‘Ik ga voor Nederland tillen’

mug_maart_2009_52_721

Wil je als Amsterdamse gewichtheffer de internationale top halen dan moet je niet alleen spieren van Zweeds staal hebben  maar ook nog eens beschikken over een mentale instelling van gewapend beton. Want getraind wordt in een stervenskoud schuurtje. Bij amper drie graden boven nul tilt, trekt en stoot  Safak Ekici, iedere dag, urenlang, honderden kilo’s koud en kil ijzer boven zich uit.

 

‘Slappe deegstengels’, met narcistische trekjes, hebben er niks te zoeken. Die staan liever, in een verwarmde sportschool, voor een spiegel, spieren te ‘pompen’. Waar Safak Ekici traint is niet eens een spiegel! Daar is helemaal niks! Ekici, traint  in een schuurtje met de lieflijkheid van een Duitse bunker, waar een klein petroleumkacheltje een, bij voorbaat verloren gevecht, tegen de kou voert.  

Maar wat daar wél is zijn tientallen ijzeren schijven, een stang  én een deskundige trainer. In dergelijke ascetische omstandigheden moet je toch helemaal knots van de halter zijn om daar iedere dag, urenlang, te trainen. Als ze dat in Bulgarije ter ore komt,  hét gewichtshef-land bij uitstek, zakken ze snikkend van het lachen in elkaar.  Maar Safak Ekici doet niets liever!

Barbaarse omstandigheden

Ekici, 21 jaar, met een schouderpartij van een Mechelse pronkkast, wil dan ook de Europese top halen. En de weg naar die top is nou eenmaal hard en meedogenloos.  Wil je daar komen dan moet er eerst geleden te worden, het liefst onder barbaarse omstandigheden. Slechts kerels die hun verstand op nul zetten lukt dat. Wat dat betreft heeft Ekici, met zijn schuurtje, al een voorsprong. Maar wat is nou de lol om honderdtien kilo ijzer vlak boven je hoofd te laten balanceren? 

‘De uitdaging,’ antwoord de Amsterdammer van Turkse afkomst. ‘Je grenzen ontdekken. Om een maximaal gewicht boven je hoofd te krijgen, dát is de kick.’ Kijken naar een halter is een stang zien met daaraan een massa ijzer. Een dood ding waar hooguit een oud-ijzerboer ‘broekbobbelig’ van wordt. Maar dat blijkt niet zo te zijn! Want een halter kan emoties op roepen: je schijnt er godsgruwelijke razend op te kunnen worden.

‘Op wedstrijden ben ik heel agressief, dan ben ik heel kwaad op de halter’ onthuld de MBO-student. ‘Die agressie roep ik zelf op. Daar krijg ik adrenaline van en dan kan je meer. Maar dat moet ik niet te vaak doen want daar put ik mijn lijf behoorlijk mee uit. Mentaal is het een heel zware sport.’

Tjokvol

Zeg ‘gewichtheffen’ en je denkt onmiddellijk aan  hormoonpreparaten.  Wat meer weer eens bevestigd werd op de laatste Olympische Spelen waar complete teams van Bulgarije, Venezuela, Irak, Turkije en Griekenland, tjokvol bleken te zitten.  Het is natuurlijk ook de kat op het spek binden! Het duurt immers zes jaar om als gewichtheffer goed te worden. Maar met een paar ‘kuurtjes’ kan je die tijd met de helft terug brengen.

‘Dat is één van de grote problemen in deze sport’ verteld Tom Bruinen, nog zo’n liefhebber van het zwevende staal. Bruinen, een voormalig meervoudig  nationaal kampioen, en docent sport aan een ROC, is de trainer van Ekici. ‘Er wordt te weinig gecontroleerd’, gaat Bruinen verder. ‘Het is heel frustrerend dat andere gebruiken. Als de controle in de rest van de wereld beter wordt gaat Ekici naar de Spelen in Londen’, legt   Bruinen maar even de lat voor zijn pupil hoger.  

Bruinen’s profetische beschouwingen zijn   niet aan dovemansoren gezegd! Ekici schuift prompt nog maar wat extra schijven op de stang. Longen worden volgezogen, op zijn lijf verschijnen kloppende aderen. Met een prachtige vloeiende beweging gaat  er meer dan honderd kilo trillend de lucht in. Na zijn krachtsexplosie gooit  hij, haast nonchalant, de halter op de grond. Bij de dreun die daarop volgt voelt de verslaggever zich iets omhoog stuiteren.

Broodtrommel

Safan Ekici, vriendelijke oogopslag, bescheiden, tikkeltje verlegen, leeft en traint als een prof want meer dan veertien uur per week: maar krijgt daar geen cent voor. Om te voorkomen dat thuis de muizen dood in de broodtrommel liggen werkt Ekici in het weekend op Schiphol. Voor de NSF/NOC bijdrage, wat staat voor een maandelijkse financiële ondersteuning komt hij nog niet in aanmerking. Nog niet! Hij verwacht dat volgend jaar te krijgen.

‘Ik ben nu nog aan het investeren in mijn sport. Het is een opoffering want ik zit ook nog op school. Maar op het Europese kampioenschap, eind september, hoop ik bij de eerste twaalf te eindigen. Dat geeft meteen recht op die bijdrage.’

Het is snel gegaan met Safak Ekici, 1.70 meter bij een gewicht van achtentachtig kilo. Vier jaar geleden had hij nooit aan een halter getrokken. Tot hij Tom Bruinen, op zijn school,  tegen het lijf liep. Na twee jaar deed hij al mee aan het wereldkampioenschap voor studenten en ‘stoot’, inmiddels,  meer dan honderdtwintig kilo.

Ekici mag je een topsporter noemen: maar dan wel een volkomen onbekende. Ja, in de moskee kennen ze hem wel. Daar rekenen ze erop dat hij naar de komende Olympische Spelen gaat. Maar ‘onbekendheid’ kan zo maar veranderen, want niets zó onvoorspelbaar als topsport.

Een held

Wacht maar af als die Ekici, bij het Europese kampioenschap de ‘geest’ krijgt en bij de eerste eindigt. Dan gaan er gekke dingen gebeuren: wat voor de toeschouwers op de voorste rij nog link kan zijn. ‘Als ik alleen al mijn persoonlijk record breek, en dat zit er aan te komen, dan spring ik van blijdschap van het podium,’ onthult hij, licht euforisch.

‘Maar ik durf er niet aan te denken dat ik bij de komende Europese kampioenschappen bij de eerst vijf eindig. In  Turkije ben je dan een held,’ verklapt hij. ‘In Turkije is gewichtheffen de tweede sport van het land’.  Maar dan niet bij de Amsterdamse Turken. Ekici is namelijk Mokum’s  enige Turkse gewichtheffer. En dat heeft allemaal te maken met een hardnekkig vooroordeel.

‘Ze denken dat je, door die zware gewichten, klein blijft, dat je niet doorgroeit. Flauwekul! Dat is puur toeval. Deze sport selecteert zich zelf uit. Kleinere mannen gaan eerder gewichtheffen dan basketballen en omgekeerd.’

Safak Ekici voelt zich een echte Amsterdammer niet in de laatste plaats omdat hij in de Jordaan woont. Maar nou weten we nog steeds niet wat voor kleur shirt hij op de internationale kampioenschappen gaat dragen. ‘Oranje’, zegt hij tussen twee stoten door. ‘Ik ga voor Nederland tillen. Ik ben door Bruinen ontdekt, en ben in deze stad begonnen met mijn sport’.

Geplaatst: Mug, maart 2009. Foto: Hilco Koke

 

Tifosi

ledro9-027

Een zondagmiddag in Verona, Noord-Italië: met een centrum die op de Unesco-lijst van beschermd werelderfgoed staat! Verona, de stad van Romeo en Julia die nooit bestaan heeft, maar ook van het kolossale, tweeduizend jaar oude, Romeins amfitheater.

En voor de poorten van deze arena zag ik het met eigen ogen gebeuren. Verona dus, waar de koopzondag in volle hevigheid raast en terrassen uitpuilen van toeristen en ik daar één van ben.  

En opeens is daar die vrachtwagen, midden op dat drukke plein! Dranghekken worden  uitgeladen én geplaatst, reclamespandoeken ontrolt. Op de keitjes verschijnt een streep: gemaakt door een man met kwast én een pot kalk Een finishboog verschijnt. Aankomst van een wielerkoers!

Geen profkoers, maar een wedstrijd voor junioren, laat ik mij vertellen. Gekoerst wordt door de omringende bergen en finish midden in een hectisch centrum: aan de voet van een  stadion uit de antieke tijd.  Gevoel voor decorum kun je Italianen niet ontzeggen…

Twee glazen wijn verder: onder heftig geclaxonneer daverd een karavaan auto’s het plein op. Uit kriskras geparkeerde voertuigen komt een stroom van supporters die hun renner waren gevolgd.  Vaders, moeders, broers, zusters, opa’s, oma’s, en ander aanhang, wachten, gestrest over de dranghekken, op dingen die komen gaan.

Er hoeft niet lang gewacht te worden. Uit een zijstraat komen twee politiemotoren  gescheurd. Slechts het geluid van één fluitje was nodig om verkeer en voetgangers tegen te houden… Nog geen twee minuten later is daar die eindsprint.

Wat daarná gebeurd is een scène uit een film van Fellini.

Renners worden door schreeuwende mamma’s geknuffeld, mannen kussen elkaar. Tussen verschillende coureurs wordt, verbaal, kleine conflicten uitgevochten waar vaders, hevig sticulerend, zich hartstochtelijk mee bemoeien.

De winnaar, een mooie, ranke jongen, met het ultieme lijf van een klimmer, wordt door zijn vader bijkans van de fiets gesleurd. Niet alleen het begrip ‘tifosi’ wordt héél duidelijk, maar ook dat Italianen  de koers lief hebben. Zoveel is wel duidelijk.

Dit was dus een juniorenwedstrijd!

Hoe het er bij een Italiaanse profkoers toegaat?

Ik durf daar niet eens aan te denken…

 

Parijs 1909, én het langste gevecht ooit

boksers211

Geen mens ligt er wakker van maar het is wél alleraardigste geschiedenis. Honderd jaar geleden vond in Parijs een bokswedstrijd plaats tussen Joe Jeannette en Sam mcVea. Een partij die de geschiedenis zal ingaan als de langste ooit. Maar de oorzaak was een eerder gevecht in Parijs tussen de twee Amerikaanse zwaargewichten.

Verontwaardigd?  Eerder razend.  Sportjournalist Leo Lauer wist het namelijk héél zeker! Dat gevecht was doorgestoken kaart,  ‘rammelde’ hij op zijn Remmington-tikmachine, waar bijkans rook uitkwam.

Honderd jaar later dampt woede en verontwaardiging nog uit de regels en kolommen van de ‘Revue der Sporten’: hét sportmagazine van begin twintigste eeuw.  Lauer, journalist van dit,  ‘eene Rijkelijk geïllustreerde Sportblad’, was speciaal naar Parijs afgereisd voor het gevecht ‘van de eeuw’.  Want op twintig februari 1909, in de grote zaal van het Cirque de Paris, ontmoette Joe Jeannette en Sam mcVea elkaar voor een gevecht over dertig ronden. Twee zwarte boksers uit de Verenigde Staten, een unicum want heel boksminnend Europa stond op zijn kop.

‘Gestampte pot’

Het was koud en guur in Parijs. De paardentram kwam ratelend voorbij. Koetsen reden af en aan.  Gaslantaarns verlichten trottoirs die overvol waren. En de grote zaal van het  Cirque de Paris liep helemaal vol.

En niet met jongens van de ‘gestampte pot’ maar met heren van stand, die, volgens Lauer, gekleed waren in ‘eving-dress’. Die zagen een gevecht waarin  Sam McVea, 92 kilo, de eerste twintig ronden de sterkste was. Maar in de laatste tien ronden begon Jeannette warm te draaien.  ‘De gele neger’, schreef Lauer, nog ontwetend van het fenomeen ‘Meldpunt tegen Discriminatie’, ‘kwam sterk terug’. Jeannette 86 kilo, deelde tien ronden lang ‘leelijke opstoppers’ uit, waarbij ‘mcVea dronken op zijn benen stond te zwaaien en aan alles wat hij kon grijpen zich vastgreep’.

Als na de dertigste ronde de gong niet had geklonken, zou Jeannette, ‘Sam leelijk toegetakeld hebben’, aldus de sportreporter. Voor het publiek stond het vast: Joe Jeannette, foto links, was de overwinnaar. Maar ringrechter Hull dacht daar anders over en verklaarde het gevecht onbeslist.!

Dát pikte de zaal niet, laat staan  Lauer. ‘Het publiek maakten van hun programma’s proppen’, schreef hij in zijn Revue,  die voor drie stuivers bij de kiosk verkrijgbaar was, ‘En gooiden die in de ring. ‘Schelden, schreeuwen, gooien, niets hielp’.

Maar Lauer had zo zijn donkerbruine vermoedens…  ‘Nu hebben de organisatoren nog eens de gelegenheid ’n match te annonceeren om  veel geld te verdienen’, voorspelde hij. Een revanche dus. En die kwam.

Revanche met historische lading

En dat werd wél een historisch gevecht! Op zeventien april van dat jaar stonden, beiden zwaargewichten, in het Cirque de Paris, weer tegen over elkaar. Een  gevecht dat de  boksgeschiedenis inging  als de langste bokspartij van de twintigste eeuw. Want drieënhalf uur later en negenenveertig ronden verder werd Joe Jeannette door een technisch knock out tot winnaar uitgeroepen.

Maar het was mcVea, geboren in 1884, die aanvankelijk het gevecht beheerste. De eerste achttien ronden waren voor hem. Ronden waarin mcVea zijn tegenstander liefst zevenentwintig keer vol wist te raken. Joe Jeannette, die in 1879 in het New Yorkse Hoboken, nu Union City genoemd, het levenslicht zag,  was zo’n bokser die beschikte over een hard granieten kop. Want hoe hard de klappen van mcVea aankwamen, Joe bleef gewoon staan. Negenenveertig ronden lang. En na die ronde bleek  Sam mcVea uitgeput te zijn en kwam zijn hoek niet meer uit: Jeannette werd tot winnaar uitgeroepen.

You Tube

Dat Joe niet gewonnen had van een ‘opgewarmd lijk’ worden door koele cijfers weersproken. Sam mcVea, gestorven in 1921, stond 86 keer in de ring. Won 65 partijen waarvan 46 door knock out. En dan zijn er ook nog van die dingen die gewoon niet uit te leggen zijn. Terwijl het begrip ‘filmcamera’ in die dagen vrijwel onbekend was bestaat er van dat bewuste gevecht een ‘vlekkerig’ en klein filmpje die op You Tube te zien is.

Nadat Joe Jeannette, die in zijn vijftienjarige carrière nooit voor een wereldtitel heeft gevochten, op veertigjarige leeftijd stopte, kon hij terug kijken op een uiterst geslaagde carrière. De zoon van een New Yorkse smid had 160 partijen in zijn vuisten zitten! 106 Keer werd hij tot winnaar uitgeroepen waarbij hij, a68 keer, het licht bij  zijn tegenstander uit zag gaan.

Palmares die op zijn waarde werden ingeschat: in 1998 werd Joe, postuum, opgenomen  in de International Boxing hall of Fame.

Jeannette Street

De handen van Jeannette bleken niet alleen van staal te zijn maar er zat ook geen gat in! Na zijn boksloopbaan investeerde hij zijn duur verdiende centjes in een sportschool, een garage, en taxibedrijf.  Joe, die in 1958 overleed, is nog steeds niet vergeten: sinds zijn hemelvaart kent Union City de Jeannette Street vernoemd naar de prijsvechter die  het langste gevecht ooit, op zijn naam schreef…

Foto 1: Revue der Sporten, Foto 2: Joe Jeannette, Foto 3: Sam Mc Vae zojuist neer gehaald door Joe Jeannette.

Lees ook: http://stuyfssportverhalen.wordpress.com/2009/11/22/joe-jeannette/

De Wieler Express definitief gefinisht

cover200918

De lettertjes zijn bijna niet te lezen want het kleinste korps was gebruikt, maar voor de wielerliefhebbers kwam het aan als een aardschok. Op pagina twee van de Wieler Express staat het er echt. Na dertig jaar stopt Jan Zomer met zijn Wieler Express, een jaarlijkse uitgave, barstensvol wielerverhalen en foto’s.

Ieder winter volbracht Zomer het onmogelijke want schreef niet alleen zijn boek, met honderdzestig pagina’s, vol, maar verkocht ook nog eens advertenties, was nauw betrokken bij de opmaak, zocht in onontdekte wielerarchieven naar dikwijl onbekende foto’s, en maakte in het hele land maar ook in Vlaanderen, zijn interviews met oud-renners.

‘Het is gedaan’, verzucht Zomer, ergens,  in zijn boekje. Helemaal vreemd klonken die woorden niet voor hem. Zijn allergrootste held, Rik van Looy,  bezigde, in 1970, dezelfde woorden, maar dan na een criterium in Valkenswaard. Na een profcarrière van meer dan zeventien jaar hing d’n Rik zijn fiets aan de haak.

Oud-renner Jan Zomer, 64 jaar, wielerliefhebber bij uitstek, beschikt over een lyrische pen die hij ook wel eens vlijmscherp ‘sleep’.  Wee diegene die het wielrennen probeerde belachelijk te maken. Tv-commentator Maarten Ducrot maar ook een Leo Driessen, worden door de Zwanenburger, in de laatste WE, op een vileine manier aan de kaak gesteld.

Zomer, zelf meer dan veertig jaar actief geweest in het cyclisme heeft in de loop der jaren meer dan honderdvijftig ‘wielermensen’ in zijn boek beschreven. Maar zijn allergrootste held, Rik van Looy,  was daar niet bij. Het is bekend dat de Vlaming  de pers schuwt en zelden of nooit interviews geeft. Onder de kreet ‘niet geschoten altijd mis’ maar ook dat de ‘De Keizer van Herentals’ dit jaar vijfenzeventig jaar wordt, stuurde Zomer, een paar Wieler Express’ richting Vlaanderen met het verzoek voor een interview. Van Looy stemde toe.

Het resultaat is om te smullen. In meer dan tachtig pagina’s én in een vlotte stijl schrijft Zomer over de carrière van  Van Looy waarbij de foto’s de absolute kers op de taart zijn. Vijftig foto’s, sommigen volkomen onbekend,  door Zomer  ontdekt in obscure verzamelingen, brengen de lezer terug naar de jaren vijftig: de romantische hoogtijdagen van het Vlaams wielerleven. 

Die foto’s bestuderen is de geur van het frietkot ruiken,  de Trappist, Lambiek en Hoegaarde, in de bierglazen zien schuimen, en  kettingen en versnellingsapparaten horen klepperen op de kasseien.  

De foto’s én de interviews die Zomer maakte met voormalige knechten en tegenstanders van Van Looy, zorgen bij de lezer voor een aardig tijdsbeeld. Kortom Wieler Express 2009 mag niet ontbreken op het nachtkastje of boekenkast van iedere sportliefhebber. Voor de prijs hoeft men het niet te laten want die is heel prettig: vijf euro.

 

De WielerExpress, 2009, honderdzestig pagina’s. Verkrijgbaar bij o.a. Ger Bike, Betondorp, Presto, Haarlemmerstaat  of anders te bestellen door 8.50 euro over te maken (5 euro plus 3.50 euro verzendkosten) op giro 3330810 t.n.v Jan Zomer, Talmastraat 2. 1161 XW Zwanenburg. Info: www.wielerexpress.nl

 

‘Mijn slagkracht moet groter worden’

fotohammie92

 Zijn geheime wapen? Benen met een lengte waar geen eind aan komt. Er lopen drie kickboksers rond die ooit het dubieuze genoegen hadden daar kennis mee te maken. Voor dat het trio dáár erg in had werden ze door die stelten knock out geschopt. Ging ineens het licht uit. Want even tevoren kwam één van die fameuze rechtse ‘highkicks’ van Hamza Rouki op de juiste plaats van bestemming aan.

Of Rouki medelijden met zijn tegenstanders had? Natuurlijk niet! Waanzinnige opluchting, dát is wat hij voelde. ‘Ringkoorts’ maakte plaats voor dat heerlijke gevoel van ontspanning en euforie dat het gevecht in zijn voordeel is beslist. Vechtlust en moed heeft de handelsstudent aan het ROC genoeg. Fysiek en techniek komt hij tekort.

Het is snel gegaan met het lichaam van  Hamza Rouki, 20 jaar. In een jaar tijd groeide hij een tiental centimeters wat voor zijn beenlengte mooi meegenomen was. Maar zo’n groeispurt gaat wel ten koste van spierkracht.

‘Mijn spieren zijn nog slap. Ik doe heel veel aan krachttraining. Ook mijn slagkracht moet sterker worden. Mijn stoten zijn niet hard genoeg. Ik train nu veel op bokstechniek. Ook mis ik agressie. Voor een gevecht moet je jezelf boos maken maar dat lukt mij niet zo goed’ Voor de a-klasse wordt hij voorzichtig’ gebracht’. Trainer Mousid Akhamrane is zuinig op zijn talent. Dit jaar heeft hij maar vijf gevechten gehad, waarbij strak gekeken wordt dat Rouki niet té veel klappen krijgt.  Om zo’n jongen in de hoogste categorie  uit te laten komen is volgens Mousid bloedlink In de a-klasse krijgt hij geen ‘koekies’ als tegenstanders maar kerels gestaald in tientallen zware gevechten.

Hamza Rouki, die vijf jaar aan kickboksen doet, zit nog in het opleidingstraject. Gehard wordt hij wel in de trainingen waar hij tegen jongens staat als Fikri Tijarti, een professionele Thaibokser. De vechters van Mousid’s boksschool zijn gewild, geven altijd waar voor hun geld. De boksers uit de Balistraat worden overal gevraagd. Iedere organisator wil ze op het programma hebben. Als tegenprestatie verlangt de trainer ook ruimte voor zijn jonge aankomende talenten.

Ook voor Hamza Rouki, die, uitkomende in de b-klasse,   vierentwintig gevechten op zijn conduitestaat heeft staan, waarvan  zeven verloren en drie onbeslist.  Rouki, 1.87 meter lang en zeventig kilo aan spieren en botten voelt zich een topsporter en geen vechter. ‘Niet alleen mijn opleiding aan het ROC is belangrijk maar ook de boksschool. Ik train iedere dag. Als je tien jaar de kickboksschool doorlopen heb sta je sterker in de maatschappij. Je leert hier veel discipline. Dan laat je je echt niet meer gek maken door andere’.

Alleen halfgare ouders vinden het niet erg dat hun zoon klappen krijgt maar als je van je kind houd vind je dat vreselijk. Ook de ouders van Rouki hadden moeite met de kickboksaspiraties van hun zoon. Vader en moeder Rouki stonden in het begin niet te springen van enthousiasme. Maar na een gesprek met Mousid Akhamrane zijn ze helemaal ‘om’. ‘Mijn ouders hebben geen sportachtergrond’ verteld Hamza, vlak na een training. ‘Geen ouder vindt het leuk om te zien dat hun kind klappen krijgt. Voor die mensen was het gewoon vechten. Maar ze wisten niet dat bij het kickboksen veel regels gehanteerd wordt. Wat dat betreft lopen voetballers meer blessures op. Ze zien ook dat ik veel train, dat ik thuis veel rustiger en gedisciplineerder geworden ben. Als ik nu een partij vecht gaat mijn vader altijd mee’.

Voor zijn laatste  partij hoeftde vader Rouki de buurt niet uit. Afgelopen juni vond  in sporthal Zeeburg een groot vechtgala plaats. Aardige bijkomstigheid was dat het kickboksfeest georganiseerd werd  door de jongens zelf die de buurt willen laten zien waar ze mee bezig zijn. Volgens Mousid Akhamrane was het een project om de jongens te leren om iets te organiseren waarbij Akhamrane de hoofdlijnen uitzette. Voor Hamza Rouki was het een memorabele avond.  Niet alleen vocht hij in één van de hoofdpartijen, staat voor het eerst in zijn carrière prijkt zijn foto op de reclameposters, maar komt ook de complete familie kijken. ‘Mijn moeder en zusjes hadden mij nooit in de ring in actie gezien. Omdat het gala in de buurt was waren  ze allemaal komen kijken. Vooral mijn zusjes maken zich behoorlijk zenuwachtig. Ze waren  bang dat ik klappen ging krijgen. Natuurlijk kreeg ik die maar ik wist ook heel zeker dat ik die partij ging winnen.’ Hamza’s tegenstander was  Glenn Groen  een ras-amsterdammer en een taaie vechter. En voor hem sond nog een kleine rekening open. Zijn laatste gevecht verloor hij tegen Hamza Rouki. Tegen Groen vocht Hamza ‘achteruit’, want defensief, maar bleef daarbij goed kijken en loeren op zijn kans. Die kwam en met een bloedende snee in zijn wenkbrauw moest Glenn het gevecht staken.

‘Groen is een dapper tegenstander en een goede vechter,’ prijst Rouki zijn tegenstander de hemel in. ‘Maar ik was niet bang voor hem. Het was  een hard gevecht. Die jongen was  gebrand op een revanche. Ik ging winnen,’ vertelt Rouki met een blik die geen tegenspraak duldt. 

Geplaatst: Mug,  Juni 2008. Foto: Hilco Koke

 

‘Sloppy but Safe’ in een verlaten en desolaat West-Texas

reis2008-0083

Vergeet de kneuterige Nederlandse verhoudingen en heb vooral geen last van pleinvrees. Pas als je dat overboord gegooid heb ben je klaar voor het ruige West-Texas met zijn onheilspellende leegte. ‘Zwerven’ tussen Dallas, El Paso en langs de Rio Grande dat is het ultieme Lukey Luke gevoel ondergaan want rijden door verlaten vlaktes, woestijnen, en prairies. En verdomd, in dat desolate niemandsland is er ook nog zoiets als cultuur.

Zaterdagmorgen in Stockyard. Door de Cattleroad, de hoofdstraat van Stockyard, sjokt een kleine kudde longhorns-koeien. Begeleid door cowboys met knallende zwepen sjokken ze hun dagelijkse route. Een door de lokale VVV strak geregisseerde optocht om de massaal toegestroomde toeristen een indruk te geven hoe het eens was.

Stockyard, vijftig kilometer ten westen van Dallas was, vanaf 1866, hét verzamelpunt van al het vee ten oosten van de Rio Grande. Jaarlijks werden honderdduizenden koeien hier bijeen gedreven en met treinen afgevoerd naar de slachthuizen aan de oostkust. Maar dat is al decennia geschiedenis.

Inmiddels is Stockyard uitgeroepen tot beschermd stadsgezicht. Met zijn historische treinstation, saloons, steakhousen, zadelmakerijen, én bootsshops heeft het nog een beetje de sfeer van het Wilde Westen behouden. En zo sullig het er s’morgens aan toegaat zo wild is de avond. Maar daarvoor moet je wel in het Coliseum zijn of in één van de vele saloons of honkytonktenten. Ik kies voor het Coliseum, Home of the Rodeo, en gebouwd in 1908.

Voor het overdekte stadion, staat een lange rij cowboys te wachten, om zich in te schrijven voor het nationale kampioenschap Wild Horse Riding!

Als de deelnemers, piepjonge boerenzoons mét imposante Stetsonhoeden, voorzien zijn van een rugnummer, klossen ze op hun laarzen, uiterst relaxed, richting stadion.
Koeienstront en paardenpis

In het Coliseum ruikt het heel ‘ bah’!  De adem wordt afgesneden door een penetrante geur van koeienstront en paardenpis! Het is druk, want zaterdagavond en de tribunes zijn afgeladen! Temidden van complete gezinnen wordt een plaats gezocht.reis2008 006
Dat Amerikanen denken in termen van ‘large’, big en great werd maar weer even bevestigd. Werkelijk iedereen heeft zich voorzien van een emmer popcorn en  een liter coke.

De show gaat beginnen. Maar eerst krijg ik een lesje in nationalisme: nadat twee amazones, met wapperende Star and Stripes door de zandbak razen wordt het volkslied gezongen. Een lokale zangeres, westernhoedje én laarzen, begint de nationale hymne te galmen. Als één man staat het volk op! Voor de gemiddelde Amsterdamse anarchist die het zogenaamde Amerikaanse patriottisme haat, is het ongezond om tóch te blijven zitten. Per slot van rekening zit je midden in red-neckcountry, waar, nog niet zo heel lang geleden, zomaar, mensen opgehangen, dan wel neergeschoten werden.

reis2008 002Als de beproeving doorstaan is gaat het spektakel van start.

Al geruime tijd klinkt, vanuit een box vlak naast de arena, een onheilspellend gebonk. Vastgeklemd door vier hekken staat een wilde bronco te schuimbekken. Op zijn rug neemt een jochie van hooguit zeventien jaar plaats. En dan gebeuren er meerdere dingen tegelijk! Het hek wordt weg getrokken, en het is dan net of er een vulkaan ontploft.

Paard met ruiter springt, bokt en rent de zandbak in. Texanenblijken een opmerkelijk gevoel voor humor te hebben! Hoe wilder een cowboy er van gegooid werd hoe harder er gelachen en gejoeld wordt! Hoogtepunt was die ene cowboy die met zijn laars in de stijgbeugel, van een op hol geslagen paard, bleef hangen. De wereld van Anky van Grunsven was op dat moment héél ver weg!
Aan de kids was ook gedacht! In de pauze mocht het aanwezige grut plaats nemen in de piste! Zo’n vijftig kinderen, helemaal in ‘ buks’ want westerncorrect gekleed,  plaatsen zich midden in de arena, op  één lijn. Achter hen gaat een hek open! Een kalfje van hooguit enkele weken oud, drentelt de zandbak in. De cowboys in spé zetten een woeste ren in, richting diertje. Het beestje spurt voor zijn leven. Je hoeft geen ‘ dierenpsych’ te zijn om te wetendat het beest voor de rest van zijn leven getraumatiseerd is.Indachtig de kreet ‘Go West Youngman’ wordt, nahet paarden- en koeien spektakel, highway 180 opgezocht en   die gaat dwars door de woestijnen  en prairies van West-Texas, waar het stoffig, stil, heet en totáál verlaten is.

Het verkeer is net zo druk als het aantal luizen op een kaal hoofd! Maar het uitzicht maakt alles goed want die is‘spacy’: zover het oog reikt alleen maagdelijk woestijn. Soms zie ik een stoffig wolkje door dedessert.  De Border-Patrol is druk op zoek naar illegalen Mexicanen. De Mexicaanse grens, maar ook de Rio-Grande River, is nooit ver weg.

De highway zoekt golvend zijn weg. Luchtspiegelingen spelen een spel. Een enkele keer is het net of op het zachte asfalt iemand een verenkussen heeft leeg geklopt. Wat natuurlijk niet zo is. Tientallen gieren doen zich dan te goed aan een kadaver. Het is één groot dejavu! Alsof je een stripboek van Lukey Luke binnen rijdt.

De 180 voert urenlang door een uitgestrekte, desolate, leegte waar ‘ja-knikkers’, pompend naar olie, heftig op en neer gaan. En in dat maanlandschap bevindt zich Midland, vernoemd naar de middelste stop langs de Texas and Pacific Railroad tussen Forth Worth en El Paso.reis2008 011

Andrew Sisters

Midland, hometown of George Bush, is een stoffig, naargeestig ‘gat’ ergens in het noordwesten van Texas waar net zo veel te beleven valt als op een zondagmiddag in Staphorst. Maar het lokale vliegveld, maakt weer alles goed. Want daar bevind zich het American Airpower Heritage, een luchtvaartmuseum met veel ‘stuf’ uit de Tweede Wereldoorlog.
De entree van het museum, waar ik voor zes dollar naar binnen mag, is meteen goed. Uit verborgen speakers klinken de stemmen van the Andrew Sisters: de Sweethearts of the Forces. Terwijl de zusjes het, inmiddels stokoude, maarnog steeds lekker klinkende, ‘Rum & Coca Cola’ ten gehore brengen, swing ik naar hangar 1, doel van mijn bezoek.

In Amerikaanse luchtvaartmusea word je vaak lastig gevallen door veteranen, ouwe mannengetooid met rare petjes, die je een rondleiding willen geven. Niet in Midland! Daar heb ik de hele hangar voor mijzelf. Dwalen door die tochtige, naar verse olie ruikende hangar is terecht komen in een documentaire over de luchtoorlog boven Europa.

Vliegende Forten, Mustangs, Spitfires en andere vliegmachines uit de laatste wereldoorlog: het IJsselmeer ligt er vol mee! Maar in hangar 1 staan de oude ‘krijgers’ nog stoer op hun landinggestellen. Je kunt ze voelen, ruiken, bekijken en via de open bomluiken het binnenste verkennen. Staand onder Fifi, een Vliegend Fort, gaf een aparte dimensie. Hoogstwaarschijnlijk hebben vele oudere Amsterdammers Fifi ook gezien. Maar dan meer dan zesenzestig jaar geleden en hoog vliegend boven de stad op weg naar Duitsland.

Swordfish

Het museum heeft een kleine maar uitgekiende collectie toestellen waaronder een Mitchel B-25 bommenwerper, zo één waar de legendarische Jimmy Doolittle, in 1942, zijn beroemde, en op dat moment, onmogelijk geachte raid op Tokio uitvoerde.

Tussen het bommenwerpergeweld ook een Britse Swordfish: een stoere naam voor een lullig ogend linnen tweedekkertje. Ongetwijfeld dacht debemanning van deBismarck daar héél anders over. Want het was uiteindelijk een torpedo van een Swordfish die het Duitse slagschip tot zinken bracht.

sloppy95

Het American Airpower Museum heeft niet alleen maar ‘vliegend tuig’ uit de laatste wereldoorlog maar ook een héél bijzondere ‘kunstgalerie’, en daar hangt, in diffuus licht, onder meer het werk van ene Gordon Snyder.

Gordon Snyder was niet alleen boordschutter van de ‘Sloppy but Safe’, een B-17 bommenwerper, maar ook een verdienstelijk kunstschilder. Eind 1942 schilderde Gordon, op de neus van zijn ‘Vliegend Fort’, een metersgrote pin-up girl. Gordon én zijn‘Sloppy’namen daarmee hun plaatsje in de geschiedenis in.

Samen met vierendertig andere ‘neusschilderingen’, van gevechtstoestellen uit de Tweede Wereldoorlog, hangt Gordon’s creatieve uitbarsting in de Nose Art Gallery van het American Airpower Heritage Museum.

Het zijn afbeeldingen, – nog op het originele aluminium want van de sloop gered – van een ontroerende eenvoud, gemaakt door piepjonge bemanningen, barstensvol testosteron, die geobsedeerd waren door schaars geklede meiden.

En hoe het met Gordon Snyder is afgelopen? Dat weet ik niet. Maar wél dat de ‘Sloppy but Safe’ zijn naam alle eer aan deed. Aan het aantal geschilderde ‘bommetjes’ te zien, bleek dat de ‘Slordig maar Veilig’, meer dan negentig geslaagde aanvallen op Nazi-Duitsland had gedaan en telkens weer veilig op zijn thuisbasis in Engeland landde.

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 68 other followers