Het proletariaat mocht vegen

Tijdens doodstille en gure winternachten, wanneer de wind uit het noordoosten komt én de maan vol is, schijn je het wel eens te horen. Het zijn horrorachtige geluiden van scherp geslepen schaatsen op keihard ijs,  ritmisch getokkel van razende fietsen over klepperende houten latten, flarden van geroezemoes, én het gejuich van duizenden mensen. Stephen King weet daar wel raad mee, en mediums staan begrijpend te knikken want het is dan ook sporten in de twilightzone. Daarvoor moet je dan wél op het Museumplein zijn: honderd jaar geleden hét magische middelpunt van de vaderlandse sport.  Komende mei gaat dat zich herhalen als het startschot klinkt voor de Giro d’Italia.
Dat had hij nou nóóit kunnen denken dat hij geschiedenis ging schrijven. Zelfs niet in zijn meest woeste fantasieën. Niet dat hij ook maar één seconde tijd had om ook maar érgens over ná te denken. Pieter Bijlsma had het veel te koud, want die twintigste januari 1881, wachtend op het open stationnetje van Medemblik,  vroren zijn oren bijna van zijn hoofd.  Met onder zijn armen een paar Friese doorlopers  én een zak brood belegd  met spek, stond Pieter op het punt in te stappen in de hijgende, dampende en pruttelende stoomtram.  Pieter was op weg naar Amsterdam, om precies te zijn naar het Museumplein, waar de Amsterdamse IJsclub een internationale schaatswedstrijd had uitgeschreven. Samen met vierenzestig andere schaatsers ging de Westfries een gooi doen naar de hoofdprijs van tweehonderd zilveren guldens.
Met zekere spanning keek het bestuur van de Amsterdamse IJsclub uit naar de komst van Bijlsma en zijn collega’s. Na jaren  wedstrijden te hebben georganiseerd op onder meer de Buitensingel, tussen  het Raam- en Zaagbolwerk, wat staat voor het Raamplein, en de Weteringschans, was het bestuur er in geslaagd een vaste wedstrijdbaan te  vinden. Op het Museumplein, achter de P.C. Hooftstraat werd in 1880 een terrein onder water gezet van 760 meter bij 22 meter.
‘Noordelijke koeltjes’
Door een vorstloze winter kon  pas een jaar later het eerste startschot gegeven worden, waarbij wedstrijdrijders maar ook recreanten de nieuwe baan de hemel in prezen.  Beschut door de huizen van de P.C. waren rijders namelijk gevrijwaard tegen  ‘noordelijke koeltjes’: negentiende-eeuws jargon voor een noordoostenwind.
Megalomanie én arrogantie horen bij het Amsterdamse gemeentebestuur als een bijbel bij een dominee. Dat is nu, met de bouw van de Noord-Zuidlijn, maar was ook honderdtwintig jaar geleden. Hadden steden als Londen, Parijs en Wenen een wereldtentoonstelling, Amsterdam moest en zou dat ook hebben. En kreeg dat ook. Of de ijsclub met zijn lullige baantje maar even wilde ophoepelen want die tentoonstelling werd, in 1882, onder meer gepland op hun terrein.
Kat knijpen
Na eerst elders op het plein een ijsbaan te hebben gehad werd begin november 1890 een nieuwe baan geopend. Net op tijd. Twee weken later begon het te vriezen en tot eind januari lag er ijs. Maar liefst 51 dagen én 21 avonden werd er geschaatst. En bij avond, als de weinige gaslantaarns de strijd aan gingen met de duisternis, bleek de kat stevig geknepen te worden. Want ‘menig Amsterdamse juffer leverde al zwierend een aangenaam schouwspel op’ noteerde een journalist in het Algemeen Handelsblad, verlekkerd.
Er waren ook decadente avondfeesten waarbij mannen de voorkeur voor ‘den travesti’ bleken te hebben. ‘Een enorm breed geschouwerde juffrouw bleek geweldig beentje over te rijden’,  noteerde dezelfde journalist. Tot zijn genoegen maakte een Amsterdamse ‘smeris’, al schaatsend, daar een eind aan.
Komende revolutie
Terwijl de elite van Amsterdam zich zwierend en zwaaiend vermaakte, liep Jelle Pieter Troelstra zich warm voor de komende revolutie en was  het proletariaat op  Kattenburg, Wittenburg, Oostenburg én de Jordaan bezig om te overleven. In de volksbuurten werd geleden want honger, kou en ziekten als tuberculose eisten hun tol. In strenge winters lag de haven,  bij uitstek de werkgever, plat en het begrip ‘bijstand’ was onbekend. Sommige geluksvogels konden op het Museumplein terecht,  maar niet als schaatser.  De barre winter van 1890 zorgde voor een flinke portie werkgelegenheid.
Op topdagen, als de bourgeoisie aan het zwieren was, was er werk voor 135 man. Baanvegers en ‘schaatsenbinders’ streken die winter bij elkaar zevenduizend piek aan fooien op. Naast recreatie waren er ook wedstrijden.
‘Kolf’ op schaatsen
Op 6 én 7 januari 1891 was er een internationale hardrijderij voor liefhebbers: gewonnen werd door Jaap Eden. Voor de aanvang van deze wedstrijd beleefde een ander wintersport zijn première: de allereerste ijshockeywedstrijd van Nederland (foto links boven) vond plaats. Een bijeengeraapt team van Haarlemse schaatsers nam het op tegen een Engelse club. Het Algemeen Handelsblad noemde de sport een soort ‘kolf op schaatsen, waarbij de spelers met een kolfstok een bal van de eene zijde van het veld naar de andere geslagen wordt’, om er aan toe te voegen dat ‘de regels geheel overeenkomen met die van het voetbalspel.’ Geschaatst werd op houten doorlopers.
Het succes van de  ijsbaan was de Internationale Schaats Unie niet ontgaan. Die liet dan ook, op 13 en 14 januari 1893  het allereerste wereldkampioenschap in Zuid verrijden, waarbij Jaap Eden met de wereldtitel aan de haal ging. Op het zelfde plein maakte Jaap Eden ook furore als wielrenner (foto’s rechts en links beneden). In 1886 werd, op de toenmalige paardenrenbaan achter het Rijksmuseum, de eerste Amsterdamse wielerbaan aangelegd. Een vlakke baan van vierhonderd meter met een breedte bij vijf meter.
Waskaarsenfabriek
Een van de eerste profkoersen van dit land vond op deze locatie plaats. De Engelse broodrijders Temple, Woodside en Allard namen het, in een race van veertig kilometer, op tegen hun landgenoot James Rellew. De laatste streed niet op een fiets maar op een paard. Jockey Rellew én zijn knol kregen klop. De wielerbaan, die geen lang leven was beschoren, werd in 1895 vervangen door een houten baan met steile oplopende bochten. De allereerste race op deze piste, een koers over tien kilometer, werd gewonnen door Eden. Een jaar later werd de baan verplaatst naast het Concertgebouw om in 1900 te verhuizen naar de Zeeburgerdijk (nu hoek Makassarstraat).
Voor patiënten met luchtwegaandoeningen gaf sporten op het plein een extra dimensie. Vlak naast de baan aan de Hobbemakade stond een grote waskaarsenfabriek waarvan de schoorstenen de hele dag een vette walm uitstootte. In 1903 werd de fabriek gesloopt.
Het Amsterdamse proletariaat had op het Museumplein dus niets te zoeken. Die kon de  jaarcontributie van 7,50 gulden, toegang inbegrepen, niet ophoesten.  De toffe, sportieve Amsterdammer zocht zijn heil wel op de grachten en sloten rondom de stad, want gratis baantjes trekken. Het Museumplein was voor de elite.
Juppen
Dat de Amsterdamse IJsclub, uitbater van de baan, goed in de slappe was zat, bewees ze met de bouw van het clubhuis. Aan de Van Baerlestraat, recht tegenover het Concertgebouw, verrees in 1903 een prestigieus gebouw. In het clubhuis werd niet alleen genoeglijk gekeuveld over de verrichtingen van de schaatsers maar het gaf tijdens de Eerste Wereldoorlog ook onderdak aan Belgische vluchtelingen: dat dan weer wel. Het gebouw werd in 1950 gesloopt. De ijsbaan zelf werd midden jaren dertig gesloten en verplaatst naar een terrein achter het Olympisch Stadion.
Het Museumplein is nu domein van juppen, concertgangers, museumbezoekers, demonstranten, skaters en basketballers. Maar met de start van de Giro d’Italia staat het plein in het middelpunt van de mondiale sport. En voor de winnaar van de tijdrit gaat  het journaille superlatieven te kort komen. De pers zal het ongetwijfeld over een historische winnaar hebben: en dat hebben ze dan mooi mis.
De man die de primeur had, zijn plaatsje in de sportgeschiedenis van het plein als allereerste innam, was een simpele boer uit Medemblik. Met een zak vol rinkelende, zilveren guldens, keerde Pieter Bijlsma honderddertig jaar geleden als winnaar terug naar West-Friesland.

Bronnen: Gemeente-Archief Amsterdam, ‘Een halve eeuw wielersport, George Hoogenkamp 1917′

Voor Thaddy Robl was de Dood een voorbijganger

Tot in de uithoeken van Europa was zijn populariteit ongelofelijk. Als hij aan de start stond  waren de tribunes afgeladen en voor zijn kleedkamer stonden massa’s volk geduldig te wachten om maar een glimp van hem op te vangen.  Keizers, prinsen en koningen wilde met hem op de foto.  Thaddeus Robl was een topstayer die met wapperende haren, zwarte kleding,  fietste achter een vuurrode motor als de duivel op de wielerbaan.  Drie keer wereldkampioen stayeren, houder van snelheidsrecords, hield van vrouwen, gokken, én gevaar. De dood was voor hem maar een voorbijganger. Precies honderd jaar geleden stierf  Robl.

Als de pijn té erg was en de verse wonden begonnen te schuren en te schrijnen, liep hij naar de woonkamer. Dan keek hij even in een vitrine waar twee aftandse en kapotte fietsschoentjes lagen alsof het kostbare kleinoden betrof. Steevast moest hij dan denken aan die ene dag in 1898 toen hij mee deed aan de monsterrace Bordeaux-Parijs.
De regen kwam toen met bakken uit de hemel en na tweehonderd kilometer koers over erbarmelijk slechte wegen, waren zijn schoenen zó doorweekt dat de punten van de pedalen door de zolen heen in zijn voeten prikten. Thaddeus Robl leed helse pijnen maar koerste door en kwam als derde aan in Parijs.
Rock ’n roll
Die dag was zijn grote leerschool, daar leerde hij wat pijn was, wat afzien betekende. Ervaringen die hem later van pas kwamen. Thaddeus Robl geboren in het München van 1876 had twee jaar eerder zijn debuut als stayer gemaakt, een lugubere, levensgevaarlijke, maar lucratieve sport waar veel geld en roem mee te verdienen viel, maar  waar de dood of blijvende  invaliditeit nooit ver weg waren.  Hoewel geen mens van het woord gehoord had was Robl rock ’n’  roll op de wielerbanen. Met zijn wapperende zwarte haar, bruine kop en ijlend achter een vuurrode motor, liet hij menig meisje op de tribune smelten. In tien jaar tijd werd hij drie keer wereldkampioen won tientallen grote stayerskoersen en verdiende daar ruim driehonderdduizend Goudmark mee. Over zijn rijkdom behoefde niemand jaloers te zijn, want er is geen renner zó vaak en zó hard achter de motor gevallen als de Münchener.
Medaillon
Angst voor valpartijen noch de dood konden hem deren. Vlak voor de start van een race, als de motoren brullend door het stadion reden, betastte Robl even het medaillon met de beeltenis van de Heilige Maagd dat aan zijn nek hing. Voor de diepgelovige Beier kon de race dan een aanvang nemen. Robl nam de kracht van dat medaillon uiterst serieus.
Tijdens een race ontdekte hij tot zijn ontsteltenis, dat hij dat amulet in de kleedkamer had laten liggen. Ondanks protesten van zijn gangmaker Brettschneider stapte hij af, rende naar de kleedkamer, deed hem om, en hervatte de koers om die nog te winnen.
Ondanks zijn vertrouwen in God en de Heilige Maagd brak Thaddy, zoals hij liefkozende werd genoemd, zeven keer zijn sleutelbeen,  twee keer zijn enkel en zat regelmatig met zware hoofdwonden op de fiets.
Fatalistische leefstijl
Om honderden keren je leven op het spel te zetten dan verandert er iets in je geest. Robl, gekleed naar de toenmalige laatste mode,  hield er dan ook een vrij fatalistische leefstijl op na.  Zo mocht hij, tussen het fietsen door, graag aan autoraces meedoen, waarin hij diverse zware crashes overleefde. Door de vele contracten, voornamelijk in Duitsland, was Robl maanden lang van huis. In zijn Opel, in gezelschap van manager Kühbander, reed hij van wielerbaan naar wielerbaan.
Om naast een adrenalinejunk in een auto te zitten, was geen pretje. Voor Kühbander moeten die autoritten dan ook een helse ervaring zijn geweest. Ook in het toenmalige verkeer ging Robl ‘los’.  Op weg naar de Grote Prijs van Dresden 1907 gebeurde het onvermijdelijke. De stayerskampioen vloog met zijn Opel de bocht uit waarbij zijn manager een schedelbreuk opliep. Thaddeus zelf mankeerde niets.
Broertjes Wright
Het Berlijnse uitgaansleven was voor hem geen onbekende. Regelmatig zakte hij door en aan vrouwen geen gebrek. Erger was zijn goklust waar hij grote sommen geld mee verspeelde. De erudiete Robl, die meerdere talen waaronder Deens en Russisch vloeiend sprak, had het in 1909 wel gezien.  Fietsen achter de motor kon hem niet meer die adrenalinekick bezorgen  waar hij dagelijks naar snakte.
Gelukkig voor hem kozen de broertjes Wright in 1903, in een zelf geknutseld vliegtuigje, voor de eerste keer het luchtruim. In het spoor van de Wrights volgden tientallen waaghalzen. Terwijl met angstige regelmaat de wrakkige tweedekkertjes als aangeschoten ganzen op de grond te pletter vielen, koos Thaddeus Robl (foto rechts) óók voor het bloedlinke vliegen. Hoewel geen snars verstand van vliegtuigen besloot de gewezen fietskampioen een eigen toestel te ontwikkelen, wat het begin was van zijn financiële neergang.  Uiteindelijk ging zijn hele kapitaal, maar ook het kapitaaltje die hij voor zijn oude moeder had gereserveerd, op aan zijn nieuwe hobby.
Levensgevaarlijke combinatie
De eerste beginselen van het aviateurschap kreeg hij van de toenmalige topvlieger Frey. Na een paar lessen verklaarde Robl tegen de pers dat vliegen ‘heel gemakkelijk was en dat elke dappere man dat zou kunnen leren.’ Dapperheid én zelfoverschatting is en blijft  een levensgevaarlijke combinatie.
In de morgen van 18 juni stopte op het vliegveldje van Stettin een gloednieuwe auto, enige dagen daarvoor door Robl  aangeschaft.  Kwiek stapte de eigenaar uit, zoog zijn longen vol en gaf een aanwezige mecanicien de opdracht om een foto van hem zelf, mét een door hem geschreven tekst, (foto links) op de post te gooien.
Thaddeus Robl was er klaar voor, het zwerk lachte hem toe. Bij het aanzicht van de proestende, ploffende en hoestende tweedekker, voelde hij weer dat lekkere gevoel dat de haarwortels op zijn hoofd deed knetteren en de adrenaline door zijn aderen liet kolken. Hij dacht aan vroegere races, zag weer de brede rug van gangmaker Bretschneider voor zich, hoorde het publiek massaal zijn naam juichen. Scherend langs de randen van het leven, dát was voor hem een manier van leven.
Rechterhand verkrampt
Nog even een nonchalante armzwaai naar het grondpersoneel, de stofbril op, de pet stevig aangedrukt en de gashendel naar voren. Na een korte aanloop steeg de Farman-tweedekker met Duitsland’s eerste sportheld op. Een vlucht die een ‘enkele reis naar de hemel’ zou zijn.
Of de kracht van het Mariamedaillon uitgewerkt was of dat Vrouwe Fortuna het nu wel welletjes vond, is nóóit te achterhalen wél dat na een kwartiertje een doffe klap te horen viel. Thaddeus Robl was met zijn vliegtuig neergestort. Toen het lijk van Robl uit het wrak gehaald werd zat het medaillon mét ketting in zijn rechterhand verkrampt.
Robls hemelgang werd door de pers groots gebracht. Berlijnse kranten wisten te vermelden dat na zijn ongeluk een onbekende vrouw, zijn grote liefde, zich onmiddellijk naar het Berlijnse Stettin haastte en alle kosten van de begrafenis en vervoer naar München voor haar rekening nam. Wetende dat ze niet de liquide middelen had, beleende ze daarvoor al haar sieraden. Vier dagen later, op het Alten Südfriedhof in Munchen werd, Thaddeus Robl begraven.
Op de lokale Münchener wielerbaan werd twee maanden later de Robl Memoriam gehouden, een groot wielergala waarvan de opbrengt voor zijn armlastige moeder was.

Bronnen: Radwelt jaargangen 1902 t/m 1910,

Eerste podiumplaats voor Kimberly Muusse

Logica in de sport bestaat niet. Op de kunstijsbanen is Kimberly Muusse, rank,  frêle,  een ‘meerijder’ vaak blij als ze aan het eind komt. Je houdt je hart  als zo’n meisje zich aan de grillen van de barre natuurwedstrijden overgeeft.
Zorgen om niks, want  Muusse blijkt een keiharde tante te zijn, taai als hondenleer.  Tijdens het kampioenschap van Nederland op natuurijs, een slijtageslag op het Laardermeer, dartelde ze onder barre omstandigheden naar de tiende plaats.
Bijna te laat voor de start omdat een lusje van haar sportbeha los zat en alle lagen kleding uit moesten, vloog ze er direct in. Gaten dicht rijdend,  demarages beantwoorden, tot een moment van verslapping. Even niet opletten betekent de slag missen, want twee meiden pierden er tussen uit. In een achtervolgend ploegje spurtte de Zaanse naar de tiende plaats.
Nauwelijks hersteld van de inspanningen stond ze drie dagen later in het Zweedse Fallun aan de start voor een honderd-kilometerrace die onder Siberische omstandigheden werd gehouden.
In het land van Pippi Langkous waar alle vrouwen blonde, blauwogige godinnen zijn en mannen een heel hoog sukkelgehalte hebben was het 23 graden onder nul. Als oren van  hoofden vriezen en aan daken ijspegels hangen als stalagmieten dan moet je als schaatster eigenlijk een beetje knots zijn, of van beton. Schaatsen werden aangetrokken in een verwarmde tent en met frisse tegenzin werd gestart. Op het lokale meer werd het een slagveld. Het overgrote deel van het peloton stapte af. Alleen de sterksten gingen door. In de eindfase sprongen drie meiden weg en met een alles of niets poging sloot Muusse aan.
In de sprint pakte ze de eerste podiumplaats uit haar loopbaan. Achter Andrea Sikkema werd de studente tweede. Ondanks lichte bevriezingsverschijnselen en een verkoudheid vertelde ze aan Stuyfssportverhalen dat  ze het ‘Ongelofelijk en onvoorstelbaar mooi vond.’
Van Muusse gaan we volgend jaar meer horen
.
Foto: Hilco Koke

Geplaatst in 1, Schaatsen. Tags: . Reageer »

Wie was nou de uitvinder van de Vikingschaats…?

Het was Rintje Ritsma die hem overhaalde het nog een keer te proberen. De rest is geschiedenis want Gerard van der Velde won goud in Salt Lake City. De duizend meter raasde hij af in een destijds ongelooflijke tijd van 1.07.18, een nieuw wereldrecord. In de docu ook beelden van schaatsenfabriek Viking van Jaap Havekotte.
Want geen schaatsgeschiedenis zonder schaatsen uit deze fabriek. Eind vorig jaar stond  de hoogbejaarde  Havekotte  de Telegraaf een interview toe waarin de historie van zijn ‘merk’ langs kwam. Havekotte (foto links: geplaats in Sportief 1949) repte ook over zijn toenmalige partner, Ko Lassche, die hij, in dat verhaal, van diefstal beschuldigde en daarom, zo’n achtenvijftig jaar geleden de laan uitstuurde.
Maar het was die zelfde Lassche die aan de wieg van het succes van Viking stond. In het weekblad Sportief van 1949 bevestigde Havekotte dat. ‘Een jongeman belde bij mij aan,’ vertelde Havekotte aan Sportief,. ‘Die mij een paar zelf gemaakte schaatsen liet zien. Het waren Noorse schaatsen die hij van biscuitblik gemaakt had. Ik zag meteen dat die jongen, Ko Lassche want dat was zijn naam, een eerste klas vakman moest zijn. Toen is bij ons het idee geboren zélf de fabricatie van Noorse schaatsen ter hand te nemen.’
Lang hield die samenwerking niet stand want Lasschke werd door Jaap weggeschopt.
Bert Lassche, zoon van Ko, reageerde furieus en het was columnist  Frenk der Nederlanden van Het Parool, die zijn verhaal oppikte… Hieronder diens verslag.

Het Parool
Zijn hele leven heeft hij zijn mond gehouden, maar nu moet het hoge woord er maar eens uit. Niet Jaap Havekotte, maar zijn vader, Ko Lassche, is de geestelijke vader van de Viking, de stalen noor die door Art en Keessie wereldfaam vergaarde. Bert Lassche: ‘Havekotte heeft altijd de eer opgestreken, maar nu hij om zich heen schopt, moet het echte verhaal maar eens worden verteld’.
Hij kijkt er niet vrolijk bij, want Lassche (Amsterdam, 1946) heeft ondanks alles wel respect voor ‘Ome Jaap’. ‘Havekotte heeft veel betekend voor de schaatssport in Nederland, dat staat buiten kijf. Ze mogen hem van mij in het zonnetje zetten, maar de uitvinder van de Viking is hij niet, wat hij ook beweert.’
Ten bewijze legt Lassche documenten, foto’s plakboeken op tafel. En dan zijn er natuurlijk nog de schaatsen zelf. De woonkamer van zijn huis in Schellingwoude hangt er vol mee, van de Linschoter krulschaats uit de negentiende eeuw tot de noren die zijn vader fabriceerde. Lassche slaat met zijn hand op de Telegraaf, waarin de nu 97-jarige Havekotte zijn vader onlangs betichtte van diefstal. ‘Walgelijk is het, zo laag bij de grond, en dat ten opzichte van een man aan wie hij alles te danken heeft. Mijn vader verdient dat niet.’
Ko Lassche (Nieuwendam, 1917) was als kind in de weer met ijzers, buizen en schoentjes. Na de oorlog maakte de koperslager in Durgerdam schaatsen van zaagbladen en koekblikken uit de voedseldroppings. Daarmee ging hij naar Havekotte, in die tijd een vooraanstaand figuur in de schaatswereld. Lassche: ‘Ome Jaap zag direct dat mijn vader een eerste klas vakman was. Begin 1948 gingen ze een samenwerkingsverband aan. Havekotte zorgde voor het startkapitaal, want mijn vader had geen stuiver. Ze werden allebei directeur. Daarom is het zo onverteerbaar dat Havekotte hem nu in de krant als een dom hulpje afschildert.’
Het duo begon een werkplaats in de Gerard Doustraat, maar de zaken gingen zo goed, dat ze een fabriek in de Derde Oosterparkstraat openden. De Vikingschaatsen vlogen als warme broodjes de deur uit en al snel hadden ze zeven man personeel voor zich werken. Maar in 1952 kwam aan de samenwerking een einde. Volgens Havekotte zette hij Lassche (foto rechts, Sportief 1949) op straat nadat die was betrapt op de diefstal van twee paar schaatsen.
‘Allemaal onzin’, zegt Bert Lassche. ‘Mijn vader was geen zakenman, dat klopt. Hij wilde vooral mooie schaatsen maken. Maar hij was een dief van zijn eigen portemonnee, niet van het bedrijf. Hij gaf ze weg aan vrienden in de hoop dat die dan in wedstrijden reclame gingen maken. Dat heeft kwaad bloed gezet, want Havekotte zat altijd op de penning.’
Hoe dan ook, Lassche begon weer voor zichzelf. In een oude boerderij in Amstelveen opende hij de Hjälmarfabriek. Hij gunde Havekotte het recht op de naam Viking. Lassche: ‘Mijn vader was niet haatdragend en heeft zelfs daarna nog werk voor Havekotte gedaan’.
In 1966 kwam hij bij een ongeluk om het leven. Zijn zoon staart uit het raam, naar de weilanden langs de Schellingwouderdijk. ‘De sloten zijn alweer bevroren’, zegt hij zacht. Dolgraag zou hij zelf ook het ijs opgaan, maar zijn knieën willen even niet meer. Hij neemt me mee naar de schuur, waar hij nog altijd schaatsen slijpt. ‘Uit heel Noord-Holland komen ze hier naar toe’.
Hij pakt de oude matrijzen van zijn vader en zegt: ‘Het doet wel pijn, hoor, zo’n aanval. Ik was zo kwaad dat ik Havekotte na die publicatie meteen heb opgebeld. Hij klapte helemaal dicht. Onbegrijpelijk dat een man op zijn leeftijd nog om zich heen gaat schoppen. Voor mij is hij niet langer ome Jaap, maar mijnheer Havekotte.’

Hup Saar….!

Hebben we net de ramp met de Noord-Zuidlijn verwerkt doemt er een nieuwe op: de Olympische Spelen! Dat krankzinnige megalomane plan van de gemeente Amsterdam om de spelen in 2028 te organiseren.
Om twee weken in het middelpunt van de wereld te staan wordt de stad en de omliggende natuur voor eeuwig verwoest. Je kan er op wachten dat de zogenaamde infrastructuur verbetert moet worden wat ten kosten zal gaan van onder meer het ongerepte Waterland.
Maar in de pikdonkere tunnel van wanhoop gloort er een lichtje: Maarten van Poelgeest. De GroenLinks wethouder wees het Westelijk Havengebied (Houthavens en Minervahaven) aan als locatie voor die Spelen, en dat viel bij sommigen nou niet echt lekker. Met de kreet dat de ‘havens zijn een economische motor voor Amsterdam’ trok het bedrijfsleven direct zijn steun voor de organisatie in. De Kamer van Koophandel sprak zich ook uit tegen deze locatie en vindt het belachelijk dat de haven gekozen is.
Los van het feit dat die Spelen er natuurlijk nooit mogen komen is vrijwel iedereen vergeten dat het Westelijk Havengebied historische grond is. In 1928 vond aan de voet van de Hembrug, op vrijwel de plek van Poelgeest gedroomde locatie, de start van de Olympische wegrace plaats.
Volgens het blad Sport In Beeld, dat in augustus 1928 met een extra Olympische nummer uitkwam, was dat ´een vrij monotone beweging daar de renners niet tegelijk vertrokken´. Bij de start van de lokale favoriet Duyken (foto) verbaasde de dienstdoende redacteur zich over de ´overdreven politiemacht die aanwezig was´.
Dat laatste kan wel eens een dejavue zijn want volgens ingewijde schijnt notoire dwarsligger Saar Boerlage (haar naam zijt geprezen), en haar clubje, die eerdere Olympische plannen eigenhandig de nek omdraaide, al warm te lopen…
Hup Saar…!!

Foto: Archief Stuyfssportverhalen

Geplaatst in 1, Columns. Reageer »

Bij de opening van een nieuw ‘plakseizoen…’

De jacht is weer geopend! Complete families, vrienden en kennissen worden ingeschakeld en bij de kassa’s van Albert Heijn spelen zich Derde Wereldtoestanden af want bedelende kinderen om voetbalplaatjes.
Bij de grootgrutter is het nieuwe verzamelalbum te verkrijgen waarmee de aftrap voor het nieuwe voetbalplaatjesseizoen is gegeven. In het voorwoord heeft oud-prof Jan van Halst, het over een ‘fantastisch album’ waarbij de ‘beste voetbalfan’ een blik in de kleedkamer gegund wordt.
Van de achttien eredivisieclubs zijn er afbeeldingen van genoemde kleedruimtes: boven de stoel van de betreffende speler kan het plaatje geplakt worden.
Jan heeft geen woord gelogen, het boek ziet er prachtig uit. Maar toch…toch is het album iets té gelikt, té glad, té commercieel en vooral té groot want niet handzaam. En dan die blasé koppen van sommigen spelers. Voor een niets vermoedend kind een avontuur om zo’n harses uit een zakje te halen…
Wat dat betreft had Albert Heijn een voorbeeld kunnen nemen aan sigarettenfabrikant ‘Miss Blanche’: in de jaren dertig trendsetter wat voetbalplaatjes betrof. Vaders, ooms en opa’s mochten  zich een longaandoening roken want in ieder pakje sigaretten  een ‘voetballertje’, wat met  eerlijke Velpon- dan wel Glutonlijm  in een handzaam boekje van oerdegelijk en stevig karton werd geplakt.
Plaatjes van een ontroerende lulligheid, waar het calvinisme van afspat. En zo hoort het ook! Want voetbal in zijn essentie is en blijft toch maar een balspelletje.
Wie dat heel goed begreep was Leo Halle, keeper van Go Ahead én het Nederlands Elftal. In de Miss Blanche Album van Vooraanstaande Voetballers der competitie 1931-32, maakt hij, met zijn mollige knietjes en broek tot aan zijn oksels omhoog gesjouwd, eerder de indruk van een hopman van verkennergroep de Trekvogel dan de ‘Leeuw van Deventer’ zoals zijn bijnaam luidde.
En tot slot nog een bekentenis over Heijn’s voetbalplaatjes: ik spaar ze ook.
Enne…bespaar mij asjeblieft de hoon want ieder mens heeft recht op zijn dwangneurose…

Geplaatst in 1, Columns. 2 Commentaar »
Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 68 other followers