Kruidenierszoon reed één koers teveel

alfredgornvalZijn eerste grote profkoers. Een lakmoesproef. Een jaar daarvoor was Alfred Görnemann wereldkampioen bij de amateurstayers geworden.  Alfred stond nu aan het vertrek van de prestigieuze Golden Rad van Friedenau, een koers over honderd kilometer, en moest bewijzen dat hij het grote werk aankon. En zo niet… jammer dan. Voor hem in de plaats stond nog een batterij stayers te popelen. Voor Görnemann, een  kruidenierszoon uit Berlijn, was het erop of eronder. Of een loopbaan in de grutterij van zijn vader óf een succesvol profcarrière én een gevulde bankrekening.
Voor de Golden Rad op 17 mei 1903 in Berlijn, was de belangstelling overweldigend. Er was een schoenlepel nodig om binnen te komen. De zestienduizend kaartjes waren in een mum van tijd verkocht: en meer dan dat. Het stadion en het publiek kreunden onder het gewicht van de massa. Berliners samengeperst op tribunes kwamen in de verdrukking. De baanbalustrade knapte als het hout van een sigarenkistje. Mannen met bolhoeden stroomden over de wielerbaan op weg naar het bevrijdende middenterrein. Eindelijk kon de koers beginnen. friedenau
Motortandems in de baan. Vier toenmalige vedetten aan de start waaronder drie gewezen wereldkampioenen. Alfred uit Berlijn ging met jeugdige overmoed de strijd aan: tot razende enthousiasme van het thuispubliek. Een nieuwe topstayer ging de hemel bestormen. Met een tweede plaats én twaalfhonderd goudmark in zijn beurs vertrok Görnemann euforisch naar huis. Vijf maanden later was hij dood. 
Maar in de zomer van 1903 lachte het leven hem nog toe. Iedere week viel er wel ergens een goed contract te verzilveren. De kruidenierszoon won twaalf koersen, werd zeven keer tweede. Tijdens het wereldkampioenschap in Kopenhagen bewees hij dat zijn prestaties geen uitschieters waren. Achter wereldkampioen Piet Dickentman werd het ventje derde. De geldlade rinkelde. In het rijtje grootverdieners dat bestond uit veertig topstayers, stond Freddel op de tweede plaats met ruim twaalfduizend goudmark. Een kapitaal dat de ouwe Görnemann in zijn grutterszaak nooit bijeen kon schrapen.
alfredMaar dan is het elf oktober 1903. De dagen werden korter, en bomen geler. Alfred was moe, het seizoen lang, de koersen slopend en zwaar. Nog één koers in Dresden. Nog één keer vlammen. De Honderd Kilometer van Dresden was halverwege. Alfred Görnemann, op de tweede plaats, vuurde gangmaker Willy Wolf aan nog harder te gaan. Zover kwam het niet. Op de vochtige baan slipte het achterwiel van de motor weg. Alfred Görnemann, met verse wonden van eerdere valpartijen, botste tegen de zijkant van de rol en sloeg over zijn stuur. Met een gebroken nek én verbrijzelde schedel werd de kruidenierszoon naar het ziekenhuis afgevoerd. Alfred Görnemann, 26 jaar, stierf enkele uren later.

 

Foto 1: Alfred’s doodsmakkert.
Foto 2: De Friedenau wielerbaan in het Berlijn van 17 mei 1903.
Foto 3: Alfred Görnemann.

Bron: Radwelt jaargang 1902 en 1903. 

De blinde kip pikte zijn graantje mee

smoelwerkreneWie in 1948 de absolute favoriet was? Ferdinand Kubler en niemand anders. Gokkers hadden hun geld massaal op de Zwitser gezet want hij alleen werd in staat geacht om de Grand Prix des Nations, ’s werelds meest prestigieuze tijdrit, te winnen.
De Grote Landen Prijs, honderdveertig kilometer lang,  hét Nirvana van de tijdrijders. Roem, faam én vette contracten voor de winnaar. Van een blinde kip die wel eens een graantje meepikt lagen de bookmakers niet wakker, want dé chronospecialist bij uitstek, Fausto Coppi, had afgezegd.  Kubler, in bloedvorm, had de Ronde van Zwitserland gewonnen en van hem werd verwacht dat hij, het parcours over de heuvels rondom Parijs,   het snelst zou afraffelen. Met Ferdinand op je gokbriefje zat je wel snor… Maar niet heus!
Voor gokkers én bookmakers, maar vooral voor Dolle Ferdinand, werd de Grand Prix een verschrikkelijke nachtmerrie. Want de kenners, en iedereen die daarvoor door ging, had die ene volkomen onbekende René Berton, een broodmagere bonenstaak, over het hoofd gezien. Zelf had René er helemáál niet op gerekend dat hij, een simpele, eenvoudige prof met nul overwinningen,  geschiedenis zou gaan schrijven. berton1
Het leven als beroepsrenner was voor René een zwaar labeur. Vanaf 1946, het jaar dat hij zijn proflicentie aanvroeg, was het sappelen geweest. Het waren jaren van hard trainen, koersen rijden én weinig geld verdienen: van de opbrengt van zes gewonnen regionale koersen kon zijn kacheltje niet branden. Voor René een mazzeltje dat zijn elf jaar oudere broer Alfred in hem geloofde en hem financieel ondersteunde anders had hij allang de koersfiets opgeborgen en zijn oude stiel als automonteur weer opgepakt.
Na een redelijke voorjaarscampagne in de klassiekers van 1948, brak Berton in  Parijs-Roubaix zijn schouderblad, dat betekende drie maanden herstel en even zolang geen poen. En op 19 september 1948 zit het wegseizoen  er bijna op. Voor de Girodijn rest nog één kans: de Grand Prix des Nations .
‘Maak je niet druk, René’ fluistert Alfred, tien minuten voor de start zijn broertje in het oor. ‘Je zult zien dat het allemaal goed komt’. Het was dan ook een gok die Berton genomen had. Voor de voormalige automonteur gold het credo dat ieder grammetje op je fiets er één te veel is. Met een volkomen ‘uitgekleed’ karretje, met maar één rem, géén versnellingsapparaat, noch bidonhouder maar wél 32-spaaks wieltjes en banden zo dun als worstenvelletjes, stond de bonenstaak de  start.
Wat volgde was de meest memorabele dag uit Rene’s leven. Plat op zijn fietsje, met de handen als klauwen in de bocht van het stuur, stofbril op, mond wagenwijd open,  raasde René Berton de honderdveertig kilometer af met een gemiddelde van 39 kilometer.
berton2Berton won daarmee niet alleen de GP maar klopte Kubler met meer dan vier minuten, en verbrak het veertien jaar oude parcoursrecord van Magné met vijf minuten.
Ongetwijfeld heeft René, tot aan zijn dood in 2006 nog vaak aan die negentiende september 1948 gedacht.  Het was dan ook de enige grote internationale overwinning in zijn carrière die in 1954 eindigde. 

Foto’s: René Berton tijdens zijn enige grote overwinning.

‘Verrek Kurt, ben jij dat?’ ontmoetingen aan het front

Project1Tijdens zoektochten in de digitale archieven stuitte Stuyfssportverhalen op een merkwaardig én curieus krantenartikeltje geplaatst in  december 1939. Wat voor deze blog tevens een mooie aanleiding is om  even bij de oorlog ‘stil te staan’.

 Terwijl Neurenberg volstroomt voor de partijdagen, de Hitlerjugend stampend en zingend door de straten trekt,  het leger zich opmaakt voor de naderende Blitzkrieg, en Joseph Goebbels het sinistere scenario voor de Kristalnacht uitwerkt, wordt er ook nog  gekoerst.
De ronde van Duitsland 1938. Met als topfavoriet Kurt Stöpel. De oude Kurt, in de herfst van zijn carrière, bezig met zijn laatste wedstrijd. Voor Kurt zat het fietsen er op. De oproep voor militaire dienst was al binnen. Nog één keertje vlammen op de fiets voor hij het feldgrau van de Wehrmacht aantrok.
Kurt Stöpel,  wielrenner, en dan niet in de anonieme rangen,  had met Frankrijk een speciale band al was het alleen maar om de Tour de France. Dé koers waarin hij  geschiedenis schreef door als eerste Duitser de gele trui te dragen. Het was maar een pfenning op zijn kantje of Kurt bracht deze trui tot aan Parijs. De editie van 1931 was daarvoor een opwarmer.stopelsmoel
De onbekende Stöpel  knokte zich vijf keer bij de eerste vijf in een etappe.  Om een jaar later definitief door te breken. Wat niemand voor mogelijk hield, flikte der Kurt in 1932 toch maar. Na winst in de tweede etappe naar Nantes, eindigde Kurt Stöpel in het eindklassement op de tweede plaats.
Een Duitser koersend tijdens het interbellum in Frankrijk. Dat was dubbelop strijden tegen een heel peloton Franse renners die allemaal wel een geliefde verloren hadden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Kurt Stöpel  kon met iedere Fransoos het duel aangaan. Ook met Robert Oubron, een jonge prof. In de Tour van ’32 was het de piepjonge Oubron die het de Pruisische renner lastig maakte. Maar dan is het zes jaar later: de ronde van Duitsland. Met zijn laatste krachtinspanningen weet Kurt  als derde op het erepodium te eindigen: één plek voor Robert Oubron.
Robert Oubron zal niet veel later wraak nemen, maar dan niet in een wielerkoers.  Een donkere, koude decembernacht 1939, de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.
oubronsmoelIn het niemandsland aan de Duits-Franse grens stuit een Franse legerpatrouille op een aantal geïnfiltreerde Duitse soldaten. Het komt tot een kort vuurgevecht. Soldaat Robert Oubron laat zijn mitrailleur ratelen. Bij de inmiddels gevangen genomen Duitse patrouille is één soldaat in zijn hand geschoten.
Meegenomen naar de Franse stellingen valt het licht op de gezichten van de krijgsgevangenen. Er klinkt er een verbaasde kreet. ’Verrek, Kurt, ben jij dát?’ Sport verbroedert, doet ideologieën wegvallen. Ook voor Robert Oubron die direct de  hand van zijn vroegere sportmakker én rivaal verbond.
Kurt Stöpel, 89 jaar geworden, heeft ongetwijfeld in zijn lange leven over die bijzondere nacht na gemijmerd. En Robert Oubron? Na de oorlog nam hij zijn carrière weer op en koerste tot begin jaren vijftig. Oubron stierf op zesenzeventigjarige leeftijd.

Foto’s 1 en 2: Kurt Stöpel. Foto 3: Robert Oubron.
 Bron: Sport Revue jaargang 1933. Het Volk (United Press),  december 1939.

Beul van IJburg het hele jaar op scherp

jouke 007Weinig gewonnen. Maar tóch top. Een schaatser die zijn sponsor nooit teleurstelt.  Zo’n kerel voor wie het begrip ‘’aanvallen’ een tweede natuur is. Rossend en rammend in helse natuurijsklassiekers tot het kots tegen de huig borrelt. Behoort tot het elitaire groepje dat geacht wordt een  Elfstedentocht te winnen. En dat allemaal dankzij tramlijn 1. Had Jouke Hoogeveen op de Amsterdamse Overtoom skeelerend nooit het duel aangegaan met deze  tramlijn, dan was zijn duurvermogen nooit aan het licht gekomen. Niet veel later, zo  rond 2007 maakte Hoogeveen zijn debuut op het ijs. Dat laatste móest gewoon gebeuren, was genetisch bepaald. Want stond je wieg in het Friese IJlst, één van de Elfsteden, dan is daar geen ontkomen aan.
Jouke Hoogeveen al meer dan tien jaar wonend in Amsterdam. Behoorde de laatste drie seizoenen tot de smaakmakers op het natuurijs. Met dat bijna twee meter lange lijf altijd met zijn snufferd in de volle wind. Hoogeveen, vierendertig jaar, in de kracht van zijn leven, is semiprof  met alle voor- en nadelen. Als het in de winter zó koud en guur is dat een Marianne Thieme een wegtrekker krijgt bij het idee om een hond naar buiten te sturen, stapt hij op zijn racefiets. Ga daar maar even aan staan, duurtrainingen van vijf uur. joukejuichen
Voor een man als Hoogeveen, taai als een steppewolf, staat het sportverstand altijd op nul, gewoon maar niet aan denken dat vlak bij je huis zich de Jaap Edenbaan bevindt. Jouke, wonend op het Amsterdamse IJburg, wordt geacht meerdere keren per week op de Thialfbaan in Heereveen te trainen. Schaatsprofessor Henk Gemser slijpt dan aan zijn techniek.
Als je zoals Hoogeveen, niet over snelle benen beschikt  moet je andere middelen in de strijd gooien. Daar is niets geheimzinnigs aan, maar doodgewoon nog hárder de finale van en wedstrijd ingaan. Zorgen dat niemand naast je komt. Hoogeveen met de sprint van een gemankeerde schildpad, eindigt daarmee wel regelmatig bij de eerste tien. Na een loodzwaar seizoen, met als apotheose de kampioenschappen en klassiekers op natuurijs, moet je als professionele schaatser het ‘zwarte ijs’ zien. Heb je er even schoon genoeg van, krijg je lichte braakneigingen bij het zien van trainingsschema’s. 
joukekarperNiet Jouke Hoogeveen. De man, liefhebber pur sang, schakelt moeiteloos over op zijn allereerste liefde: het skeeleren. Iedere avond is hij op zijn spacy uitziende rollers te vinden in het Diemerpark, een boogscheut van zijn huis. Jouke Hoogeveen, de Beul van IJburg, traint dat lange, tanige en schrale lijf voor de komende skeelerkoersen. Zoals de ‘Klim van Steenwijk’, een klassieker met lugubere bijkomstigheid dat in het parkoers een heuvel zit. Omhoog gaan op rolschaatsen is één, maar dalen in een vol peloton met zestig in het uur is doodgewoon heel eng.  Hoogeveen, een gewezen winnaar van ‘De Klim’, haalt zijn schouders daarover op, gewoon niet aan denken. Dat Jouke Hoogeveen alleen maar leeft vanuit een sporttas, is niet waar. Regelmatig verruilt hij zijn schaatsen en skeelers om voor die andere passie. De snoeken en karpers rondom Diemen en IJburg weten dat als geen ander.
En dan is er nog die ene onbeantwoorde vraag: wie won nou hét ultieme duel tussen die twee tramhaltes op de Overtoom? Er is maar één Amsterdamse Fries die dat kunstje kan flikken.

Gespierde kopspijker in de kreukels

maasvanbeekbedBarneveld, bruisend hart van de bible belt. Dorp waar op de zevende dag des Here, de kerken drie keer massaal bezocht worden. Waar vanaf de kansel mijnheer de dominee met  duistere, angstaanjagende hellepreken de gemeente geselt. En waar de rest van de week in het zweet des aanschijns, om maar even in Bijbelse sferen te blijven, keihard wordt gewerkt. En nét op het moment dat je die Barnevelders het etiketje ‘saai’ op hun zwarte kousen wilt plakken, zijn daar ook Jan en Maas, die de uitzondering op de regel maar even bevestigen. Want Jan van Schaffelaar, om van zijn belagers af te zijn, sprong in 1482 van de Barneveldse kerktoren. De uit elkaar gespatte Jan werd daarmee trendsetter, én lichtend voorbeeld, voor een stoet  kamikazepiloten, Jihadstrijders, bomgordelterroristen en andere halfgare zelfmoordrakkers. 
En Maas van Beek dan? Nou, die deed ook het onmogelijke. Op een leeftijd waarop hij op de poorten van het lokale bejaardentehuis geacht werd te kloppen om zich alvast in te laten schrijven, pakte hij het werelduurrecord achter de derny: waar alleen gereputeerde profs het patent op hadden.maasslecht
En dat was meteen het begin van een fascinerend proces. De nationale sportpers legde  direct een cordon sanitaire om Van Beek heen. Maas van Beek, die gespierde, uitgebleekte kopspijker met de longinhoud van een Zeeuws trekpaard, werd niet serieus genomen. Van Beek tegen de zestig jaar, verbrak prompt nog maar een keer zijn eigen record. Het vaderlandse journaille had die Van Beek namelijk behoorlijk beledigd.
Maar dan is het begin maart 2013:  het  kampioenschap van Amsterdam. Wat voor de recordhouder een aardig trainingsritje moest worden, eindigde in een nachtmerrie. Van Beek met vijftig in het uur ten val gekomen, werd met gillende sirenes naar het Slotervaartziekenhuis gebracht. Waar voor zijn leven werd gevreesd. Maas Van Beek, held én voorbeeld van geriatrisch Nederland, verworden tot een zielig hoopje mens met een gescheurde dunne darm, gekwetste lever en andere enge aandoeningen, tussen het witte linnen. Met als extra dimensie dat het  hoofdstedelijke Slotervaart een soort medisch Fort van Sjako bleek te zijn. Dwars door de  morfine en tranquilizers heen zag Van Beek haarscherp de misstanden in het ziekenhuis. Stofnesten op de vloer, bloedspatten op infuushouders,  poep op plekken waar dat niet behoorde. En als uitsmijter ook nog een vijfhonderd piek uit zijn portemonnee gejat. Met de boodschap van twaalf  weken niet fietsen mocht Van Beek na een paar weken eindelijk naar zijn gezin.
maas3Drie maanden niet fietsen? Voor de Barnevelder, een gedrevene, tegen het randje van bezetenheid aan, een kennisgeving. Nog maar amper thuis, kroop hij met zijn uitgemergelde lijf op de hometrainer. Foto’s daarvan roepen meteen dejavu’s op van veldlazaretten aan een oorlogsfront. Je hoeft geen medicus te zijn om te zien dat dat  niet zó verstandig was. Van Beeks lichaam mag dan gebutst, en geknakt zijn, de  geest is nog optimaal. Over vijf maanden vertrekt hij naar Bolivia, waar de hooggelegen wielerbaan al gereserveerd is. Maas van Beek gaat dan voor de dood of de gladiolen want voor de derde keer zijn eigen record aanvallen. Ongetwijfeld staat Jan van Schaffelaar, in betere oorden, goedkeurend en enthousiast te knikken.

Foto’s: Maas van Beek, Rob Duin.

Records, en gebarsten schedels als rijpe meloenen

Stinson, Will (1)Willy Stinson flikte het toch maar. Terwijl ze in het Europa van rond 1900 nauwelijks vijftig kilometer in het uur haalde, jakkerde Willy, achter de motortandem, bemand met stuurman Harry Miles en gangmaker William Stafford  naar vierenzestig kilometer: tevens een  nieuw wereldrecord.  Willy’s record, gevestigd in Boston, was hét startsein voor een krankzinnige wedloop om dat aan te vallen. Het werelduurrecord achter de zware motor, krantenpersen werden daarvoor stop gezet, en als renner had je daarmee een ‘binnenkomer’.  Een prestigieuze aangelegenheid  dus waarvoor renners bereid waren  daar héél ver in te gaan. Maar er was wel dat ene vervelende probleem: de Europese motoren waren niet zó snel als de Amerikaanse. Piet Dickentman, handige knutselaar, loste dat uiterst creatief op. De Amsterdammer plaatste de buddyseat van de motor tot boven het achterwiel. Waarmee de renner optimaal in de zuiging van de motor zat. Had wél wat  vervelende  gevolgen. In volle snelheid begon het  voorwiel van de motor te zweven. Blokken lood, aan het stuur gehangen, moest dat voorkomen: het leven van renners, gangmakers én publiek was niet zóveel waard.  
Sommigen stayers wilden nog dichter tegen de motor zitten, en lieten een ultrakort fietsje bouwen. Zo één waarbij de pedalen naast het voorwiel kwamen. Spektakel in steile bochten als het  pedaal in het voorwieltje kwam. Een risico dat graag genomen werd, per slot van rekening moest je voor eeuwige roem, het geld en de bijbehorende lekkere meiden, wat voor over hebben. Binnen een aantal jaren werd Willy’s record meerdere keren uit de boeken gereden,  om in 1910 te eindigen bij honderdtien kilometer per uur.krantenkop
En Willy Stinson met zijn gabbers Stafford en Miles? Het trio ging hun record verzilveren en waren gecontracteerd voor de L.A.W. RaceMeet, een koers in Walham, Massachusetts. Nadat het startschot klonk, de renners waren weggeduwd,  ging het  meteen vreselijk mis.
Bij het uitkomen van de bocht raakten drie motoren in een slip en een catastrofe was een feit. De achteropkomende motortandem van Willy Stinson klapte er vol bovenop. Stuurman Harry Miles en gangmaker William Stafford werden letterlijk gelanceerd.  
Miles, die met zijn hoofd tegen een elektriciteitspaal kwam, werd zwaar gewond naar de rennersboxen gesleept en op een stretcher gelegd. Volgens de streekkrant The North Adams Evening Transcript, was Harry’s schedel gebarsten als een overrijpe meloen waarbij zijn hersens op de stretcher lagen. Binnen enkele minuten blies Harry, 25 jaar, zijn laatste adem uit.
tommyhall99Met gangmaker Stafford liep het ook niet fijn af. De journalist van dienst beschrijft tot in de meest gruwelijke details Williams laatste momenten op dit ondermaanse, want zijn schedel was verbrijzeld, zijn neus gebroken en door de val was zijn kunstgebit in zijn keel geschoten. Dat Stafford, 25 jaar, daaraan overleed was ter kennisgeving.
Voor het aanwezige publiek moet het ook een helse, traumatische en onvergetelijke avond zijn geweest! De op hol geslagen motortandem vloog over de balustrade en kwam middenin tussen de toeschouwers terecht. Dat daarbij geen doden vielen maar ‘slechts’ gebroken botten was een wonder.

Foto 1: Willy Stinson, foto 2: Tommy Hall, brak het record in 1903.
Bron: the Boston Globe, Radwelt jaargangen 1903 t/m 1910.

Met een schep zoekend op de slachtvelden

bertinweisEen straffe, gure noordooster huilt door kale bomen. Ramen rinkelen in sponningen. In het doodstille, donkere huis kraken spontaan planken. Het is ver na middernacht. De duisternis in de  werkkamer van Stuyfssportverhalen wordt doorbroken door één klein bureaulampje. Perfecte omstandigheden  om op zoek te gaan naar de ‘onbekende gesneuvelde stayer’. De digitale  internationale krantenarchieven worden met een schep minutieus doorploegd.  Op de slagvelden van het, voorheen, levensgevaarlijke stayeren worden de nodigen namen opgedolven: wat tevens een dosis frustraties bezorgt. Bij namen hoort immers ‘het verhaal’ en, heel belangrijk, een foto. En daar zit nou net de kneep. Van de meeste, vaak piepjonge renners, aan het begin van hun loopbaan, is in de diverse archieven, niet veel te vinden. Jammer! Zo’n onbekende jongen, lang geleden doodgevallen heeft wél recht op naamsbekendheid, behoort bijgezet te worden op het digitale begraafplaatsje van  Stuyfssportverhalen, waar inmiddels zesenvijftig verongelukte stayers en gangmakers voorgingen.

 Johnny Nelson uit Chicago, een wilde, ruwe  jongen. Een verdienstelijk scherpschutter in de ruige Amerikaanse Zesdaagsen. Verdiende vuistenvol dollars. Maakte voor de kick de overstap naar het stayeren. Werd de avond van 4 september 1901 door het Madison Square Garden gecontracteerd voor een 15-mile-race match tegen de stayerende dwerg Jimmy Michael. Op de tribunes het Newyorkse grauw, achter de motor Johnny, die halverwege koers, boven het lawaai van de motoren én publiek uit, dat ene vreemde geluid hoorde dat een brekende voorvork van zijn fietsje was.  Johnny tegen  de balustrade gekwakt, mankeerde ogenschijnlijk weinig, maar maakte de fout zijn benen niet in te trekken. De motortandem van  Jimmy Michaels  kon hem niet meer ontwijken.  Nelsons voet verdween tussen de spaken van de motor. Johnny, 23 jaar, opgenomen in het Bellevue Hospital waar zijn onderbeen  geamputeerd werd, stierf twee dagen later aan de gevolgen van gangreen.demsnor1
Johnny, kwartiermaker in de Grote Stayershemel, want in 1901 één van de eerste slachtoffers,  kreeg snel gezelschap. Zijn broertje Joe, 21 jaar, ook stayer, verongelukte  in 1903 eveneens achter de motor. En net als zijn grote broer én voorbeeld gebeurde dat óók in het  Madison Square Garden. De broertjes Nelson, herenigd bij hun Schepper,  hadden elkaar ongetwijfeld veel uit te leggen waarom ze nou zó nodig moesten koersen achter die pokkemotor.
Twee jaar later valt voor de Duitse stayer Haeser de laatste korrel door de zandloper.  Haeser waarvan niet meer bekend is dan zijn naam, verongelukt in 1903. Twee jaar later is het de beurt aan  Paul Dunkel. Paul, gangmaker stond samen met zijn vriend én renner Bruno Demke op de affiches van de  Grote Prijs van Berlijn op 19 oktober 1906 wat de afsluiting was van het seizoen: en tevens zijn leven. In gewonnen positie met nog één ronde te gaan, krijgt de motor van Paul een klapband. Gangmaker en renner stuiteren over de baan. Dunkel, zwaargewond met paard en wagen afgevoerd naar het ziekenhuis, overlijdt niet veel later.
Ondanks het drama met de  Nelson-brothers  waren er in Amerika genoeg jongens die op de wielerbaan lijf en leden in de waagschaal stelden. Ook Lewis Trettling waarvan niet meer bekend is dan dat hij in het Boston van 1908 tijdens een honderd miles koers viel en op slag dood was. 
In de archieven van de Amsterdamse politie bevindt zich ongetwijfeld nog een stoffige, vergeelde proces-verbaal over hem. De Duitse gangmaker Wronker was ooit betrokken bij een kolossale knokpartij op de hoofdstedelijke Zeeburgbaan (zie verhaal elders op deze blog). In het archief van  Stuyfssportverhalen duikt zijn naam regelmatig op, om opeens spoorloos te  verdwijnen. Nu is duidelijk waarom. Wronker in Keulen betrokken bij een valpartij, reed als een razende tegen de balustrade en vloog mét motor, vervolgens tussen de opeengepakte mensenmassa en gaf de geest, wat gebeurde begin augustus 1926.
wronEn dan is er ook nog gangmaker Bertin, ook op zo’n geheimzinnige manier verdwenen uit de archieven. Logisch. Bertin, gangmaker van de eerder dodelijk verongelukte Brécy (zie: verhaal elders op deze blog), ontdekte dat hij als aviateur een nog grotere adrenalinekick kon krijgen. In 1909 stortte Bertin, én zijn toestel, als een dodelijk aangeschoten meeuw uit de lucht .  

Gaat vervolgd worden.

Foto 1: Achterop de motortandem gangmaker Bertin, Foto 2: Dunkel met Demke, Foto 3: Gangmaker Wronker.
Bron: digitale archieven: New York Times, Boston Globe, diverse Nederlandse en Duitse krantenarchieven.

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 68 other followers