‘Het stront moet mij om de oren vliegen’

mug_2-2009_11_7211Een keurige verschijning! Dát is de juiste omschrijving! De man zit niet alleen ‘strak’ in het pak maar heeft internationaal ook nog eens naam gemaakt als cineast. Maar in het weekend gaat hij los: dan blijkt hij een latent erotische relatie met modder, blubber en prut te hebben.  Mart Dominicus, filmmaker, cineast, regisseur én docent aan de filmacademie is dan ook een gepassioneerde veldrijder.

 

 

Vette, zuigende klei? Heerlijk! Kluiten verse koeiestront om je oren?  Man, dát is pas kicken! Plassen vol met zachte, stinkende  blubber? Daar kan je  lekker  door heen  rossen.  Want hoe smeriger de koers hoe mooier hij dat vindt. ‘Muddy Martje’ wordt hij in het peloton genoemd. Mart Dominicus koestert zijn bijnaam,  is er trots op. Zo’n bijnaam moet je namelijk verdienen. Die krijg je niet in lullige regionale koersjes. Als één van de weinige hoofdstedelijke veldrijders trekt  Dominicus, vijftig jaar, ieder weekend het land in waar hij de strijd opzoekt. En dat zijn veldritten in obscure dorpen diep verscholen op het platte land waar geen Hollands gesproken wordt maar Brabants, Zeeuws en plat Twents.

De docent aan de filmacademie maakt geen gebruik van een  patserige auto vol met reservefietsen én verzorgers  maar gaat gewoon met de trein. Iedere week weer een logistieke onderneming, maar tsja, ‘Muddy’ heeft dan ook geen rijbewijs. Maar wat bezield nou een man, die internationaal naam gemaakt heeft met prachtige documentaires, om iedere week op een fietsje door viezigheid te raggen? .

‘Ik ben een Brabander’, antwoord hij met een blik of dat alles verklaard.  ‘Met de veldrit ben ik opgegroeid. Iedere zondag gingen wij daar naar toe om te kijken. Ik volg dat al heel lang.  Het crossen heeft iets boerigs’.

Voordat Mart Dominicus  de geneugte van het rammen door modder en prut verder gaat onthullen vertelt hij eerst over zijn andere passies: het maken van films, Alfred Hitchock en natuurlijk de Western.  Vooral dat laatste want daar is hij een autoriteit in!

Er is niets, maar dan ook werkelijk niéts die je, bij het zien van Dominicus, doet denken aan klapperende saloondeurtjes, rokende colts, duels, verlaten stoffige Mexicaanse stadjes, en onheilspellende filmmuziek van Ennio Morricone. Maar dát is een vergissing! Mart Dominicus geldt als een  autoriteit op dat gebied.

‘Ik heb zo’n vijf grote sportdocumentaires gemaakt, maar internationaal maakte ik naam met  ‘Go West Young man’ een  zogenaamde road movie over  de oorsprong van de western. Deze film maakte ik samen  met Peter Delpeut. Die   film is de hele wereld over gegaan. Maandenlang hebben wij  opnames in  Amerika gemaakt. Ik ben van jong af aan een westernadept. Ik verzamel dat genre films. Waarom? Westerns zijn prachtige verhalen maar ook de spanning tussen cultuur en natuur. Het Amerikaanse landschap is zó boeiend, zó onberekenbaar. Wij leven in een parklandschap en kennen dan niet.’

Al vier jaar heeft Dominicus geen film meer gemaakt. De oorzaak? Zijn werk als docent regie aan de filmacademie. Maar het creatieve proces blijft trekken. Een nieuwe film komt eraan. En die gaat over de moderne dans, want dat heeft, volgens Dominicus, net zo veel fysieke elementen als het veldrijden.

Maar we gaan even terug naar de modder, slijk en andere viezigheid. Dominicus had als wielrenner een late roeping: om maar even  in het Rooms, Brabantse jargon te blijven Zijn  geboortegrond mag dan doordrongen zijn van de koers én de veldrit maar het is nog maar vijftien jaar geleden dat hij een racefiets besteeg.

 ‘Ik ben vrij laat met koersen begonnen. Het bleek al snel dat mijn wielerhart in de winter lag bij de veldrit. Hier in Amsterdam leeft het niet. Ik moet echt het land in. Ik zoek mijn wedstrijden met zorg uit. In mijn klasse ben ik een redelijke middenmoter. Het niveau ligt heel hoog. Die boerenjongens trainen zó fanatiek. Ik moet mij behelpen met de schaarse vrije uurtjes. Maar evengoed werd ik, half januari, dertiende bij het nationale kampioenschap.’

Dominicus is zich héél bewust dat hij een, laten we zeggen, vreemde liefhebberij op na houdt. Hij ziet ze wel denken hoor, zijn studenten en anderen,  dat die kerel niet helemaal spoort,  als hij euforisch het verschil onthuld tussen Limburgse modder of  Brabantse prut. Nou, daar heeft die dan mooi schijt aan!  

‘Het is zó leuk!’ verdedigd hij manmoedig zijn modderfetish. ‘Neem alleen al de sfeer in de kleedkamer. Bij een wegkoers is het net een mand vol met krabben. Iedereen is wantrouwig, op zijn hoede. Het zijn concurrenten op leven en dood waar de combine en intriges nooit ver weg is. Bij de cros is het heel ontspannen. In het veld is iedereen op zich zelf aangewezen. Het is een gevecht van één tegen één. Ik zit nu al uit te kijken naar het nationale kampioenschap van volgend jaar. Dat wordt in Heerlen gehouden. Dat is een rondje naar mijn hart.’

Met glanzende ogen beschrijft Muddy Martje  een soort  Hel van Dante maar dan in een modderuitvoering, waar je volgens hem, tot aan de naven van je wielen in de zachte blubber wegzakt. ‘Ik fiets daar dwars door heen,’ verklaard hij met een toon die geen tegenspraak duldt.

Het modder en prutgedeelte hebben we gehad en we gaan even terug naar de wereld van het celluloid én ‘witte doek’ want er is ook nog ene  Josey Wales! En dat is geen veldrijder maar de ongeschoren, shabby scherpschutter gespeeld door Clint Eastwood: de ultieme westernheld.

‘Voor het maken van mijn westerndocumentaire hebben wij alle zogenaamde trails gevolgd. Dat zijn weggetjes waar zo’n honderdvijftig jaar geleden ‘frontiers’ naar het westen trokken. We zijn begonnen in Kansas City, en vervolgens kriskras naar het westen gereden.  Ik ben op, al lang vergeten, filmlocaties geweest, heb regisseurs gesproken, interviewde cowboys die weken lang met hun kuddes in de wildernis verbleven. Maar de man die ik dolgraag in mijn film wilde hebben kon ik maar niet te pakken krijgen. Of hij had net geen tijd. Ik heb alles in het werk gesteld om Clint Eastwood voor mijn lens te krijgen. Via, via kreeg ik het toch voor elkaar maar daar ging een half jaar overheen. Die tijd had ik niet want die  docu moest uitkomen. Daar baalde ik zó van.’

Laat die Eastwood, met zijn sterallures, even lekker door de stront zakken. Maar goddank bestaat voor Dominicus, na zo’n teleurstelling,  nog zo iets als de jaarlijkse cros van Nes aan de Amstel, eind deze maand. Weliswaar een regionale koers maar toch…

‘Het parkoers gaat daar over een erf van een boerderij. De kluiten koeienvlaaien vliegen dan om mijn oren. Vorig jaar ging ik daar onderuit. Kwam ik in een kuil vol stront terecht’, onthuld hij, tevreden knikkend.

Geplaatst: Mug februari 2009. Foto: Hilco Koke

Met Lenten in de hoek verlies je niet snel

3222615795_93410a55f1Hometrainers zoemen, loopbanden gieren, vuisten beuken op zakken, en er hangt een geur zoals die in een boksschool hoort te zijn want vers zweet druipt van zo’n vijftig trainende boksers. En tussen al die kerels ook een paar meiden. Voor degene die het nog steeds niet beseffen: boksen, het allerlaatste mannenbolwerk, is niet meer. Feministen beginnen onmiddellijk te ‘soppen’ en bokslegende Bep van Klaveren draait zich ongetwijfeld in zijn graf om, maar vrouwelijke boksers hebben hun intrede gedaan. En een bokstrainster was nog maar een kwestie van tijd. Ilona Lenten heeft inmiddels haar plaatsje in de ring ingenomen.

 Of die jongens haar accepteren? Ja wat dacht je dan! Ze maken een keuze om bokser te worden en dan moet je niet zeiken dat je getraind wordt door een vrouw. Hebben de meeste trainers eelt op hun vuisten en getekende koppen niet Ilona Lenten. Zelf heeft ze nooit in de ring gestaan. Mocht niet van haar moeder! Niet dat ma bang was voor dat dochter iets zou overkomen maar meer voor Ilona’s gebit. Moeder had zich blauw betaald aan haar beugels. Ze moest er toch niet aan denken dat er een ‘stamperd’ vol op dat gebit kwam.

Om nou te zeggen dat ze een trutje is gaat ook weer te ver. Ilona Lenten 29 jaar, schijnt een ‘lekkere’ rechtse in huis te hebben. In sportschool Kops trekt ze regelmatig de bokshandschoenen aan om een partijtje met een van haar jongens te sparren. Of ze dan gespaard wordt?

‘Ze hebben respect voor mij’, klinkt het overtuigd. ‘Ze slaan niet echt door en ik probeer zoveel mogelijk klappen te ontwijken. Ik mag dan nooit wedstrijden gevochten hebben maar heb een goede techniek. Of het een voordeel is dat ik vrouw ben? Ja! Als ze problemen hebben komen ze sneller naar mij toe. Het is toch een mannensport’. Hoe Lente in de bokssport is geraakt? Tussen windsels, bokshandschoenen, sporttassen en geleund tegen de touwen van de boksring gaat ze dat even uitleggen.

‘Mijn vader,’ verteld ze, ‘heeft jaren aan boksen gedaan. Als kind ging ik altijd mee. Op organisatorisch vlak is mijn vader altijd actief gebleven in het Amsterdamse boksen. Zo ben ik erin gerold. Een paar jaar geleden heb ik mijn officiële boksdiploma gehaald. Van mijn cursus was ik de beste. Iedere avond zit ik hier op de boksschool. Dit is mijn leven.’

Naast Ilona staat een rijzige jongen met ingetapete handen een paar bokshandschoenen aan te trekken. ‘Ik heb er zin in’ fluistert hij verlegen naar Lenten. Waarmee Marciano Hendriks, 18 jaar, en vijfenzeventig kilo aan spieren en botten, het gevecht mee bedoelt. Tussen de touwen door stapt Hendriks de ring in en begint te ‘dansen’ zoals alleen boksers dat kunnen.

‘Heb je een papieren zakdoekje voor een, eventuele bloedneus bij je?’ vraagt Lenten bezorgd. Je moet wel het gevoelsleven van een blok graniet hebben om niet te zien dat er een band is tussen die twee. ‘Marciano is een pupil van mij’, verklaart Lenten geheel overbodig. ‘Zijn debuut in de ring was een drama. De eerste drie partijen verloor hij. Ik heb behoorlijk op hem in moeten praten want ik wist dat hij barstensvol talent zat’.

Met succes. Van de negen gevechten heeft hij er zes gewonnen. Hendriks komende gevecht vindt deze maand plaats in het Zonnehuis. In dat ultieme bokstempeltje in tuindorp Oostzaan is de middengewicht van plan om zijn tegenstander van Jetje te geven. Of hij bang is?

‘Niet voor mijn tegenstander,’ verklapt hij tussen zijn training door. ‘Meer voor mijzelf dat ik mijn techniek vergeet. Mentaal ben ik heel sterk. De hele dag hou ik mijzelf voor dat ik de beste ben. Doe ik mijn ogen dicht zie ik dat gevecht voor me. Als ik mij visualiseer op een knock out dan lukt me dat ook. Ik haal alles uit de kast om te winnen.’

En laat die Hendiks nou ook nog eens het ongekende mazzeltje hebben dat hij, tijdens zijn gevecht, wordt verzorgd door Ilona Lenten. ‘Met Ilona in de ‘hoek’ heb ik nooit verloren. In de minuut rust tussen het gevecht in praat ze op mij in. Geeft mij tactische aanwijzingen. Daar heb ik veel aan, want sla dat goed op in mijn hoofd’.

En mochten er nog idioten zijn die denken dat vrouwelijke boksters manwijven zijn met lage voorhoofden, die, als je ze in een weiland zet, onmiddellijk gras gaan grazen wordt dat onmiddellijk door Naomi Olenski afgestraft.

Olenski, 25 jaar, is niet alleen een mooie meid maar studeert ook nog eens rechten. Op de vraag wat haar de ring indreef is het antwoord even simpel als onthutsend: het dansen. Gek op dansen was ze maar na haar verhuizing naar Amsterdam kon ze geen goede dansschool vinden. Totdat…totdat ze een keer met haar boksende broertje meeging naar Kop’s gym. Inmiddels heeft ze al zes officiële partijen gevochten waarvan de winst honderd procent was.

‘Een grote opluchting’ is het antwoord op de vraag hoe het voelt als een gevecht is afgelopen. ‘Het is net een tentamen, als je dat haalt, geeft dat een lekker gevoel. Voor een partij heb ik altijd keihard gewerkt. Ieder gevecht is voor mij nieuw. Ik ken mijn tegenstander nooit. Dat is wel eens heel vervelend. Maar ik ben heel blij met mijn trainers Ilona en Raymond Joval. Die twee zeggen dingen die heel belangrijk zijn’.

Je moet niet aan Lenten of Olenski vragen of damesboksen een veredelde kermisattractie is want dan word je afgestraft met droge cijfers. ‘Alleen in het district Noord-Holland zijn er jaarlijks twintig partijen’, beweert Ilona Lenten, in dagelijks leven werkzaam op de Albert Cuijp. ‘We zijn laatst naar een groot internationaal toernooi in Zweden geweest. In vier ringen werd daar de hele dag gebokst wat staat voor vierhonderd partijen. Een ring was speciaal voor vrouwen’. Of vrouwen dynamiet in hun knuisten hebben daar wil Olenski wel antwoord opgeven. ‘Natuurlijk! Vrouwen slaan heel hard. Maar boksen is vooral de techniek zoals puntjes scoren en dan weer wegdraaien. Overigens, in Zweden won ik het toernooi in mijn klasse.’

Hoe haar komende gevecht gaat aflopen daar laat Olenski geen misverstanden over bestaan. ‘Ik ga winnen. Je kunt moeielijk in het Zonnehuis verliezen. Helemaal niet met Joval en en Lenten in de ‘hoek’.

Geplaatst: Mug, januari 2009

 

 

Van Groen weet wat hij kan

arnoud99Het verschil tussen status als topamateurwielrenner en professional is maar enkele centimeters. Althans voor Amsterdammer Arnoud van Groen. In de klassiekers zat de student bedrijfswiskunde al een paar keer dicht tegen de winst aan.  En  zo’n overwinning kan voor Van Groen  een toekomst als beroepsrenner zijn.

Jaren zit van noeste trainingen door weer en wind, én een Spartaanse leefwijze werden geïnvesteerd om vervolgens te stranden op een aantal centimeters. Om gek van te worden! Centimeters kwam hij te kort om een licentie als beroepsrenner aan te vragen. Was het maar een incident maar het gebeurde Arnoud van Groen, 24 jaar, het afgelopen seizoen al iets te vaak. En dan niet in van die lullige kermiskoersen maar klassiekers zoals de Ster van Zwolle waar Van Groen derde werd, of de Westfriese Dorpenomloop waar een tweede plaats het hoogste voor hem was, of die loodzware internationale koers in Zeeland. De hele dag had Van Groen, over kronkeldijken en smalle strontweggetjes, in de voorste linies zitten te hengsten om vervolgens derde te worden. Om nog maar te zwijgen over die etappe in de ronde van Hongarije, afgelopen augustus, waar Van Groen, samen met een andere renner ontsnapt, op de eindstreep kwam afdaveren. Wie de etappe won? Niet Arnoud van Groen.
Trapte die Van Groen nou maar tegen een balletje aan dan was er niets aan het handje: iedere voetballer die op een handige manier, mét bal, een lantaarnpaal weet te passeren krijgt al een gigantisch contract aangeboden. Maar niet als je een talentvolle wielrenner bent want daar is het aanbod van renners té groot en het aantal ploegen te weinig en dan komt het fenomeen ‘uitslagenlijst’ om de hoek kijken.
En met ereplaatsen, weliswaar op centimeters van de winnaar, kom je er dan niet. ‘Overwinningen’ dát is waar managers van profploegen lekkere gevoelens in de onderbuik van krijgen. Als die zelfde ploegleiders beter uit hun doppen hadden gekeken wisten ze meteen wat ze met Van Groen in huis haalde. Want hoe ging het ook alweer in Veenendaal-Veenendaal, een profkoers over tweehonderd kilometer waar ook een aantal amateurs aan mee mochten doen? Tussen al die geharde én dikbetaalde broodfietsers werd Van Groen toch maar zevende.
,,Ik had kilometers op kop zitten rijden,’’ begint Van Groen zijn verhaal. ,,Ik moest mij er letterlijk tussen vechten, ze gaven mij geen millimeter ruimte. Ik ben maar een amateurtje hè, dat zag je ze duidelijk denken. Ik heb mij er gewoon brutaal tussen geduwd. Ze begonnen meteen te schreeuwen, maar ik maakte mij daar niet druk om, verspilde energie.’’
Hoewel, volgens Van Groen, snoei en snoeihard gekoerst werd wist hij zich toch in de eerste waaier te handhaven. ,,In de eindsprint werd ik zevende en de eerste amateur,’’ vertelt de Amsterdammer nuchter.
Arnoud van Groen, derde jaarstudent bedrijfswiskunde, kan héél hard fietsen, is een heel groot talent, maar is ook niet zeker van zichzelf.. Zo vindt hij zich zelf te bescheiden, niet goed genoeg, en cijfert zich te snel weg voor ploegmaats. Ten onrechte, want met zijn ereplaatsen in zware koersen zit hij toch tegen die ene grote overwinning aan te hikken. En wat hij een eventuele profploeg kan bieden? ,,Ik kan redelijk klimmen, aardig tijdrijden, en op het vlakke kan ik met een hoog tempo het verschil maken.’’
Het is bijna onmogelijk om als ‘rookie’, met een mooie uitslagenlijst, een contract te versieren, want dit land telt vijftig beroepsrenners en maar twee profploegen. En in het knotsgekke fietsland Vlaanderen met zijn vele wielerploegen, is het ‘eigen volk eerst’. ,,Ik ga het toch proberen want ik weet wat ik kan’’, klinkt het strijdlustig. ,,Als ik prof kan worden dan zal ik het niet laten. Ik train nu twintig uur in de week, rij veel koersen waarin ook profs aan de start staan, en mijn basisconditie scheelt niet zo veel met beroepsrenners, met meer training kan ik lichamelijk nog groeien. En als dat allemaal niet lukt, is het niet voor niets geweest’’. Want we moeten dan vooral niet denken dat er dan een gefrustreerde renner rond rijdt.
Van Groen, 1.89 lang en 69 kilo licht, beweert stellig dat hij niets te kort komt en hij zou willen dat zijn hele toekomst er zo uit zal zien als nu. Hij leidt een mooi leven met zijn sport, vertelt hij, en geniet daar niet alleen met volle teugen van, maar beleeft ook nog eens avonturen. Want wie komt er nou in een of ander achter gebleven gebied in China, ja Kuifje, maar die heeft nooit op een racefiets gezeten. Wél Van Groen. ,,Vorig jaar heb ik in China nog een meerdaagse etappekoers gereden. Dat gebeurde in een achterlijk gebied waar ze nooit een blanke gezien hadden. Als wij over straat liepen dan stootten de mensen elkaar aan alsof ze een kermisattractie zagen. ’’
Koersen in de Oriënt schijnt iets anders te zijn dan de Omloop van Denderwindeke of de Grote Prijs Zottegem. Van Groen vertelt met veel gevoel voor details hoe dat daar toe gaat. De slechte hygiënische omstandigheden, en het voedsel, wat al een avontuur op zich is. ‘De ‘schijt’ sloeg, onthult hij met veel gevoel voor details. Terwijl het peloton voort raasde zaten, tussen verbaasde toeschouwers, de renners met afgezakte koersbroeken op hun hurken langs de weg.
Arnoud van Groen mag dan wel beweren dat hij een perfect leven heeft maar hoe houdt hij, met zijn studie, trainingen en koersen, het kacheltje brandend?
,,Ik woon bij mijn vader, naast mijn college’s en trainingen, werk ik op de vrijdag in een fietsenzaak en met mijn prijzengeld kan ik er net van komen.’’

Geplaatst: in maandblad ‘Mug’: september 2007

 

 
 

 

Geplaatst in Wielrennen. Reageer »

Koersen in de geriatrische zone

 

ouwelul1Bijbelse voorstellingen op gevels, geraniums aan de balkons, struise kelnerinnen met laag uitgesneden dirndljurken, waar een alpinist hoogtevrees van krijgt maar wat altijd een feestelijk moment is om daar een blik in te mogen werpen. De lokale brouwerij produceert het Hüber Brau, een ultiem Germaans gerstenat, zoals Wodan dat bedoeld heeft. Op het dorpsplein een oorlogsmonument met de namen van zeshonderd lokale ‘gevallen’ jongens, maar ook ‘Gasthof Posthaus’, uitgebaat door Edmund Hibler: scheelt maar een letter… Kortom, ‘Gruss Gott’ in het Oostenrijkse Sankt Johann waar eind augustus het Rad-Weltmeisterschaft ofwel het wereldkampioenschap voor veteranenwielrenners.

Dat oude soldaten nooit dood gaan bewijst maar weer eens ene Lucien Cas een renner uit Frankrijk. Cas, gladgeschoren bruine benen, tanige doorploegde kop, krijg je vermoedelijk niet meer nerveus want heeft bij de nieuwelingen nog gestreden tegen voormalige tourwinnaars Jean Robic en Louison Bobet.
Cas is dan ook zesentachtig jaar en gaat samen met veertig andere ‘tachtigers’ uitmaken wie wereldkampioen gaat worden in de geriatrische klasse: de bejaardensoos met biljart, bingo, klaverjastoernooi én sjoelbak lijkt voor even heel ver weg.
Rugnummers worden afgehaald bij de Volksschule waar de hele week meer dan zeshonderd krasse knarren, koerspetjes op het hoofd, zenuwachtig rond drentelen. De start en finish is even buiten het dorp, vlak voor de poorten van de Winterstelle-Kaserne, verblijfplaats van de ‘Stand Schutzen’ en gebouwd in 1936. Hoeveel ‘jongens’ van het monument daar hun opleiding hebben gehad daar durf ik niet aan te denken, maar dat de renners even fanatiek zijn als de toenmalige soldaten daar twijfel ik geen seconde aan.
De koers staat op punt van beginnen. En wat er dan volgt is pure magie! Biologisch gezien zijn het bejaarden maar gezeten op hun dikwijls peperdure koersfietsjes ogen ze als jonge goden: afgetrainde koppen, dikke, soepele spieren, die los op het dijbeen lijken te liggen, scherpe scheenbenen en geen grammetje té veel.
Maandenlange trainingssessies zitten erop en de meer dan tachtig renners uit ‘Klasse K, Jahrgänge 1942-1944’ zijn die maandagmiddag dan ook klaar voor de strijd. Hun ‘oorlogsfront’ is de Huberhöhe van 900 meter hoog én de Loferberg 630 meter, twee vervelende puisten in een parkoers van bijna veertig kilometer dwars door het Tirolerland die twee keer genomen moet worden.
Renners komen uit heel Europa en sommigen, vooral die van de Hollandse laagvlakten, hebben het begrip ‘hoogtestage’ niet geschuwd. Alsof ze nog een hele carrière voor zich hebben, terwijl het aantal ‘kerstboompjes’ te gaan, op de vingers van soms niet eens twee handen te tellen zijn, werd het lijf gehard in de Ardennen, Alpen of ander berggebied.
Ko Zomer (64) had zijn klimgeit capaciteiten getest op het Kopje van Bloemendaal. Dagenlang werd tegen dat lullige heuveltje opgespurt, soms wel twaalf keer achter elkaar om dan op het buitenblad weer terug te stoempen naar zijn woonplaats Schermerhorn. Ooit was Zomer ‘scherpschutter’ in de criteriums. In zijn dertigjarige carrière heeft hij meer dan veertig van deze kermiskoersen op zijn naam geschreven. De laatste koers die hij won, achttien jaar geleden, was tevens zijn grote finale: de voormalige stukadoor stopte direct met de wedstrijdsport maar is altijd blijven trainen.
Eenmaal in de ‘vut-haven’ ging de Noord-Hollander helemaal los. In plaats van de witte kalk en spatel werden de dagen gevuld op de racefiets. Zomer voelt zich sterk, is in topvorm en wil zich nog één keer bewijzen of hij mee kan komen. Wat is dan mooier dat te doen in het officiële Rad-Weltmeisterschaft?
Onder opwindende tonen van Queen wordt gestart. Negentig renners vertrekken voor hun kampioenschap. Het koersverhaal is heel kort. Er blijkt hard gereden te zijn. Verrassend snel komen drie renners met twee minuten voorsprong terug, daarachter een groep van een man of dertig waarvan Tim Krabbé de spurt wint. In Tirol kwam Zomer tot de conclusie dat de beklimming van de Huberhöhe iets heel anders is dan de ronde van Oostzaan en moest, tijdens de tweede omloop, de grote groep laten gaan en eindigde als achtendertigste op acht minuten van de winnaar. Meer zat er voor hem niet in vertelt hij met veel gevoel voor zelfkennis.
De prijsuitreiking is ’s avonds nabij het dorpsplein. Zonder hun hightech fietsje, ontdaan van wielerkleding, snelle zonnebril en gehuld in dagelijks kloffie blijken de ‘jonge goden’ heel gewone, stramme, grijze oudere heren te zijn.
Het sprookje is dus over, de betovering verbroken: de prinses is weer gewoon Assepoester…

 

Geplaatst in Wielrennen. Reageer »

Op een knecht wordt niet gewacht

floriantje1Welk weldenkend mens jakkert op zijn racefiets, tijdens stromende regen, achter een brommer over een parkoers van nog geen achthonderd meter lang en door bochten die zo glad zijn als de praatjes van een politicus? Dat doet alleen een wielrenner die meedoet aan het dernycriterium op het Purmerplein, afgelopen Hemelvaartdag, zoals Florian Smits (24) afkomstig uit Amsterdam-Oost.

Een beetje potsierlijk is het wel een vadsige gangmaker op een miniatuur motorfietsje maar dat kan Florian Smits, heel even, geen moer schelen. Zo’n ‘dikbil’ fungeert namelijk als één groot windschild. Smits koerst op de millimeter achter het spatbord van de vervaarlijk knetterende derny en met snelheden waarvan een gemiddelde pizzabezorger een patent op heeft.
Het fietsen achter motoren is niet Smits’ zijn stiel. Dat hij op het Purmerplein zijn lijf en leden in de waagschaal stelt dat heeft te maken met iets dat bijna uitgestorven is: clubliefde. Het is dat zijn kluppie, Ulysses, de koers organiseert, maar anders…
Geef hem maar een bloedhete avontuurlijke etappekoers in Afrika, en als dat niet voorhanden is dán een fijne ‘windklassieker’zoals Olympia’s Tour waar Smits zojuist aan deel heeft genomen. Barstensvol zin en moraal stond Smits aan de start van deze etappekoers door Nederland. De ronde van Overijssel vormde daarvoor een lekkere opwarmer want dat ging goed, en in een Vlaamse klassieker eindigde de afgestudeerde fysiotherapeut toch maar even bij de eerste tien. En had hij niet, afgelopen winter op schema’s van een inspanningsfysioloog getraind?
Florian Smits heeft een goed voorseizoen gehad, maakt deel uit van een gesponsorde ploeg, rijdt op prachtig materiaal gehuld in flitsende en blitsende fietskleding, maar een klein beetje geluk moet hem wél vergund zijn. Dan moet je niet, op de Afsluitdijk, in een kopgroep zitten als de sluizen van de dijk open gaan. De koers gaat vervolgens verder en met wind mee voel je, als geroutineerde renner, aan je ‘theewater’ dat het peloton achter je op breken staat en dan is het zo’n lullig kiezelsteentje in je tube die alles in de war schopt.
Smits kreeg van de mecanicien een ander wiel maar probeer maar in je eentje een op hol geslagen peloton te achterhalen: Florian Smits fungeert in zijn ploeg als knecht en daar wordt niet opgewacht. Mentaal kreeg hij een klap en in de zevende etappe staakte Smits gedesillusioneerd de strijd.
Een beetje renner is een onverwoestbare optimist. Ook Florian Smits want die kijkt nu al uit naar de ronde van Hongarije, eind juli. Als voorbereiding maakt hij lange duurtrainingen en de criteriums vormen daarbij de intervaltraining. Vier van dergelijke koersen rondom ‘de kerk’ heeft hij gedaan en drie keer eindigde hij bij de eerste tien.
Smits is niet zo’n coureur die alleen maar zijn ‘ballen afdraait’ in koersen in Nederland én Vlaanderen. Zijn Nirvana bevindt zich in Afrika waar in het najaar de rondes van Burkino Faso en Senegal verreden worden. De rondrit door Senegal heeft de Oost-Amsterdammer al een keer gedaan. Koersen door de bush, onder een gloeiend hete zon met Afrikaanse juryleden die reglementen niet zó nauw nemen, en collega renners afkomstig uit exotische wielerlanden als Angola, Nigeria en Eritrea daar verdien je als modale Amsterdamse wielrenner niet echt een kapitaal mee. Maar de verhalen die Smits dáár over te vertellen heeft zijn onbetaalbaar en garanderen zijn toekomstige kleinkinderen heel veel plezier

Geplaatst in Wielrennen. Reageer »

Als ze dat staartje zien willen ze mee

staartjeDe Marmotte, een sullige naam voor een helse koers, want zij voert over vier alpencols. En dan niet van die gewone, maar de Croix de Fer (2068m), de Telegraph (1750m), de Galibier (2648m) en finish op de top van Alpe d’Huez (1850m). Heilige wielergrond uit de Tour de France. Meer dan vierduizend renners waaronder profs en topamateurs staan begin juni aan de start. Onder hen ook Laura Verhoeven (50) die pas een paar jaar gelden op de racefiets zit en bij de eerste 140 eindigde.

Voor die ‘jongens’heeft ze ontzag gekregen, waarmee ze de cols in het Franse hooggebergte bedoelt. Volgens Laura Verhoeven kan niemand zich er een voorstelling van maken hoe zwaar het op een fietsje kan zijn. Kou, mist, en soms sneeuwbuien op de toppen. En dan moet er ook nog gedaald worden. Over veredelde geitenpaden, langs peilloos diepe afgronden op weg naar het broeierige warme dal. Fietsen in het hooggebergte is voor Laura Verhoeven emotie. En dan speciaal die ene koers begin juli: De Marmotte.
,,Ik ben pas acht jaar geleden begonnen met wielrennen. Als fysiotherapeute gaf ik een cursus aan buschauffeurs van het GVB. Ik leerde ze omgaan met stress. Een van die jongens had een fietsclubje en vroeg of ik een keer wilde meegaan.’’ Een wereld ging voor haar open. Op een oude en te grote racefiets reed ze niet alleen die goed getrainde jongens van het vervoerbedrijf het snot voor de ogen, maar ontdekte ook de geneugte van het sporten in de natuur.
,,Het ging meteen goed. Ik reed mijn eerste tourtocht van 180 kilometer makkelijk uit. Daarna heb ik nog een paar keer gefietst. Een jaar later heb ik de knoop door gehakt, een koersfiets en de juiste kleding aangeschaft en ben mij gaan toeleggen op het rijden van toertochten.’’
En tijdens zo’n tocht in de Ardennen ontdekte ze tot haar verbazing dat ze iets kon waar een renner uit de polder de meeste moeite mee heeft: klimmen.
,,Ik reed Luik-Bastenaken-Luik en op die steile hellingen ging ik met de snelste mannen mee omhoog. Ik kreeg het advies om de cyclosportieven-wedstrijden te gaan rijden. Dat zijn koersen met vrije inschrijvingen die zich voornamelijk op geaccidenteerd terrein afspelen.’’
Verhoeven, slank en pezig, behaalde in de Belgische Cyclo’s een rits overwinningen wat haat het laatste zetje gaf om mee te doen aan de Marmotte.
,,Ik ging met de bus naar Frankrijk, een zogenaamde flitsreis. Vrijdags gebroken aankomen, je rugnummer halen en een dag later starten. Het was één drama. Ik had nog nooit in het hooggebergte gereden, maar wist ook niets van sportvoeding. Ik had twee bidons met water en een muslikoek die ik prompt niet weg kreeg. Op de Alpe d’Huez ging ik drie keer dood. Met mijn kop onder het stuur ben ik omhoog gekropen. Ik werd nog derde dame in een tijd van 8.39 uur.’’
Gepokt en gemazeld vertrok Verhoeven een jaar later aan haar tweede Marmotte.
,,Ik had mij goed verdiept in de voedingsleer, maar startte ook met een hartslagmeter. Het ging die dag perfect. Ik ging met de eerste mee omhoog. Mijn vriend reed op de motor mee en bovenop de Croix de Fer gaf hij mij eten en drinken. De afzink van de Croix is bloedlink maar ik kan goed afdalen.’’
Nadat ze de Telegraph spelenderwijs had genomen ‘sprong’Verhoeven op de Galibier van ploegje naar ploegje. En op de Alpe d’Huez gefinisd liet ze de klok stil staan op 7.44 uur en werd niet alleen tweede vrouw maar eindige in een veld van meer dan vierduizend renners als 140.
,,Inmiddels ben ik redelijk bekend bij de cyclowedstrijden. Als ze dat staartje van mij langs zien komen willen ze mee. Maar dat gaat niet altijd en dat is heel leuk.’’
Volgens haar speelt dan het machogedrag van sommige mannen daar een rol in. Een renster die tegen de steilste hellingen als een vlinder omhoog fladdert, die gaat niet ongemerkt voorbij. Een bondscoach drong bij haar aan om mee te doen aan het nationale kampioenschap op de weg. Verhoeven nam een wielerlicentie en reed haar eerste officiële koers: tegen de allersterkste dames van het land.
,,Dat kampioenschap vond plaats op een heuvelachtig parkoers in Limburg. Ik was een eenling en moest het tegen die grote gesponsorde ploegen opnemen.Op de Gulperberg was een spervuur van demarrages waardoor alles uit elkaar spatte. Ik zat vlak achter het kopgroepje. In de klimmetjes speelde ik met mijn tegenstanders, maar op het vlakke kwam ik toch tactisch tekort. Niemand wist wie ik was. Langs de kant hoorde ik de mensen roepen ‘wie is dat’.
Verhoeven zorgde voor sensatie door als elfde te eindigen. Wat haar een contract in de wielerploeg van Leontien van Moorsel op leverde.
,,Ze hadden mij genomen om Van Moorsel te helpen in het gebergte. Maar ik kreeg een darminfectie waardoor ik drie maanden buitenspel stond. Ik had terug kunnen komen, maar was inmiddels behoorlijk op de sfeer en mentaliteit bij het damesfietsen afgeknapt. Het geroddel en gescheld, vreselijk. Bij mannen hebben ze meer respect voor elkaar. Ook de koersen lagen mij niet. Veel op het vlakke waar de afstand voor mij te kort was. Ik moet het van het klimmen hebben, maar daar bestaat niet ieder koers uit,’’ stelt ze nuchter vast.
Na een jaar hield zij het voor gezien en bedankte. Iets waar ze nooit spijt van gehad heeft.
,,Toen ik stopte bij Van Moorsel was het een grote opluchting. Alles was daar verplicht. Voor mij is er meer dan alleen maar sporten. Ik drink graag een glas wijn, heb een grote vriendenkring en ook mijn baan. Mijn sociale leven komt op de eerste plaats en dan pas het fietsen. En met dat ‘fietsen’bedoelt ze haar eerste liefde de cyclo’s.
,,Ik ga dit seizoen alle grote wedstrijden in België rijden. Door de week heb ik geen tijd om te trainen, maar ga ieder weekend naar de Ardennen. Daar is altijd wel een toertocht te vinden. Ik begin al goed in vorm te komen voor de Marmotte.’’
En als je zoveel wint als Laura Verhoeven dan moet je iedere keer met een goed gevulde beurs naar huis gaan.
,,Prijzen?’’ Roept ze uit. ,,Het kost mij alleen maar geld. Ik heb een keer een frame gehad, voor de rets niets. Fietsen is voor mij een manier van leven.’’

Geplaatst in Wielrennen. 1 reactie »

‘Wij wachten op niemand’

fackieAlleen heel oude stadsgenoten waren er getuigen van en kunnen er met veel smaak over vertellen. Het moeten dan ook legendarische duels zijn geweest die zich achter de motor afspeelden. Gevechten tussen De Paepe, Timoner en Dolf Verschuren, of dat wereldkampioenschap in 1959 waarin de toen onbekende Arie van Houwelingen de wereldtitel greep. Het was de tijd dat het Olympisch Stadion volle bak had. En toen volgde de teloorgang. Het rijden achter de grote motor is een langzame dood gestorven. Maar niet helemaal. Want de motor is vervangen door een lichtere versie, de minstens zo spectaculaire derny. Gangmaker Willem Fack 50 jaar behoort met zijn renner Patrick Kops daarin tot de beste.

Garagehouder Willem Fack heeft nooit op een racefiets gezeten. Zijn sportroots liggen bij de paarden. Jarenlang was hij actief in wedstrijden met tuigpaarden. Trots laat hij een foto zien met een span van vier paarden voor een kar: Willem op de bok. Maar het waren wielrenners die bij hem in de garage kwamen die hem deden besluiten de paarden in te ruilen voor de motor.
,,Gangmaker Joop Stakenburg was klant bij mij. Zijn verhalen werkten inspirerend en twintig jaar geleden ben ik met hem meegegaan naar de wedstrijden. Ik hielp hem die zware motor op gang te brengen. Van het een kwam het ander. Ik wilde het ook proberen.’’
Gangmaken dat is een soort geheime sekte met hun eigen gebruiken, rituelen, en vooral, geheimen. Om daar tussen te komen moet je over een groot doorzettingsvermogen beschikken. Ook Fack weet daar over mee te praten.
,,Ze zien je liever niet komen. Je bent toch een beetje een bedreiging voor ze. Ze willen de vijver zo klein mogelijk houden. Ik heb alles zelf moeten leren. Niemand hielp mij. Ze gaven je eerder de verkeerde aanwijzingen. Ik die het nu anders. Een nieuweling wil ik best helpen. Maar ze luisteren niet altijd.’’
Gangmaken is niet alleen een kwestie van op de motor kruipen en gas geven. Er komt meer voor kijken: koersinzicht.
,,Je moet de wedstrijd aanvoelen. Als je dat niet kan leer je het nooit. Sommigen krijgen het nooit door. Bij mij duurde het vijf jaar voor ik net onder de knie had. Het meest heb ik geleerd door met renners van de nationale selectie te trainen.’’
Willem Fack behoort nu tot de top en kan wat renners betreft wel wat eisen. Hij en niemand anders gaat over de tactiek.
,,In de wedstrijd bepaal ik wat er gebeurt. Als je dat aan een renner overlaat, dan wordt het niks. De renner die achter mij rijdt mag alleen maar ‘ho’roepen als het niet gaat. Maar mijn renner hoor je niet.’’
Zijn renner is Patrick Kops waar Fack al jaren de Europese banen mee afgaat.
,,We hebben veel succes. De laatste vijf jaar zijn we nationaal kampioen geworden. Maar daar doen we wel wast voor. We trainen zo’n vijf keer per week. Dat moet wel, want we hebben de hele zomer wedstrijden met de grote motor gereden. Dat gebeurde op betonnen banen. De pedaaltred op die banen is heel anders. Willen wij succes op de houten banen hebben dan moet het ‘snelle tredje’ er in komen. Dat is draaien en trainen op het supersnelle hout van het Velodrome.’’
Voor het komende Europese kampioenschap derny is het koppel is gedreven. Ze staan op scherp. Er wordt volgens hen niets aan het toeval overgelaten.
Facks: ,,Werklui zijn nu bezig de wielerbaan te lakken. Als dat morgen ook zo is, dan gaan we naar Duitsland om daar een uurtje te trainen. Het is een helse klus, maar ik wil dat Kops goed is, want we zijn van plan op het erepodium te komen.’’
Bij het stayeren kan je niet heen om het woord ‘afspraken’. Want in het verleden heeft er te vaak een geur van afspraken om heen gehangen. De gangmakers waren machtig en bepaalden wat er gebeurden. ,,Daar is de sport bijna aan kapot gegaan,’’ reageert Fack furieus. ,,Ik ben een echte liefhebber, een amateur in de ware zin des woord. Ik maak geen afspraken. Nooit. Ik geef gas, en wie niet mee kan heeft pech gehad. Wij wachten op niemand!’’
Het is niet alleen de renner die af zit te zien, pijn zit te lijden, maar ook de gangmaker is gesloopt na een koers.
,,Met mijn twee meter ben ik te groot voor dat kleine motortje. Ik ben blij als het afgelopen is. De pijn in mijn rug is bijna onhoudbaar. Vooral als wij op betonnen banen hebben gereden die nogal hobbelig zijn.’’
Met de verkeersdrukte en het ‘verdrempelen’van Nederland is de wielerbaan de toekomst voor het wielrennen. Maar is daar nog wel plaats voor het stayeren. Volgens Fack wel.
,,Het probleem nu is dat we te weinig banen hebben. Er zijn de laatste jaren te veel goede banen gesloopt. We hebben alleen nog Alkmaar en Sloten. In Apeldoorn zijn er serieuze plannen voor een tweehonderd meter baan. Als die klaar is ben ik ervan overtuigd dat het weer gaat aantrekken.’’

geplaatst: Amsterdams Stadsblad

 

 

 

Geplaatst in Wielrennen. Reageer »

Jonker wil iets moois achter laten

jonkertjeFietsen achter zware motoren was een van ouds her Amsterdamse aangelegenheid wat begon in 1903 toen Amsterdammer Piet Dickentman in Kopenhagen wereldkampioen stayeren werd. Decennia lang mateloos populair bij het publiek, maar met het iets te veel ‘regelen’ door corrupte gangmakers en de sloop van de Stadionbaan begon de teloorgang. Tot twee jaar geleden, toen Jan Jonker het niet langer meer kon aanzien en de sport van de mestvaalt haalde. Inmiddels is de stayersschool van Jonker is tot ver over de landgrenzen een begrip.

Hoe de verhouding zich het best laat omschrijven? Als een bromfiets met een Harley Davidsson. Want wie vroeger de zware gangmaakmotoren gekend heeft, moet even wat wegslikken bij het zien van de tien 80 cc motortjes die op het middenterrein van het Velodrome staan opgesteld. Bij hardop geuite twijfel bezweert Jan Jonker (71) dat het wel degelijk met stayeren te maken heeft.
Jonker is niet zomaar iemand maar een man voor wie de stayerssport een manier van leven is. Als actieve renner heeft hij achter de ruggen van gangmakers Frits Wiersma, Bertus de Graaf en Joop Stakenburg gereden: stayerslegenden die jaren gelden zijn gaan hemelen.
Dat waren nog eens hoogtijdagen voor de sport met iedere week een vol Olympische Stadion. Jonker kijkt niet om naar vroeger. Alleen het nu telt en dat is stayeren anno 2004.
En dan mag een debuterende renner grinniken bij het zien van Jonker’s motorpark, maar het lachen vergaat hem wel als het startschot is gevallen. Jonker kent namelijk zijn pappenheimers. Hij heeft de rol achter de motor, waar de renner tegen aan rijdt, op zeventig centimeter gezet, ver genoeg om zo’n renner met de Heer te laten praten, of in jargon: afzien tot het gaatje. In een vrijwel uitgestorven sportdiscipline waar gangmaakmotors niet meer te krijgen zijn is het een raadsel waar de motors vandaan kwamen. Jan Jonker gaat het geheim onthullen.
,,Het stayeren was helemaal weg, er waren geen motoren meer, niets. De Amsterdamse ondernemer Harry Mater, net als ik helemaal gek van de sport, heeft een heleboel van de sloop gered. Ik wist dat hij in het bezit was van tien lichte motors en ben met hem gaan praten. Eerst wilde hij niet want hij vindt het relikwieën en is daar heel zuinig op. Uiteindelijk mocht ik er een lenen en heb die omgebouwd naar de eisen van het Velodrome. Iedereen op de baan was wild enthousiast, ook Mater, die meteen overstag ging, en ik mocht de rest bij hem op halen.’’
Voor het eerst in jaren klonk in het Velodrome de kreet ‘motoren in de baan’. Maar er was een klein nadeel: al draaide de gangmakers de gaskraan wagenwijd open en fietsten de renners de spijkers uit de baan, inhalen was er niet bij. Dat lag niet aan de longinhoud noch aan de benen van de coureurs.
,,De motors hadden te weinig cc en vermogen. Passeren ging vaak niet omdat je niet extra gas kon geven. Van mijn eigen geld heb ik tien nieuwe motorblokken gekocht, en stak daarmee aardig mijn kop uit. Ik ben de rondte ingegaan om sponsors te vinden. Nee, niet alles is binnen, maar als ik het financieel niet rond krijg heb ik pech gehad. Dat geld interesseert mij niet zoveel. Ik heb het gedaan om het stayeren over eind te houden. Als ik er niet meer ben laat ik iets positiefs voor de sport achter.’’
Vroeger, die heerlijke tijd waar geen regeltjes of bedilzucht van de overheid bestond, zaten ze nergens mee. Renners fietsten vlak tegen de motor en haalden daardoor snelheden van over de honderd kilometer. Dan kreeg je spektakel, zoals in 1909 in Berlijn waar een motor de bocht uitvloog in de tribune terecht kwam en acht toeschouwers deed hemelen. Is de kans groot dat het publiek in het Velodrome ook een motor op de schoot krijgt?
,,Nee dat is onmogelijk,’’ sneert de nog vitale Jonker, ,,Vroeger reden ze met zware motors van tweeduizend cc en de renners met een versnelling van 70 tanden voor en 14 achter. Op een kleine baan, zoals hier, rijden ze met 65 voor en 18 achter. Evengoed rijden de renners zich conditioneel kapot,’’ verzekert hij. Dat de inspanningen van Jonker respons heeft bewijst het aantal deelnemers, dat zich zondagmorgen in het Velodrome melden. ,,Wij zijn pas twee jaar bezig en met veel succes. Kijk maar naar de startlijst. Vandaag starten er veertien renners die over twee series rijden.Ze komen zelfs uit Duitsland. Wij zijn, samen met de baan van Alkmaar, de enige in Europa waar ‘s winters gestayerd wordt.  Het zijn jonge renners die het willen leren maar ook de gangmakers zijn nieuw. Ze willen er allemaal invliegen.’’
Gangmakers stonden vroeger niet bekend als de Heilsoldaten van het baanwielrennen. Praktijken van elkaar kunstjes flikken en besodemieteren hadden ze tot een kunst verheven en wereldkampioenschappen waren verworden tot een soort termijnmarkt waar de titel te koop was. Of de mannen van Jonker deugen?  ,,Hier wordt rechtuit gereden, zonder afspraken. Laat ik het niet merken dat ze de boel bedonderen,’’ klinkt het oprecht en onheilspellend.

geplaatst: Amsterdams Stadsblad

Geplaatst in Wielrennen. 1 reactie »

Amsterdams eerste sportheld

fiets-dickentmanJacob Olie trok met zijn kiekdoos door de stad. In het Oosterdok lagen de windjammers, de trekschuit ging nog door de Overtoom en de stad hield achter de Ceintuurbaan op. Begin twintigste eeuw dus. Om precies te zijn 16 augustus 1903, als in Kopenhagen de Amsterdammer Piet Dickentmann op 24-jarige leeftijd wereldkampioen achter de grote motor werd.

Piet was met zijn overwinning de allereerste sportheld van deze stad. Rijden achter zware motoren was honderd jaar geleden een hachelijke en bloedlinke bezigheid. De zuigkracht oftewel de abri die de renner achter de motor had was enorm. Snelheden van over de honderd kwamen voor en bij valpartijen sneuvelden renners bij bosjes.
Waren toenmalige stayers helden of levensmoeie idioten? Na de ramp in 1909 in Berlijn, toen een motor het publiek invloog waarbij acht doden en 20 zwaargewonden vielen, werd de meedraaiende rol – waar de renner tegen aan reed – op 40 centimeter achter de motor geplaatst.
Maar terug naar Piet. Die nam alle gevaren op de koop toe, want fietsen achter de motor kon dan wel gevaarlijk zijn, maar het was ook heel lucratief.
Zijn debuut maakte hij in Wenen 1898, wat meteen een succes was. Hij won. De resultaten waren zo goed dat Dickentmann in 1900 beroepsrenner werd. En aan werkgelegenheid ontbrak het niet. Vooral in Duitsland waar iedere stad wel een wielerbaan met eigen programma bezat. Piet was daar een geziene gast. Vooral de bloedstollende gevechten met de onverslaanbaar geachte Duitser Thaddaus Robl spraken het volk aan.
Professional Dickentmann kon niet alleen hard fietsen maar had ook een goede neus om geld te verdienen. Hij werd zijn eigen manager. Samen met Robl bepaalden ze waar ze gingen rijden, maar ook de hoogte van het prijzengeld. Zo verdiende Piet in 1914, alleen al in Duitsland, de som van 18.400 DM.
Piet had een vreemde en opmerkelijke manier van PR voeren. Na wedstrijden in Duitse stadions liet hij zich na afloop met een auto rondrijden en strooide dan geldstukken rond, waar de toeschouwers op af vlogen. Daarmee verzekerden hij zich voor de volgende keer weer voor een volle bak. De zaken gingen goed en Dickentmann verdiende met zijn sport kapitalen. Als vermogend man kocht hij in 1907 de luxe auto die koningin Wilhelmina had toe behoord. Hij nam een chauffeur in dienst die hem van wedstrijd naar wedstrijd reed. De loopbaan tot 1927 van Piet Dickentmann was meer dan indrukwekkend.
Na zijn laatste overwinning, bijna vijftig jaar oud, nam hij in een gloednieuw Olympisch Stadion afscheid van zijn sport. Een carrière van meer dan dertig jaar met honderd overwinningen werd afgesloten. Piet opende in de Scheldestraat een rijwielzaak waar hij tot zijn dood in 1950 graag over zijn sportverleden sprak en daarbij mijmerend naar zijn stayersfiets keek, die een prominente plaats in zijn zaak had gekregen.
Over Dickentmann sprak het volk als ‘Piet’. En dat in een tijd waarin men amper elkaars voornaam kende. De rijwielzaak werd jaren later gesloten en de fiets verdween spoorloos. De stad een sportrelikwie armer.
Tot 1985, toen Siem Groot, toenmalig bestuurslid van Olympia een telefoontje kreeg. ,,Ik kreeg iemand aan de lijn die vertelde dat op zijn zolder een ouwe fiets stond te verstoffen. Die fiets was van zijn opa geweest en hij stond in de weg. Ze wilden hem weggooien en of wij als wielervereniging Olympia interesse hadden.’’
Volgens hem was zijn grootvader lid geweest van onze club.’’ Wie die opa was wilde Groot weten. ,,Piet Dickentmann was het antwoord. Natuurlijk hadden wij belangstelling voor dat karretje. Piet was een van de grote kampioenen die onze club kende.’’
Het was niet zomaar een fiets, maar De Fiets waar Dickentmann in Kopenhagen wereldkampioen op werd. ,,Hij was prachtig. Helemaal compleet, tot en met de houten wielen erin. Hij hangt nu aan de muur van onze kantine waar hij een ereplaats gekregen heeft. We zijn er heel zuinig op.’’
Olympia kreeg meer van de erven Dickentmann. ‘’Bij die fiets zaten ook twee originele met de hand gebreide koerstruien van Piet. Maar ook het diploma dat Piet kreeg bij zijn wereldtitel. En dat diploma had ook weer een eigen verhaal. Want 37 jaar na zijn wereldtitel, toen Duitse troepen Kopenhagen binnen trokken, kreeg Dickentmann dat diploma van de Deense wielerbond opgestuurd.’’

geplaatst: Amsterdams Stadsblad

Geplaatst in Wielrennen. 1 reactie »

Geplaatst in Wielrennen. Reageer »
Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 68 other followers