heijting. Met een granaatsplinter in zijn kin, twee bajonetsteken in zijn been én een buikschot, werd Karel opgenomen in het Krankenlager van Gefangenlager  Friedrichsfeld.
Karels oorlogperikelen waren het thuisfront niet ontgaan. Het sportblad De Revue der Sporten deed daar verslag van en riep de lezers op om ‘den kloeke Hollander zijn leven thans zoo aangenaam mogelijk te maken’
door hem iedere week wat betere kost op te sturen dan het sobere maal dat hem voorgezet werd. Over die oproep hadden zijn oud-ploeggenoten  van HVV zo hun eigen opvattingen over!
Zwaargewond, van top tot teen ingezwachteld in verband, maakte Karel Heijting op een dag, een pakketje open waaruit een voetbal rolde….

Bron: Revue der Sporten, jaargang 1915

Geplaatst in 1, Columns. Tags: . 1 reactie »
Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 68 other followers